woensdag 4 maart 2026

Reinier Weber, lid van de Waffen-SS

 - door Jos Wolbertus - 

Tijdens onze zoektocht naar verhalen over de arbeidsinzet in de Tweede Wereldoorlog komen ook andere verhalen bovendrijven. Verhalen die ook kunnen/mogen/moeten worden vastgelegd. Hoe verschrikkelijk soms ook. Een van die verhalen leest u hieronder.

In een interview met De Limburger verwoordt historicus Kees Ribbens, verbonden aan het NIOD, het duidelijk:
“Er zijn nu eenmaal minder fraaie bladzijden in de geschiedenis. En ook die moet je vertellen.”

Zijn voormalige collega bij het NIOD, Hans de Vries, schreef er zelfs een boek over met de titel ‘Helaas heb ik in Auschwitz pech. Nederlands personeel in de nazikampen’.

Ook in Tegelen zijn minder fraaie bladzijden geschreven, soms zelfs zwarte. Al vaker wordt in diverse publicaties gewag gemaakt van NSB’ers in Tegelen. Reeds in april 1935 organiseert de NSB een bijeenkomst in Tegelen. Waar De Nieuwe Venlose Courant schrijft dat er in katholiek Limburg geen plek is voor de NSB, melden zich in Tegelen veertig mensen voor deze bijeenkomst.[1]


 1935, Delpher

Tegelen kende niet alleen NSB’ers, maar ook inwoners die daadwerkelijk dienst namen in het Duitse leger. Via aanmelding bij de Waffen-SS werden zij ingezet om te vechten aan het oostfront. Niet iedereen overleefde dit.

Dit verhaal is samengesteld op basis van uitvoerig onderzoek en interviews die Reinier Weber na zijn arrestatie heeft gegeven.

Een van deze mannen is Reinier Johan Weber, geboren op 24 oktober 1914 in Blerick, toen nog behorend tot de gemeente Maasbree. Zijn ouders zijn Johannes Weber en Maria Krouwel. Het gezin gaat wonen aan de Spoorstraat 26 in Tegelen.

Trouwakte Weber – Leven. Hieruit blijkt dat hij destijds in Hūls[1] woonde. Bron: Archief Krefeld

Op 25 april 1939 trouwt hij met de uit Krefeld afkomstige Maria Leven. Het echtpaar gaat aanvankelijk wonen in het Rode Dorp, aan de Willemstraat 7. Reinier werkt als monteur bij een ijzergieterij. In juli 1940 gaat hij vrijwillig werken op het vliegveld in Venlo, ingedeeld bij de afdeling belast met de beplanting.

Ook werkt hij bij de Bonghsche Mahlwerke in Sūchteln. De Bongsche Mahlwerke zijn uitgebreide groeves voor de winning van zand, klei en grind. Ook zijn vader, Johan Weber werkt in dezelfde groeves.

In 1941 verhuist het gezin naar de Emmastraat 10.

Het huwelijk is geen gelukkig samenzijn. Maria heeft regelmatig omgang met Duitse soldaten en gaat vaak met hen uit. Volgens de verklaring van Reinier Weber komt hij er pas na zijn huwelijk achter dat zijn vrouw al twee dochters heeft. In april 1941 loopt de situatie uit de hand en Reinier wijst zijn vrouw de deur. Hij plaatst een advertentie in de krant waarin hij afstand neemt van alle handelingen van zijn vrouw en verklaart niet langer verantwoordelijk voor haar te zijn. 


April 1941, Delpher

Maria Weber-Leven dreigt Reinier met allerlei acties. Om hieraan te ontkomen, en omdat hij niet langer voor haar wil zorgen, meldt hij zich op 11 juli 1941 aan bij de Waffen-SS.

Collectie NIOD

Reinier wordt ingedeeld bij SS-Regiment Westland, dat later wordt samengevoegd met de Panzergrenadierdivisie Wiking. Hij volgt een opleiding in Sennheim en later in Klagenfurt. In november 1941 weigert hij de eed op de Fūhrer af te leggen. Van daaruit wordt hij naar het oostfront gestuurd. Hier maakt Reinier zich schuldig aan diefstal, hij steelt ondergoed en kostbaarheden van zijn Waffen SS kameraden. De spullen ruilt het met de Russen tegen eten. Hij wordt gearresteerd, krijgt gevangenisstraf en moet de Waffen SS verlaten.. Hij ontloopt de doodstraf en wordt naar  Dachau overgeplaatst. Wederom weigert hij de eed af te leggen.  In januari 1942 wordt hij naar het straflager Danzig-Matzkau gebracht. 

SS-divisie Wiking, Nederlandse vrijwilligers in Sennheim. Bron: Cenray 40-45

Op 21 december 1940 werden bij een historisch bevel van de Führer de standaarden Nordland en Westland, samen met de SS-standaard Germania, samengevoegd tot de divisie Wiking. In tegenstelling tot het Vrijwilligerslegioen Nederland, dat uitsluitend uit Nederlanders bestond, was de divisie Wiking samengesteld uit vrijwilligers uit heel Europa. 

Inschrijfkaart Reinier Weber Bundesarchiv, Berlijn.

Namenlijsten uit Sennheim met de vermelding van de naam Weber. Bron: Cenray 40-45

In mei 1942 wordt hij opgenomen in een lazaret wegens een blessure aan het scheenbeen.

Uiteindelijk belandt hij in maart 1942 in concentratiekamp Mauthausen, waar hij werkzaamheden verricht in de wasserij en bij de brandweer. “Geen keuze van mij”, verklaart Weber later.

Volgens een krantenartikel in Het Vrije Volk van november 1948 bevonden Weber en zijn metgezellen Machielsen en Lindenboom, die elkaar kenden van de opleiding in Sennheim, zich al 1943 in Mauthausen.



19 maart 1943 wordt Weber ingeschreven in Mauthausen. Bron: Bundesarchiv Berlin

En daar, in Mauthausen, het kamp welk onder leiding staat van Franz Ziereis,  gaat het verschrikkelijk mis. Nederlandse kranten staan na de oorlog vol met verhalen over wat zich in concentratiekamp Mauthausen heeft afgespeeld, naar aanleiding van de rechtszaak tegen de drie mannen.

“Sadisme van Hollanders in de hel van Mauthausen” luidt een van de koppen in diverse krantenartikelen. Als voorbeeld wordt genoemd dat gevangenen, natgespoten met brandslangen, buiten moesten blijven staan bij temperaturen van vijftien tot twintig graden onder nul. Velen vonden door bevriezing de dood. Het treiteren en martelen ging zo ver dat zelfs Duitse bewakers het afkeurden, aldus de kranten.

Franz Ziereis, commandant van kamp Mauthausen

In Mauthausen zijn gedurende de oorlog 197.464 gevangenen gedetineerd geweest vanwege hun politieke of religieuze opvattingen, hun seksuele geaardheid, hun criminele verleden of als krijgsgevangene. Meer dan 95.000 mensen werden in Mauthausen vermoord. Het kamp werd op 5 mei 1945 door de Amerikanen bevrijd.


Na de bevrijding van het kamp in juli 1944 worden de drie mannen gearresteerd. Hij wordt overgebracht naar Dachau en op 30 juli 1947 naar Nederland gebracht waar hij in Vught wordt ingesloten.

Het duurt tot november 1948 voordat de rechtszaak tegen de oud-SS’ers begint. Zij bekennen gevangenen te hebben geslagen, maar ontkennen verdere betrokkenheid. Tegen alle drie wordt de doodstraf geëist. Na onderzoek naar hun psychische gesteldheid worden zij echter ontoerekeningsvatbaar verklaard en wordt de doodstraf door de rechter omgezet in levenslange gevangenisstraf.

Inmiddels heeft Maria Leven, die Tegelen al in 1942 had verlaten, de scheiding aangevraagd. Deze zou op 4 maart 1945 zijn uitgesproken, maar in de archieven van Krefeld is geen scheidingsakte aangetroffen.[2]

Weber wordt opgesloten in de gevangenis van Scheveningen, in de oorlog bekend als het Oranjehotel. In december 1949 gaan de drie gevangenen in hoger beroep, maar de oorspronkelijke straffen blijven gehandhaafd.

 december 1949, Trouw

In maart 1950 wordt Reinier Weber overgeplaatst naar de gevangenis Blokhuispoort in Leeuwarden, waar hij tot april 1951 verblijft. Op 26 april 1951 volgt overplaatsing naar de koepelgevangenis in Breda. Op 4 maart 1960 wordt hij voor de laatste keer overgeplaatst, ditmaal naar Hoorn.

 De woning aan de Baliëndijk

Op 13 mei 1961 wordt hij in Breda ingeschreven aan de Baliëndijk, waar hij een eenvoudige woning krijgt toegewezen.

Op 30 september 1970 krijgt Reinier Weber zijn Nederlanderschap weer terug. Vanwege in dienst nemen bij een buitenlandse krijgsmacht was deze hem afgenomen.

Negentien jaar later, op 8 december 1980, trouwt hij voor de tweede keer, nu met de Bredase Geertruida de Wit.

Op 15 november 1991 overlijdt Reinier Weber.

Met heel dank aan Stijn Reurs, onderzoeksjournalist voor het ter beschikking stellen van zijn aantekeningen.

Franciscus Hubertus Weber ( 06.08.1918 – 1944)

Ook de broer van Reinier Weber zet zich in in het Duitse leger.  Echter voor hem met een noodlottig gevolg. Franz is, net als zijn broer Reinier, lid geworden van de NSB. Ook hij meldt zich aan bij de Westland compagnie en wordt naar Oekraïne gezonden om daar te vechten. Al in 1941 is hij betrokken bij gevechten in het oosten en krijgt hiervoor de medaille Winterslacht im Osten 1941/1942. Ook krijgt hij onder andere het “verwundetenabzeichen” uitgereikt. 


Echter, in augustus 1944 plaatst de familie uit Tegelen een advertentie met daarin de vermelding dat Franz aan het oostfront is gesneuveld en ook daar is begraven. 

Bron Delpher


[1] Hūls was tot 1975 een zelfstandige gemeente enkele kilometers boven Krefeld gelegen.  Op de bijlage van de trouwakte wordt vermeld dat beiden Deutschblūtig zijn, een term uit de Blut- und Bodentherorie van het Nationaalsocialisme.

[2] Niet verwonderlijk als men weet dat Krefeld een dag eerder, op 3 maart 1945, door de Amerikanen is bevrijd. 

3] Tijdens deze bijeenkomst demonstreren honderden Tegelenaren tegen deze vergadering.

woensdag 18 februari 2026

VVV’er Manus de Lauwere

- door Gerrit van der Vorst-

Uit de Nieuwe Venlosche Courant in de jaren 1920-1930 wordt duidelijk dat Amandus Marie Joseph Alphons de Lauwere een goede voetballer was. De op 17 april 1906 in Venlo geboren Amandus stond namelijk in oktober 1923 – 17 jaar oud – al midvoor in het rooms-katholieke Noord-Limburgs elftal.

Zijn roepnaam was wel een ‘dingetje’. Niemand noemde hem Amandus. In het dagelijks leven werd hij een enkele keer Arnold, ook wel André en vooral Armand genoemd, maar op het voetbalveld was ‘Manus’ kennelijk een gemakkelijke roepnaam.

 

Amandus de Lauwere op latere leeftijd.

Manus de Lauwere begon met voetballen in de rooms-katholieke competitie, bij de Venlose club Constantia die in wit-zwart tenue speelde. In haar hoogtijdagen trok Constantia honderden toeschouwers naar de thuiswedstrijden aan de Schaapsdijk. In het seizoen 1924/1925 kwam daar geweldig de klad in – er kwam nauwelijks nog iemand meer kijken en – dat deprimeerde de spelers. Wat er speelde, werd niet bekend (Constantia ging in 1927 op in een fusie). Eind 1924 waren er al geruchten dat sommige spelers overwogen om naar een andere club over te stappen, en dat gebeurde aan het einde van het seizoen ook. Manus en een medespeler gingen met ingang van het seizoen 1925/1926 in het neutrale KNVB-verband voetballen, bij VVV. Best een stap in die tijd.

In het geval van Manus kan bij zijn beslissing meegespeeld hebben dat zijn tijdelijke werkgever een zeer toegewijd VVV-lid was. Directeur Theo Buskes van de enveloppenfabriek Enfa had zelf in het eerste gespeeld en was voorzitter (later erevoorzitter). Hij had er veel voor over om VVV te verlossen uit het langdurig verblijf in de 2e klasse B.

VVV-voorzitter Theo Buskes.

Manus de Lauwere zou bij VVV op de posities rechtshalf, rechtsbinnen en rechtsbuiten spelen. Hij was in het seizoen 1925/1926 niet meteen een basisspeler in het VVV-elftal dat net kampioen was geworden (maar helaas weer niet promoveerde). Maar hij greep zijn kans op 13 december 1925, toen hij tijdens VVV-LONGA (6-0) al na een (1) minuut mocht invallen. Hij begon met twee keer de LONGA-doelman met bal en al over de lijn te drukken (1-0, 2-0). Dat seizoen en de volgende vier seizoenen speelde hij op regelmatige basis in het eerste van VVV. Manus beschikte over een uitstekend schot, kon goed koppen en nam ook strafschoppen. Mede door zijn inzet pikte hij zo de nodige doelpunten mee. Met VVV beleefde hij uitstekende seizoenen, waarin de club steevast bovenin meedraaide.

Het eerste van VVV bij de viering van het 25-jarig jubileum van VVV. Tweede van links Manus de Lauwere? 

VVV 1 bij het afscheid van J. Tilmans in 1928. Vierde van links?

Voor de competities speelde VVV telkens 18 wedstrijden, maar daarnaast waren er beker- en andere wedstrijden. In de zomer van 1929 speelde VVV bijvoorbeeld in een grenscompetitie, met Tegelen, Spielverein Kaldenkirchen ’07 en Sportclub Lobberich ’02, waarin het er overigens soms stevig aan toeging. In de Nieuwe Venlosche Courant werden de namen van de doelpuntenmakers niet altijd vermeld, maar Manus de Lauwere scoorde in al die wedstrijden minstens 26 doelpunten: 

Een tussenstand in de grenscompetitie (uit de Sportkroniek van 19 september 1929).

Vermeldenswaard is de wedstrijd waarin Manus en een andere speler vanwege de intense hitte bevangen en vervangen werden (bekerwedstrijd De Valk-VVV 2-2, op 28 september 1926) en de wedstrijd waarin hij doelpuntte door een afgeslagen bal van flinke afstand over de uitgelopen keeper heen te schieten (competitiewedstrijd VVV-HEC-Waalwijk 8-1, op 15 december 1929). 

Het eerste van VVV in 1929. Zonder Manus de Lauwere?

Het seizoen 1929/1930 was het productiefste maar tevens laatste seizoen van Manus voor VVV 1. Hij scoorde toen elf goals, waarmee zijn totale doelpuntenproductie voor VVV op 26 goals kwam.

 


Medio december 1930 verdween hij definitief uit de selectie, en daarna kwam hij niet meer voor in de krantenverslagen. Hij bleef wel VVV’er. In juni 1931 verving hij de roemruchte Jos Delsing als secretaris van VVV. Lang duurde dat echter niet, want na zijn huwelijk in 1932 verhuisde hij naar Belfeld en werd hij vervangen als secretaris.

 Aankondiging van de beslissingswedstrijd Bleyerheide-BVV op het neutrale terrein van De Kraal. Kaarten konden aangevraagd worden bij VVV-secretaris De Lauwere (www.delpher.nl, Nieuwe Venlosche Courant van 31 maart 1932).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleek Armand (Manus) de Lauwere uit het goede hout gesneden. Onvermijdelijk raakte hij betrokken bij illegaal werk, in de vorm van hulp aan krijgsgevangenen die ontsnapt waren uit Duitse kampen. Na verraad werd hij gearresteerd, veroordeeld en geïnterneerd in een concentratiekamp. 

Armand (Amandus) de Lauwere in gevangenschap.

Op 2 maart 1945, een dag na de bevrijding van Venlo stierf Armand, bijna 39 jaar oud, ver van huis, in het verdoemde Buchenwald. Hij liet zijn echtgenote en vier jonge kinderen achter. In het jubileumboek van 1953 herdacht VVV hem en de andere oorlogsslachtoffers.

Historicus Jan Brauer schreef een artikel over Armands tragische gang en er zal begin maart 2026 voor diens voormalige woonadres Julianastraat 10 in Belfeld een struikelsteen worden gelegd. Bij de legging zal ook een afvaardiging van VVV aanwezig zijn.

Reageren? Stuur Gerrit van der Vorst een emali; gp.vandervorst@xs4all.nl.

Van nul tot nu van woensdag 11 februari 2026 - Jocus was niet altijd klaarwakker

- door Albert Lamberts - 

Er was eens… Zo beginnen vaak sprookjes: er was eens.

Er was eens een tijd, dat het Venloos Vastelaovesgezelschap Jocus vast in slaap was, zoals Doornroosje. Nog maar kort daarvoor, in 1842, was Jocus tot leven gewekt door een aantal welgestelde inwoners van Venlo, die enkele dagen in het jaar de echte wereld wilden doen vergeten.

Tijdens die dagen met onder andere een feestelijke optocht, waarin de mensen muziek maakten, dansten en sprongen, moesten de zorgen aan de kant. Het ging allemaal goed; de mensen waren vrolijk, blij en enthousiast, maar helaas, het sprookje hield niet lang stand. Al in 1845 moest Jocus het laten afweten. De hofhouding bleek te duur: gepaste kleding en mutsen kostten (te) veel geld en minder contributie-inkomsten zorgden voor financiële problemen. Daarnaast waren de Jocus-dignitarissen het vaker niet eens met mekaar. Een stilte daalde neer over Jocus.

Liefst 31 jaar was het wachten op de prins, die Jocus wakker zou kussen. In al die jaren bleven ook de vierders binnen, dat wil zeggen in de vele etablissementen. Zalen als Sjaekske, de Poort van Cleve en Suisse aan de Vleeschstraat, Offergelt en Van der Valk aan de Bolwaterstraat, Pius aan de Maaskade, Flora in de Parkstraat, enzovoorts. Daar vloeiden bier en wijn, daar werd gezongen en gedanst. De legendarische Sjang Cornet schreef ruim honderd jaar later een prachtig verslag van de festiviteiten, die buiten het slapende Jocushof om plaatsvonden. Het hof sliep, geen prins, maar wel feest.

 

Toën Schrijnen (helemaal rechts) als prins en Vors Joeccius leider van de Jocushofhouding. (Foto: archief Jocus)

Waar bleef de prins? Hij diende zich aan in meervoud. Nazaten van het eerste hofpersoneel en enkele dappere medestanders kusten Jocus wakker. Ruim dertig jaar functioneerde het Jocushof weer. Feest alom. Een prachtige optocht door de stad, mede dankzij een bijdrage van de gemeente, maar wederom sloeg de slaap toe.

In 1908, na een grootse viering van het 5x11 jarig jubileum, dook Jocus weer onder de wol, voor maar liefst 28 jaar in diepe slaap. De vierders lieten zich ook nu niet tegenhouden. Zoals al eeuwen het geval was geweest werd het feest aan de vooravond van de christelijke vasten uitbundig gevierd, nu dus zonder Jocus. Maar gelukkig kroop het Jocusbloed waar het niet gaan kon, of juist wel, want de haan meldde zich, kraaide een aantal malen en wel zo luid, dat het Jocushof opnieuw ontwaakte. Een echte prins had zich aangediend: prins Toën I (Zumdick). Een jaar later, in 1937, wederom een Toën als prins: Toën II (Schrijnen). En deze Toën werd de nieuwe grootmeester, die de scepter ging zwaaien aan het Jocushof. Bekwaam gaf hij maar liefst twintig jaar leiding aan de Jocushofhouding, die het weliswaar in de oorlogsjaren zeer moeilijk had, maar die wakker bleef, klaarwakker zelfs. Hij droeg in 1958 zijn functie als grootmeester, in vastelaoveskringen bekend onder de titel Vorst Joeccius, over aan Sef Hendrikx.

Nog een dipje van 1940 tot en met 1946 wegens de oorlog en een hazenslaapje in 1953, wegens de vreselijke watersnood in zuidwest Nederland.

En nu? Jocus leeft nog lang en gelukkig.

Reageren? Stuur Albert Lamberts een email: albertlamberts@home.nl

dinsdag 10 februari 2026

Van nul tot nu van woensdag 28 januari 2026 - ‘Zelfs de Jocusse konden zwemmen’

- door Albert Lamberts -

Zoals verleden week geschreven: meneer Alloe (naam nog steeds onbekend) deed aan het einde van zijn ingezonden artikel in Vastelaovend-Blaedje in 1934 een dringende oproep aan de vestelaovesvierders om toch vooral heej te blieve en joeks te make. Met dat heej bedoelde de geachte inzender – of was het de redacteur zelf, zijn naam is ook onbekend - het centrum, de binnenstad van Venlo. Overigens was, aldus een mededeling op de voorkant van het blaadje, het redactie-adres in ’t tramkeetje ponniewaeg (huidige Deken van Oppensingel).

De schrijver motiveerde zijn oproep om toch vooral in de binnenstad vastealovend te vieren: In Venlo in ’t stedje van plezeer, dao is met zon daag noch genoch te doon. As alle minse die met die daag boete de stad gaon en dao eur cente gaon opmake ens beej os bleeve in de stad en ze leete dan heej zich ens oet, en ginge heej ens joeks make, ik gluif waal det ze zich net zoë good amuseerde…

De auteur wees in zijn artikel ook op het gemis aan maskers, die op straat verboden waren. Dat zou de vastelaovesvreugde afbreuk doen, hoewel wej kunne oos toch waal amuseere ouk zonder maske as ge maar weit wao ge môt zien.

Zelfs in een liedje, Ode aan de Vastealovend 1934 (Wies: Die van de K.R.O.-Boys) werd in het refrein duidelijk gesteld; Wej make zonder maske ouk plezeer.

Daar is allemaal, afgezien van een abominabele spelling in het Venloos, geen woord Spaans bij. Die oproep van ruim negentig jaar geleden, om vastelaovend in de binnenstad te vieren, echoot de laatste jaren in Venlose stadskernen als Blerick en Tegelen, waar men zich inspant om de carnavalsvierders op eigen bodem vertier te bieden.

We hoeven er niet omheen te draaien: ook de horeca zou natuurlijk graag de carnavalisten in eigen lokalen zien. Daar is ook absoluut niets mis mee.

Dat was in 1934 niet anders. In voornoemd Vastelaovend-Blaedje staan enkele advertenties, zoals van Stakenborg, Café Spoorzicht, aan de Kaldenkerkerweg, van Hotel Suisse aan de Vleeschstraat (lang de residentie van Jocus), van Hotel-Café-Restaurant Prins Hendrik aan de Geldersepoort en van het in 1972 door brand getroffen Café-Restaurant-Hotel National (Keulsepoort) die inspeelden op vastelaovend. Bals, muziek, kortom gezelligheid. Later vond het Boerebroelofsbal op vastelaovesdinsdaag plaats in de (in 1985 gesloopte) Berlage-schepping het Concertgebouw De Prins van Oranje aan de Kaldenkerkerweg. Ook W. Cantelberg-Nijssen adverteerde. Aanbevelend Electrische Rund-, Kalfs- en Varkensslagerij met een eigen vriesinrichting…

 


De advertentie van het Sportfondsenbad: zelfs de Jocusse waren er klant (Voorpagina Venloos Leedjes Bukske 1937)

Juist in die jaren (in 1935) was het Sportfondsenbad aan de Walstraat in Venlo in gebruik genomen. De bouw ervan was bij menigeen in negatieve en positieve zin over de tong gegaan en dat kwam ook met vastelaovend tot uiting. Hoe dan ook, het bad ging open. Twee jaar later gaf Jocus een Venloos Leedjes Bukske uit. Wat prijkte pontificaal op de omslag? Juist, een grote advertentie van het Sportfondsenbad.

Carnaval podium voor commerciële boodschap; dat zou nooit meer veranderen. 

Van nul tot nu van woensdag 21 januari 2026 - 1934: liever geen maskers dragen

 - door Albert Lamberts -

Nog pas juist de kerstboom en andere kerstprullaria opgeruimd of vastelaovend dient zich aan.

Prinsen, adjudanten, boerenparen en andere carnavals-hoogwaardigheidsbekleders worden weer en masse voorgesteld aan het grote publiek. Ook jeugdprinsen en –prinsessen (!) evenals jeugdboerenparen komen feestelijk al zwaaiend en hossend uit allerlei ‘tijdelijke onderkomens’.

Vastelaovend duurt vandaag de dag wat langer dan pakweg honderd jaar geleden.

 Naast de enkele Jocusevenementen was er toen, in het eerste kwart van de vorige eeuw, sprake van slechts enkele vastelaovestreffens. Na de oorlog waren er in aanloop naar de drie dagen diverse bals, zoals het verpleegstersbal, en er was natuurlijk de Leedjesaovend. En nog vroeger, veel vroeger? Zover bekend, vooral vieringen in de vele horecagelegenheden. Het was allemaal wat anders dan nu. Daar kwam nog bij, dat de Rooms Katholieke Kerk het carnavalsfeest aan de vooravond van de vasten bepaald niet gepast vond: drank, zedelijk verval en dat soort zaken, zoals ook toneel destijds bij de clerus uit den boze was.

Maskers waren vroeger met carnaval algemeen (Foto uit Gedenkboek Jocus elf maal elf, 1963)  

Maskers met vastelaovend, de normaalste zaak. Zou je denken. De echte wereld moest immers wijken voor een schijnwereld, maar de vastelaovesviering kwam vanaf 1934 toch in iets ander vaarwater.

In 1931 was in Nederland de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) opgericht en drie jaar later had bij de oosterburen Adolf Hitler zich de macht toegeëigend. Ergo: niet alles was nog zonder risico… Liever geen maskers, van waarachter men iemand anoniem kon toespreken, letterlijk ongezien zijn mening kon ventileren. Je kon immers niet weten.

Van ene Alloe (echte naam mij onbekend) was in een Vastelaovend-Blaedje in 1934 een artikel opgenomen onder de titel Van vruuger en now. Uiteraard in het Venloos geschreven, maar zonder de corrigerende pen van Veldeke. De inhoud echter is volkomen duidelijk. De inzender vond dat in vroegere jaren – dus ver voor 1934 – de mensen meer lol hadden: Waat hadde wej vruuger toch ein joeks; wej hele duk genoch den boek vas van ut lache. En verder in het artikel: Jao, jao, dae gooie alden tied, toen waas d’r nog joeks te make. En now?

Meneer Alloe (mevrouw lijkt mij onwaarschijnlijk) legt verder uit waarom hij het allemaal minder vond. Vooral het feit, dat maskers waren verboden deed volgens hem afbreuk aan het feest:

Now meuge wej gen maske mier veur höbbe op straot. Van eine kant maar good ouk, want as det now nog net zoë waas wie vruuger, waat zoel d’r dan geknok waere, dan makde ze dich veur van alles oet, gluif maar det dan de politiek op de veurgrond kwaam, ze makde dich oet veur enne roeie al waas te dan werkelek wit. Daoveur is ut ouk good det ze gen maskes miër meuge drage. Wej kinne oos toch waal amusere ouk zonder maske as ge maar wet wao ge zien mot. In Venlo in ’t stedje van plezeer, dao is met zon daag noch genoch te doon.

De schrijver besloot zijn inzending met een klip en klare oproep om vastelaovend niet buiten, maar in de stad te vieren.

Daarover volgende keer meer.

Reageren? Stuur Albert Lamberts een email: albertlamberts@home.nl.

vrijdag 2 januari 2026

Van nul tot nu van woensdag 31 december 2025 - Vereeniging Venlo’s Belang was nodig

 - door Albert Lamberts -

 We wensen ons vanavond of vannacht allemaal het beste voor 2026. Dat doen we in een land en stad, waar het – mogelijke tekortkomingen ten spijt – goed toeven is. Dat was een tijd zeker niet het geval en dan doel ik niet eens op de oorlog. De negentiende eeuw was voor Venlo niet de meest aangename tijd en de eerste helft van de twintigste eeuw veranderde daar niet zoveel aan. Er was veel schrijnende armoede. Enkele liefdadigheidsinstellingen probeerden de ergste noden te lenigen en sommige ondernemers sloegen de handen ineen om de droeve trend te doorbreken.

Tegenwoordig kent Venlo diverse belangenorganisaties als Venlo Partners, Toeristeninformatie en Venlostad.com. Allemaal beogen ze Venlo op te stuwen in de vaart der volkeren van divers pluimage.

Die belangenorganisaties zijn zeker geen nieuwe vindingen.

 

Gezicht op Venlo 15 september 1903. Volgens Craandijk (eind negentiende eeuw) een doodsche, sombere stad. (Foto: collectie Albert Lamberts)

Ruim 125 jaar geleden werd in Venlo opgericht de Vereeniging Venlo’s Belang. Goedgekeurd bij H.M. besluit van 22 November 1898, Stbl. No. 37. Deze vereniging timmerde aan de weg. Absoluut noodzakelijk, want Venlo had een behoorlijke achterstand in te halen na de Belgische bezetting (1830 -1839), die voor de stad bepaald niet gunstig had uitgepakt. Ook de opening van de Zuid-Willemsvaart en de toegestane vrije vaart op de Rijn hadden voor de voor de stad zo belangrijke Maashandel rampzalige gevolgen. Economisch was Venlo eigenlijk aan de grond geraakt en wel zodanig, dat gemeentesecretaris Keuller in 1843, bij de viering van Venlo 500 jaar stad in zijn boek Geschiedenis en Beschrijving van Venloo schreef over de kwijnende staat, waarin de stad verkeerde. Hare schoonste dagen zijn voorbij en hare toestand zal meer en meer verergeren, want in de toekomst zelve valt het moeijelik, enige verbetering te verbeiden.

En inderdaad, veertig jaar na Keullers klaagzang was er kennelijk toch nog niet zo gek veel verbeterd, want in zijn boek Wandelingen door Limburg schreef predikant Jacobus Craandijk over Venlo: een doodsche, sombere stad, waar niet veel is, dat aangenaam aandoet

 

Dus een Vereeniging Venlo’s Belang. In de statuten stond onder Algemeene bepalingen: Art. 1. De Vereeniging gevestigd te Venlo onder de benaming Venlo’s Belang heeft ten doel de verfraaiing der stad Venlo en hare omstreken en bevordering van het Vreemdelingenverkeer.  De vereniging wilde nieuwe wegen aanleggen, groenvoorzieningen realiseren, banken plaatsen, toeristen de nodige informatie verstrekken en in algemene zin het doen van voorstellen tot verfraaiing van stad en omstreken, ter plaatse waar zulks behoort.

In het negenkoppige bestuur namen enkele plaatselijke zwaargewichten plaats als Jos Steyns, Chrétien Berger, Henri Seelen en Jean Nolens (broer van).

Het is moeilijk in te schatten in hoeverre deze vereniging aan het uiteindelijke herstel van Venlo heeft bijgedragen. Duidelijk is wel, dat het de vereniging er alles aan was gelegen de stad meer leefbaar te maken en te promoten. Keullers pessimistische profetie is toch niet uitgekomen. De stad is de tegenslagen te boven gekomen.  

De Halte XXL van woensdag 31 december 2025 - Doodsangstgrot op Steyl

 - door Sef Derkx -

Waar in Venlo de meest bijzondere plekken zijn? In het ‘sjoenste plaetske’ natuurlijk, op Steyl dus. Wie er nog nooit is geweest, valt van de ene verbazing in de andere. Op deze grijze decemberdag is een prentbriefkaart uit vervlogen tijden de aanleiding om de bus naar het kloosterdorp te nemen. De foto is genomen in een van de religieuze grotten in de tuin tegenover het Missiehuis. We zien twee beelden: een knielende Christus die opkijkt naar een zegenende engel. Het onderschrift  luidt: ‘Gruss aus Steyl. Missionshaus. Todesangstgrotte.’ Een groet uit de Doodsangstgrot, het is toch niet de eerste keuze wanneer je een prentbriefkaart naar huis stuurt.

We gaan op pad, nadat we bij de balie van het Missiehuis gevraagd hebben of we de sleutels van de grotten mogen lenen. In de zomer drukbezocht maar vandaag gesloten, is het proeflokaal van de kloosterbrouwerij. Ertegenover staat een bordje met de aanwijzing ‘Grotten’. Daar moet we wezen, daar moeten we zijn. We lopen onder een boog door en komen uit bij een grasperk met in het midden het beeld van Sint-Aloysius. De heilige staat in de winterkou te mediteren met een kruisbeeld in zijn handen.


Van Facebookgroep: Groot Venlo van Arcen tot Belfeld

Wie kleine ruimten, schemer, stof of spinnen eng vindt, moeten we het bezoek aan deze grotten met klem ontraden. Of het zou in het kader van exposuretherapie moeten zijn, dat je er binnentreedt. De grotten van Steyl zijn geen natuurlijke grotten. Ze werden door kloosterlingen tussen 1890 en 1900 opgeworpen met misbaksels en sintels uit de ovens van de kleiwarenfabrieken van Tegelen. Wellicht zitten er ook metaalslakken tussen van lokale ijzergieterijen.

Naar een ontwerp van pater-tuinman Gerard Rademan werden ze ingericht tot een onderaards religieus labyrint bestemd voor gebed en meditatie Het is een wonderlijk ensemble van negentiende-eeuwse, romantische wensarchitectuur. Deze zogenaamde ‘follies’ kennen we vooral uit Groot-Brittannië, Frankrijk en België. In het nuchtere Nederland zijn ze zeldzaam.

Foto broeder Heinz Helf SVD

We nemen het pad rechts van het grasperk en komen uit bij de grot waarin de Hof van Olijven is uitgebeeld. Het is de olijfboomgaard waar Christus volgens het evangelie de nacht voor zijn kruisiging doorbracht en hij door doodsangst werd overvallen. Dit is dus de plek van de prentbriefkaart. Goddank  de sfeer is niet veranderd. We zijn gerustgesteld.

De avond valt vroeg, dus staan we al op tijd aan de bushalte bij Quatre Bras. Het is hier dat we afscheid nemen, want aan De Halte komt na zes jaar een einde. Dank voor jullie aandacht.

Reageren? Stuur Sef Derkx een email: floddergats@xs4all.nl.

van nul tot nu van woensdag 17 december 2025 - Een angstige Kerstmis en jaarwisseling (2)

- door Albert Lamberts -

De kerstdagen 1944 en de jaarwisseling daarop volgend waren voor vele inwoners van Noord-Limburg bepaald niet feestelijk. Terwijl de westzijde van de Maas in het najaar van 1944 ten dele was bevrijd, zuchtten de inwoners op de andere Maasoever niet alleen onder de Duitse repressie, maar wellicht nog meer onder de angst toch nog van huis en haard verjaagd te worden.

De Venlose binnenstad was tot Sperrgebiet (verboden terrein) verklaard. Wie in dit gebied woonde moest van de Duitsers onverwijld vertrekken. In eerste instantie trachtten velen bij vrienden of familie buiten het Sperrgebiet onderdak te vinden, maar voor de meesten wachtte uiteindelijk de barre tocht naar een van de drie noordelijke provincies. Telkens weer die angst te moeten vertrekken.

Uit het dagboek van de Dominicaan pater Roemer: P. vertelt dat de evacuatie weer is uitgesteld tot morgen. Zoo houden ze die ongelukkigen in angst en spanning. En enkele regels verder: Bij de Pope kom ik S. tegen en informeer bij hem hoe het zit met de evacuatie. Gisteren heeft hij een vergadering gehad met Schneider, die als een razende tekeer ging en hem met zijn revolver dreigde als er morgen niet minstens duizend man marschfähig waren. Hij zou wel eens een eind maken aan die sabotage en de evacuatie zelf in handen nemen… etc. S. heeft hem toen meegenomen naar Kaldenkerken, waar nog tweeduizend menschen zaten te wachten op vervoer. Aber heute nacht fährt ein Zug ab. Die (sic) Zug is er niet gekomen en volgens S. zal er ook wel geen meer komen.

Het boek van Van den Burgt: Het is voortdurende spanning, een intens gebogen-staan, sprongbereid. Een bladzijde verder: Vrijdag 19 Tot ongeveer 12 uur blijft alles rustig in onze wijk. De Grünen vertonen zich althans niet en we hopen alweer een dag te hebben gewonnen 

De dreiging spatte in abominabel Nederlands van het papier: vertrekken of het risico lopen gefusilleerd te worden. (Collectie Albert Lamberts)

Het Duits bevel lag er: binnen vijf dagen – vanaf 15 januari – moest Venlo zijn ontruimd. We zijn vol angst voor de komende dagen, maar we wanhopen niet. We zullen ons handhaven tot ’t uiterste, ons blijven vastklampen zo lang we kunnen.

Elders in Venlo is de vrees voor evacuatie niet minder groot. We zijn erg down en zien de toestand duister in. Helaas, het zwaard van Damocles is gevallen.

De rol van burgemeester Mr. J. Zanders in die evacuatie-perikelen is eigenlijk nog nooit helemaal duidelijk geworden. Aan wiens kant acteerde hij als het over evacuatie ging? Onder het mom van voedselschaarste, die inderdaad desastreuze vormen aannam, pleitte Zanders voor evacuatie. Zanders wees er begin januari 1945 op, dat de centrale keuken nog voor maar enkele dagen voedsel kon uitdelen aan mensen, die geen kruimel meer hadden. Gewetenloze individuen, die volgens Zanders zich geen burger mochten noemen, hadden kilo’s aardappelen en zakken graan ontvreemd.

Zo schreef Zanders: Overweegt U daarom eens ernstig, of het voor U niet de aangewezen weg zal zijn, om naar Friesland te evacueren, waar de voedselpositie veel beter is dan hier.

We weten hoe het is afgelopen. Duizenden moesten vertrekken en werden opgevangen. 

Reageren? Stuur Albert Lamberts een email: albertlamberts@home.nl.

zondag 28 december 2025

De Halte XXL van woensdag 24 december 2025 - Struikelstenen

- door Sef Derkx/foto's Renier Linders -  

Lijn 83 zou pas over twintig minuten bij de halte aan de Bisschop Schrijnenstraat zijn, dus hadden we tijd om terug te gaan naar een bijzondere locatie. Een eindje verderop aan de Straelseweg, richting binnenstad. 

Voor het pand met huisnummer 132 zijn in april van dit jaar  struikelstenen onthuld ter nagedachtenis aan twee Joodse slachtoffers van de Holocaust: het echtpaar Moritz Levis en Lieselotte Levis-Oster. Voor de plechtigheid was dochter Inge vanuit Israël naar haar geboortestad gekomen. Het interview op straat, omringd en geborgen door een grote groep belangstellenden, was ontroerend.

Inge Meents-Levis (1938) vertelde liefdevol over haar ouders. Beiden waren doofstom, er werd gecommuniceerd in gebarentaal en mimiek. Ze begrepen elkaar perfect. Na de ceremonie knielde Inge bij de struikelstenen en legde haar handen erop. Ze fluisterde dat zij nu oud was en gauw bij hun zou terugkomen: ‘Dan zijn we weer samen, pappie en mammie.’  

Er zijn verhalen die nooit verloren mogen gaan. Omdat ze betekenisvol zijn en doorverteld moeten worden. Dit is zo’n verhaal.

Inge’s vader Moritz Levis was in 1934 uit nazi-Duitsland gevlucht. Hij had zich in Venlo gevestigd, zijn verloofde Lieselotte kwam een jaar later. Ze trouwden en kregen een kind dat kort na de geboorte overleed. In 1938 zag Inge het levenslicht. Het gezin betrok een woning aan de Straelseweg. Na de Kristallnacht voegde oma Berta Oster zich in de zomer van 1939 bij het gezin.

In het oorlogsjaar 1942 inventariseerde de dienst Gemeentewerken de huizen van joodse inwoners. De woning van Inge’s ouders werd gevorderd door een Rijksduitser. Het gezin Levis verhuisde met oma naar een huisje aan de Veldenseweg. Inge die vier jaar was, koestert mooie herinneringen aan de maanden daar.

Op 25 augustus 1942 sloeg het noodlot echter toe. Ouders, oma en Inge werden tot ontzetting van de buurt met een bus weggevoerd naar  Maastricht. Oma Berta werd door een Duitse vrouwelijke arts afgekeurd voor zogenaamde ‘dwangarbeid in het Oosten’. Ze mocht terug naar Venlo. Tegen alle instructies in gaf de arts even later door het raam de kleine Inge aan oma. Beiden overleefden gescheiden van elkaar in onderduik de oorlog. Ze werden herenigd in 1945 en woonden later samen in een flat aan de Craneveldstraat. Moritz en Lieselotte Levis zijn zes dagen na hun gedwongen vertrek uit Venlo bij aankomst in het vernietigingskamp Auschwitz vermoord.  

Dochter Inge heeft pas afscheid kunnen nemen van haar ouders op de dag dat hier hun struikelstenen werden onthuld. 

Reageren? Stuur Sef Derkx een email: floddergats@xs4all.nl.  

dinsdag 23 december 2025

1 januari 1926: 'Mooder Maas' kwam Nieuwjaar wensen

 - door Sef Derkx/foto's met dank aan Facebookgroep Groot Venlo van Arcen tot Belfeld -

Naast de deur van café De Witte aan de Parade zijn vier gevelstenen ingemetseld, die herinneren aan de wateroverlast in vervlogen jaren. Bovenin torent de steen die het waterpeil aangeeft dat in 1926 werd bereikt. In de vroege ochtend van nieuwjaarsdag 1926 sloeg Mooder Maas toe. In enkele uren tijd kwam het grootste gedeelte van de binnenstad blank te staan. Wie na een uitbundige viering van oud op nieuw nog met droge voeten was thuisgekomen, moet na het ontwaken aan zijn waarnemingsvermogen zijn gaan twijfelen. Toch was het geen zinsbegoocheling, maar werkelijkheid. Drievierde van de binnenstad stond onder water. ‘De Maas kwaam Niejaor winse’ werd een gevleugelde uitdrukking een eeuw geleden geleden. 

Gasthuisstraat

Niets wees er voor Kerstmis 1925 op dat weldra een ramp Venlo zou treffen. De Maas stond wel hoog door de aanhoudende regen, maar och dat stond de nog niet gekanaliseerde rivier ieder jaar. Wateroverlast in de lagere gedeelten van de binnenstad was ook niets bijzonders. Eigenlijk was het een soort van attractie. Er waren drie punten waar mensen gingen kijken naar het schouwspel van opkomend water uit rioolputten: aan de Geldersepoort, op de Parade ter hoogte van de Lohofstraat en bij het Romerhuis aan de Jodenstraat. Daags voor Kerstmis 1925 kwam de geruststellende melding dat het peil van de Maas spoedig zou zakken. Vijf dagen later echter zagen bewoners van de Maasstraat dat hun straat onder water liep. De regen hield aan, het kwam er met bakken uit. De riolen konden het hemelwater niet afvoeren, waardoor het alsmaar natter werd op de Maaskade, ‘t Hetje, de Geldersepoort en Lomstraat. 

Peperstraat

Oudejaarsdag 1925 bracht opnieuw regen en verontrustende verhalen van de Parade, waar in allerijl kelders waren ontruimd. Met het waterpeil, steeg de spanning. De sfeer van die avond is inlevend weergegeven in een artikel dat de op de laatste dag van het jaar in de Nieuwe Venlose Courant stond: “… Terwijl we dit schrijven gutst de regen voortgezweept door huilende stormvlagen tegen de ruiten, flikkert de bliksem en rolt een geweldige donderslag door ’t luchtruim. ’t Lijkt of alle elementen samenspannen om de hoog-water-periode die we thans doormaken, zoo vreeselijk mogelijk te maken …” Op oudejaarsdag bleef de situatie stabiel. Brandweer en politie stonden paraat. In de volle cafés die vergunning hadden om tot twee uur open te mogen blijven, werd feest gevierd en om middernacht zalig nieuwjaar gewenst. 

Valuasstraat

Tussen vier en vijf uur in de ochtend, Venlo lag op een oor, sloeg de Maas toe. In korte tijd stroomde het centrum en Venlo-zuid vol. Hetzelfde lot trof de andere kernen van het huidige Venlo. In de stad waren de mensen veroordeeld om op de eerste etage te bivakkeren. Vooral de bewoners van de Jodenstraat en Havenkade en de tussenliggende steegjes zaten in een precaire situatie. In de woonkamers stond het water tot aan het plafond. Toiletten waren onbereikbaar. Men huisde in de kou op piepkleine slaapkamers. Alle overheidsdiensten waren in touw om de nood te lenigen. In de Mostardschoeël, het tegenwoordige Kunstencentrum, was een noodopvang ingericht voor de zwaarst getroffen gezinnen. De zusters van de Vakschool voor Meisjes - de hoèshaldschoeël in de volksmond - bereidden aan de lopende band warme maaltijden. Tegen de gevels van de huizen plaatste de gemeente schragen en bokken, waarop planken werden gelegd. Vanaf deze noodbruggetjes werden planken geleid door de gangen naar de trappen, zodat  bewoners van ondergelopen huizen zonder natte voeten in en uit konden gaan. Met bootjes en geïmproviseerde vlotten werden de geïsoleerde bewoners voorzien van het hoogstnodige. Tussen Vleesstraat en brug was geïmproviseerd openbaar vervoer in de vorm van paard en platte wagen.

 

Picardie

Tot overmaat van ramp liep op deze nieuwjaarsdag de stokerij van de gasfabriek onder, waardoor de gasvoorziening moest worden gestaakt. Gekookt werd er op petroleumstelletjes. Wie nog kaarsen over had van het kerstfeest, mocht zich gelukkig prijzen want de volgende dag viel ook de elektriciteit uit. Venlo was gehuld in het donker. Een noodkabel, getrokken vanaf Echt, zorgde ervoor dat de straatlantaarns weer gingen branden. Zonder drinkwater zat men gelukkig niet. In het gebouw van de waterleiding stond een oude stoommachine die terstond in bedrijf werd genomen nadat de stroom was uitgevallen. Het hoogste peil werd bereikt in de nacht van 2 op 3 januari 1926 tussen twee en vier uur. De peilschaal bij de brug wees 18,84 meter boven NAP aan. Het zou de hoogste stand van de Maas in de twintigste eeuw worden. De Nieuwe Venlosche Courant kwam ondanks alles toch uit en daarin stond te lezen: “… Nog nooit bij mensen heugenis heeft het water in de stad zoodanig huisgehouden als thans. Men kan gerust stellen dat Venlo voor vier-vijfde overstroomd is. Zulk een ramp heeft Venlo de laatste eeuw niet getroffen. Het verkeer in de stad is bijna geheel onmogelijk geworden. Hele stadsdeelen zijn onbereikbaar. Maasschriksel, Helschriksel enzovoorts, die zeer hoog liggen en dus droog zijn, zijn geheel van diep water omgeven. Men kan er niet in of uit …” In dezelfde krant waarschuwde de burgemeester winkeliers, bakkers en slagers om niet van de nood misbruik te maken door de prijzen te verhogen. Het politiepersoneel liep op zijn tandvlees. Het korps kreeg daarom versterking van militairen en rijksveldwachters.

 

Roermondsestraat

Op zondagmorgen 2 januari om half negen kwamen koningin Wilhelmina en prins Hendrik zich op de hoogte stellen van de omvang van de watersnood. In de Spoorstraat was een aanlegsteiger waar het gezelschap plaatsnam in boten bemand met mariniers. Het eerste gedeelte van de tocht bracht de koninklijke gasten naar de Roermondsestraat en Tegelseweg. Door de sterke stroming botste de boot met het koninklijk paar tegen de boot waar de wethouders in zaten. Ter hoogte van de Mariastraat werd rechtsomkeer gemaakt. Na een bezoek aan de Vleesstraat en de Grote Beekstraat werd terug geroeid naar de aanlegsteiger. Op dat moment kwam de Venlose sigarenmaker en kastelein Sjeng Schreurs op een vlot aanpeddelen. Plots sprong hij in het water, nam zijn hoed af en vroeg op luide toon gratie aan de koningin voor een straf die hem was opgelegd vanwege een schietpartij. Wilhelmina vroeg burgemeester Berger naar de achtergrond. Schreurs kreeg te horen dat hij de officiële weg diende te bewandelen. De kastelein deed dat en zijn verzoek werd inderdaad in 1927 ingewilligd. 


Op 6 januari 1926 begon het water te vallen en enkele dagen later waren de straten droog. Wat achterbleef was een enorme ravage. Veel huisraad was onherstelbaar beschadigd. Maandenlang hing in de getroffen woningen een muffe geur. In de zomer volgend op de watersnood waren overal huisschilders bezig met verven en behangen. De directe schade voor Venlo bedroeg een miljoen gulden. Uit landelijke fondsen werd geld aan de gedupeerden uitgekeerd. Het Plaatselijk Watersnoodcomité bracht met uiteenlopende acties meer dan twintigduizend gulden bijeen.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.

vrijdag 19 december 2025

De Halte XXL van woensdag 17 december 2025 - Deken Schrijnen en 't Kerkepäörtje

-  door Sef Derkx -

Nooit geweten. Het idyllische Kerkepäörtje heeft geen eigen huisnummers. De kadastrale kaart leert dat het postcodes zijn aan de Grote Kerkstraat. De onderhorigheid van het straatje met de mooie dialectnaam gaat aan het hart. Op weg naar bushalte Nolensplein lopen we meestal door het Kerkepäörtje. Het is een oase van weldadige rust in de binnenstad.

Over rust gesproken, een soort overtreffende trap is de eeuwige rust. Generaties Venlonaren hebben hun dierbare en minder dierbare overledenen hier begraven. Het deel van het kerkhof dat aan de noordzijde van de kerk lag, werd ‘Duustere Kerkhaof’ genoemd. Het lag in de schaduw, vandaar de benaming. Op het schaduwrijke deel woonde de doodgraver en stond het knekelhuis. Het kerkhof in hartje stad is tot in het eerste kwart van de negentiende eeuw in gebruik geweest. In 1820 kwam er een begraafplaats buiten de Roermondsepooort, aan de Broekestraat-Ganzestraat. De huidige begraafplaats aan de Wylrestraat dateert van 1903. Terug naar ’t Kerkepäörtje. In 1910 werd de pastorie van de kerk vergroot. Bij de graafwerkzaamheden stootte men op fragmenten van zeventiende-eeuwse grafkruisen. Ze zijn gemetseld in de zijgevel van de kerk. Twee exemplaren die nog redelijk gaaf waren, werden tegen de muur geplaatst. 



Enkele jaren geleden is op initiatief van de gemeente de grafstèle van Carolus Schrijnen (1797-1870) geplaatst op ‘t Kerkepäörtje. Het grafmonument stond oorspronkelijk op de begraafplaats aan de Broekestraat-Ganzestraat.



Schrijnen werd in 1829 bevorderd van onderpastoor tot pastoor van Sint-Martinusparochie. Vier jaar later werd hij de eerste deken van Venlo. Hij was een energieke, gedreven man die in no time al jaren slepende financiële kwesties oploste. Het aantal kapelaans kon door hem worden uitgebreid tot vijf, wat neerkwam op één kapelaan op duizend gelovigen. Na jarenlang soebatten om middelen kon hij in 1826 het startschot geven voor het herstel van het dak en de vloer van de Sint-Martinuskerk. Maar geheel onomstreden was de pastoor-deken niet. Hij was rechtlijnig in de katholieke geloofsleer. Atheïsten, vrijmetselaars, inwoners die onverschillig stonden tegenover het geloof én vastelaovesvierders werden door hem vanaf de preekstoel verketterd. Met de liberale burgemeester Karel Bontamps kon hij niet door één deur. De burgervader had een zaal ter beschikking gesteld voor een benefiet-toneelvoorstelling ten behoeve van de armen. Schandelijk in de visie van Schrijnen, een ‘regelrechte aansporing tot zonde’.

Reageren? Stuur Sef Derkx een email: floddergats@xs4all.nl.