woensdag 18 februari 2026

VVV’er Manus de Lauwere

- door Gerrit van der Vorst-

Uit de Nieuwe Venlosche Courant in de jaren 1920-1930 wordt duidelijk dat Amandus Marie Joseph Alphons de Lauwere een goede voetballer was. De op 17 april 1906 in Venlo geboren Amandus stond namelijk in oktober 1923 – 17 jaar oud – al midvoor in het rooms-katholieke Noord-Limburgs elftal.

Zijn roepnaam was wel een ‘dingetje’. Niemand noemde hem Amandus. In het dagelijks leven werd hij een enkele keer Arnold, ook wel André en vooral Armand genoemd, maar op het voetbalveld was ‘Manus’ kennelijk een gemakkelijke roepnaam.

 

Amandus de Lauwere op latere leeftijd.

Manus de Lauwere begon met voetballen in de rooms-katholieke competitie, bij de Venlose club Constantia die in wit-zwart tenue speelde. In haar hoogtijdagen trok Constantia honderden toeschouwers naar de thuiswedstrijden aan de Schaapsdijk. In het seizoen 1924/1925 kwam daar geweldig de klad in – er kwam nauwelijks nog iemand meer kijken en – dat deprimeerde de spelers. Wat er speelde, werd niet bekend (Constantia ging in 1927 op in een fusie). Eind 1924 waren er al geruchten dat sommige spelers overwogen om naar een andere club over te stappen, en dat gebeurde aan het einde van het seizoen ook. Manus en een medespeler gingen met ingang van het seizoen 1925/1926 in het neutrale KNVB-verband voetballen, bij VVV. Best een stap in die tijd.

In het geval van Manus kan bij zijn beslissing meegespeeld hebben dat zijn tijdelijke werkgever een zeer toegewijd VVV-lid was. Directeur Theo Buskes van de enveloppenfabriek Enfa had zelf in het eerste gespeeld en was voorzitter (later erevoorzitter). Hij had er veel voor over om VVV te verlossen uit het langdurig verblijf in de 2e klasse B.

VVV-voorzitter Theo Buskes.

Manus de Lauwere zou bij VVV op de posities rechtshalf, rechtsbinnen en rechtsbuiten spelen. Hij was in het seizoen 1925/1926 niet meteen een basisspeler in het VVV-elftal dat net kampioen was geworden (maar helaas weer niet promoveerde). Maar hij greep zijn kans op 13 december 1925, toen hij tijdens VVV-LONGA (6-0) al na een (1) minuut mocht invallen. Hij begon met twee keer de LONGA-doelman met bal en al over de lijn te drukken (1-0, 2-0). Dat seizoen en de volgende vier seizoenen speelde hij op regelmatige basis in het eerste van VVV. Manus beschikte over een uitstekend schot, kon goed koppen en nam ook strafschoppen. Mede door zijn inzet pikte hij zo de nodige doelpunten mee. Met VVV beleefde hij uitstekende seizoenen, waarin de club steevast bovenin meedraaide.

Het eerste van VVV bij de viering van het 25-jarig jubileum van VVV. Tweede van links Manus de Lauwere? 

VVV 1 bij het afscheid van J. Tilmans in 1928. Vierde van links?

Voor de competities speelde VVV telkens 18 wedstrijden, maar daarnaast waren er beker- en andere wedstrijden. In de zomer van 1929 speelde VVV bijvoorbeeld in een grenscompetitie, met Tegelen, Spielverein Kaldenkirchen ’07 en Sportclub Lobberich ’02, waarin het er overigens soms stevig aan toeging. In de Nieuwe Venlosche Courant werden de namen van de doelpuntenmakers niet altijd vermeld, maar Manus de Lauwere scoorde in al die wedstrijden minstens 26 doelpunten: 

Een tussenstand in de grenscompetitie (uit de Sportkroniek van 19 september 1929).

Vermeldenswaard is de wedstrijd waarin Manus en een andere speler vanwege de intense hitte bevangen en vervangen werden (bekerwedstrijd De Valk-VVV 2-2, op 28 september 1926) en de wedstrijd waarin hij doelpuntte door een afgeslagen bal van flinke afstand over de uitgelopen keeper heen te schieten (competitiewedstrijd VVV-HEC-Waalwijk 8-1, op 15 december 1929). 

Het eerste van VVV in 1929. Zonder Manus de Lauwere?

Het seizoen 1929/1930 was het productiefste maar tevens laatste seizoen van Manus voor VVV 1. Hij scoorde toen elf goals, waarmee zijn totale doelpuntenproductie voor VVV op 26 goals kwam.

 


Medio december 1930 verdween hij definitief uit de selectie, en daarna kwam hij niet meer voor in de krantenverslagen. Hij bleef wel VVV’er. In juni 1931 verving hij de roemruchte Jos Delsing als secretaris van VVV. Lang duurde dat echter niet, want na zijn huwelijk in 1932 verhuisde hij naar Belfeld en werd hij vervangen als secretaris.

 Aankondiging van de beslissingswedstrijd Bleyerheide-BVV op het neutrale terrein van De Kraal. Kaarten konden aangevraagd worden bij VVV-secretaris De Lauwere (www.delpher.nl, Nieuwe Venlosche Courant van 31 maart 1932).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleek Armand (Manus) de Lauwere uit het goede hout gesneden. Onvermijdelijk raakte hij betrokken bij illegaal werk, in de vorm van hulp aan krijgsgevangenen die ontsnapt waren uit Duitse kampen. Na verraad werd hij gearresteerd, veroordeeld en geïnterneerd in een concentratiekamp. 

Armand (Amandus) de Lauwere in gevangenschap.

Op 2 maart 1945, een dag na de bevrijding van Venlo stierf Armand, bijna 39 jaar oud, ver van huis, in het verdoemde Buchenwald. Hij liet zijn echtgenote en vier jonge kinderen achter. In het jubileumboek van 1953 herdacht VVV hem en de andere oorlogsslachtoffers.

Historicus Jan Brauer schreef een artikel over Armands tragische gang en er zal begin maart 2026 voor diens voormalige woonadres Julianastraat 10 in Belfeld een struikelsteen worden gelegd. Bij de legging zal ook een afvaardiging van VVV aanwezig zijn.

Reageren? Stuur Gerrit van der Vorst een emali; gp.vandervorst@xs4all.nl.

Van nul tot nu van woensdag 11 februari 2026 - Jocus was niet altijd klaarwakker

- door Albert Lamberts - 

Er was eens… Zo beginnen vaak sprookjes: er was eens.

Er was eens een tijd, dat het Venloos Vastelaovesgezelschap Jocus vast in slaap was, zoals Doornroosje. Nog maar kort daarvoor, in 1842, was Jocus tot leven gewekt door een aantal welgestelde inwoners van Venlo, die enkele dagen in het jaar de echte wereld wilden doen vergeten.

Tijdens die dagen met onder andere een feestelijke optocht, waarin de mensen muziek maakten, dansten en sprongen, moesten de zorgen aan de kant. Het ging allemaal goed; de mensen waren vrolijk, blij en enthousiast, maar helaas, het sprookje hield niet lang stand. Al in 1845 moest Jocus het laten afweten. De hofhouding bleek te duur: gepaste kleding en mutsen kostten (te) veel geld en minder contributie-inkomsten zorgden voor financiële problemen. Daarnaast waren de Jocus-dignitarissen het vaker niet eens met mekaar. Een stilte daalde neer over Jocus.

Liefst 31 jaar was het wachten op de prins, die Jocus wakker zou kussen. In al die jaren bleven ook de vierders binnen, dat wil zeggen in de vele etablissementen. Zalen als Sjaekske, de Poort van Cleve en Suisse aan de Vleeschstraat, Offergelt en Van der Valk aan de Bolwaterstraat, Pius aan de Maaskade, Flora in de Parkstraat, enzovoorts. Daar vloeiden bier en wijn, daar werd gezongen en gedanst. De legendarische Sjang Cornet schreef ruim honderd jaar later een prachtig verslag van de festiviteiten, die buiten het slapende Jocushof om plaatsvonden. Het hof sliep, geen prins, maar wel feest.

 

Toën Schrijnen (helemaal rechts) als prins en Vors Joeccius leider van de Jocushofhouding. (Foto: archief Jocus)

Waar bleef de prins? Hij diende zich aan in meervoud. Nazaten van het eerste hofpersoneel en enkele dappere medestanders kusten Jocus wakker. Ruim dertig jaar functioneerde het Jocushof weer. Feest alom. Een prachtige optocht door de stad, mede dankzij een bijdrage van de gemeente, maar wederom sloeg de slaap toe.

In 1908, na een grootse viering van het 5x11 jarig jubileum, dook Jocus weer onder de wol, voor maar liefst 28 jaar in diepe slaap. De vierders lieten zich ook nu niet tegenhouden. Zoals al eeuwen het geval was geweest werd het feest aan de vooravond van de christelijke vasten uitbundig gevierd, nu dus zonder Jocus. Maar gelukkig kroop het Jocusbloed waar het niet gaan kon, of juist wel, want de haan meldde zich, kraaide een aantal malen en wel zo luid, dat het Jocushof opnieuw ontwaakte. Een echte prins had zich aangediend: prins Toën I (Zumdick). Een jaar later, in 1937, wederom een Toën als prins: Toën II (Schrijnen). En deze Toën werd de nieuwe grootmeester, die de scepter ging zwaaien aan het Jocushof. Bekwaam gaf hij maar liefst twintig jaar leiding aan de Jocushofhouding, die het weliswaar in de oorlogsjaren zeer moeilijk had, maar die wakker bleef, klaarwakker zelfs. Hij droeg in 1958 zijn functie als grootmeester, in vastelaoveskringen bekend onder de titel Vorst Joeccius, over aan Sef Hendrikx.

Nog een dipje van 1940 tot en met 1946 wegens de oorlog en een hazenslaapje in 1953, wegens de vreselijke watersnood in zuidwest Nederland.

En nu? Jocus leeft nog lang en gelukkig.

Reageren? Stuur Albert Lamberts een email: albertlamberts@home.nl

dinsdag 10 februari 2026

Van nul tot nu van woensdag 28 januari 2026 - ‘Zelfs de Jocusse konden zwemmen’

- door Albert Lamberts -

Zoals verleden week geschreven: meneer Alloe (naam nog steeds onbekend) deed aan het einde van zijn ingezonden artikel in Vastelaovend-Blaedje in 1934 een dringende oproep aan de vestelaovesvierders om toch vooral heej te blieve en joeks te make. Met dat heej bedoelde de geachte inzender – of was het de redacteur zelf, zijn naam is ook onbekend - het centrum, de binnenstad van Venlo. Overigens was, aldus een mededeling op de voorkant van het blaadje, het redactie-adres in ’t tramkeetje ponniewaeg (huidige Deken van Oppensingel).

De schrijver motiveerde zijn oproep om toch vooral in de binnenstad vastealovend te vieren: In Venlo in ’t stedje van plezeer, dao is met zon daag noch genoch te doon. As alle minse die met die daag boete de stad gaon en dao eur cente gaon opmake ens beej os bleeve in de stad en ze leete dan heej zich ens oet, en ginge heej ens joeks make, ik gluif waal det ze zich net zoë good amuseerde…

De auteur wees in zijn artikel ook op het gemis aan maskers, die op straat verboden waren. Dat zou de vastelaovesvreugde afbreuk doen, hoewel wej kunne oos toch waal amuseere ouk zonder maske as ge maar weit wao ge môt zien.

Zelfs in een liedje, Ode aan de Vastealovend 1934 (Wies: Die van de K.R.O.-Boys) werd in het refrein duidelijk gesteld; Wej make zonder maske ouk plezeer.

Daar is allemaal, afgezien van een abominabele spelling in het Venloos, geen woord Spaans bij. Die oproep van ruim negentig jaar geleden, om vastelaovend in de binnenstad te vieren, echoot de laatste jaren in Venlose stadskernen als Blerick en Tegelen, waar men zich inspant om de carnavalsvierders op eigen bodem vertier te bieden.

We hoeven er niet omheen te draaien: ook de horeca zou natuurlijk graag de carnavalisten in eigen lokalen zien. Daar is ook absoluut niets mis mee.

Dat was in 1934 niet anders. In voornoemd Vastelaovend-Blaedje staan enkele advertenties, zoals van Stakenborg, Café Spoorzicht, aan de Kaldenkerkerweg, van Hotel Suisse aan de Vleeschstraat (lang de residentie van Jocus), van Hotel-Café-Restaurant Prins Hendrik aan de Geldersepoort en van het in 1972 door brand getroffen Café-Restaurant-Hotel National (Keulsepoort) die inspeelden op vastelaovend. Bals, muziek, kortom gezelligheid. Later vond het Boerebroelofsbal op vastelaovesdinsdaag plaats in de (in 1985 gesloopte) Berlage-schepping het Concertgebouw De Prins van Oranje aan de Kaldenkerkerweg. Ook W. Cantelberg-Nijssen adverteerde. Aanbevelend Electrische Rund-, Kalfs- en Varkensslagerij met een eigen vriesinrichting…

 


De advertentie van het Sportfondsenbad: zelfs de Jocusse waren er klant (Voorpagina Venloos Leedjes Bukske 1937)

Juist in die jaren (in 1935) was het Sportfondsenbad aan de Walstraat in Venlo in gebruik genomen. De bouw ervan was bij menigeen in negatieve en positieve zin over de tong gegaan en dat kwam ook met vastelaovend tot uiting. Hoe dan ook, het bad ging open. Twee jaar later gaf Jocus een Venloos Leedjes Bukske uit. Wat prijkte pontificaal op de omslag? Juist, een grote advertentie van het Sportfondsenbad.

Carnaval podium voor commerciële boodschap; dat zou nooit meer veranderen. 

Van nul tot nu van woensdag 21 januari 2026 - 1934: liever geen maskers dragen

 - door Albert Lamberts -

Nog pas juist de kerstboom en andere kerstprullaria opgeruimd of vastelaovend dient zich aan.

Prinsen, adjudanten, boerenparen en andere carnavals-hoogwaardigheidsbekleders worden weer en masse voorgesteld aan het grote publiek. Ook jeugdprinsen en –prinsessen (!) evenals jeugdboerenparen komen feestelijk al zwaaiend en hossend uit allerlei ‘tijdelijke onderkomens’.

Vastelaovend duurt vandaag de dag wat langer dan pakweg honderd jaar geleden.

 Naast de enkele Jocusevenementen was er toen, in het eerste kwart van de vorige eeuw, sprake van slechts enkele vastelaovestreffens. Na de oorlog waren er in aanloop naar de drie dagen diverse bals, zoals het verpleegstersbal, en er was natuurlijk de Leedjesaovend. En nog vroeger, veel vroeger? Zover bekend, vooral vieringen in de vele horecagelegenheden. Het was allemaal wat anders dan nu. Daar kwam nog bij, dat de Rooms Katholieke Kerk het carnavalsfeest aan de vooravond van de vasten bepaald niet gepast vond: drank, zedelijk verval en dat soort zaken, zoals ook toneel destijds bij de clerus uit den boze was.

Maskers waren vroeger met carnaval algemeen (Foto uit Gedenkboek Jocus elf maal elf, 1963)  

Maskers met vastelaovend, de normaalste zaak. Zou je denken. De echte wereld moest immers wijken voor een schijnwereld, maar de vastelaovesviering kwam vanaf 1934 toch in iets ander vaarwater.

In 1931 was in Nederland de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) opgericht en drie jaar later had bij de oosterburen Adolf Hitler zich de macht toegeëigend. Ergo: niet alles was nog zonder risico… Liever geen maskers, van waarachter men iemand anoniem kon toespreken, letterlijk ongezien zijn mening kon ventileren. Je kon immers niet weten.

Van ene Alloe (echte naam mij onbekend) was in een Vastelaovend-Blaedje in 1934 een artikel opgenomen onder de titel Van vruuger en now. Uiteraard in het Venloos geschreven, maar zonder de corrigerende pen van Veldeke. De inhoud echter is volkomen duidelijk. De inzender vond dat in vroegere jaren – dus ver voor 1934 – de mensen meer lol hadden: Waat hadde wej vruuger toch ein joeks; wej hele duk genoch den boek vas van ut lache. En verder in het artikel: Jao, jao, dae gooie alden tied, toen waas d’r nog joeks te make. En now?

Meneer Alloe (mevrouw lijkt mij onwaarschijnlijk) legt verder uit waarom hij het allemaal minder vond. Vooral het feit, dat maskers waren verboden deed volgens hem afbreuk aan het feest:

Now meuge wej gen maske mier veur höbbe op straot. Van eine kant maar good ouk, want as det now nog net zoë waas wie vruuger, waat zoel d’r dan geknok waere, dan makde ze dich veur van alles oet, gluif maar det dan de politiek op de veurgrond kwaam, ze makde dich oet veur enne roeie al waas te dan werkelek wit. Daoveur is ut ouk good det ze gen maskes miër meuge drage. Wej kinne oos toch waal amusere ouk zonder maske as ge maar wet wao ge zien mot. In Venlo in ’t stedje van plezeer, dao is met zon daag noch genoch te doon.

De schrijver besloot zijn inzending met een klip en klare oproep om vastelaovend niet buiten, maar in de stad te vieren.

Daarover volgende keer meer.

Reageren? Stuur Albert Lamberts een email: albertlamberts@home.nl.