donderdag 25 augustus 2022

Van nul tot nu van woensdag 24 augustus 2022 - Venlose bankiers in opspraak (1)

 - door Albert Lamberts - 

Jan Arnold de Paderborn. Wie? Ja, die ja. Hij was in 1723 burgemeester van Venlo en nam samen met zijn mede-stadsbestuurders het voortvarende besluit in Venlo een bank op te richten. Het was voor het eerst dat Venlo een bank kreeg, afgezien van de zogeheten Lombardenbank, genoemd naar de bankiersfamilie de Montfuya uit Lombardije. Die vestigde zich in 1382 in Venlo en verstrekte leningen, maar dat deden incidenteel ook andere particulieren. Voor de bank die de Venlose magistratuur voor ogen stond was een goedkeuring door de Staten Generaal nodig en die werd verleend. Zo kreeg Venlo een Bank van Leening, zoals die bijvoorbeeld al sinds begin zeventiende eeuw in Amsterdam bestond.   

De Bank van Le(e)ning was gevestigd in een  pand aan de Houtstraat, de latere Puddingfabriek, die in 2016 werd gerestaureerd en waarin woningen zijn gerealiseerd   (fotoAlbert Lamberts)

De op te richten bank bleef eigendom van de stad, maar werd verpacht en de opbrengst kwam aan de stad ten goede. Dat kon de stad goed gebruiken, want economisch verkeerde Venlo in een dal, reden waarom veel inwoners de stad verlieten en hun heil elders gingen zoeken. Vanaf pakweg 1670 tot  1795 nam het aantal Venlose ingezetenen af van circa 6000 tot 4006.

Wie geld nodig had kon bij de bank een pand te gelde maken, waarbij doorgaans driekwart van de pandwaarde kon worden geleend. De nieuwe Bank van Leening voorzag kennelijk in een behoefte.

De bank had geenszins de taak om zelf ergens in te investeren, hypotheken te verstrekken of te handelen in aandelen of obligaties. Niks van dit alles; gewoon geld geven in ruil voor bijvoorbeeld juwelen, kleding of andere waardevolle voorwerpen. Bijna vijftig jaar gingen de zaken op die manier. En ze bleven zo voortgaan, alleen  vanaf 1772 niet meer geleid door pachters, maar rechtsreeks onder beheer van de stad. In 1771 had de toenmalige burgemeester Timmermans daarvoor instemming gevraagd bij de Staten Generaal en die ging daarmee op 9 januari 1772 akkoord.

Vrijwel op dezelfde dag benoemde burgemeester Van Afferden (elk jaar werd een burgemeester benoemd en die kon ook vaker worden gekozen) ene L. Stams tot kassier en C. Consbruch tot boekhouder. Vertrouwde gezichten, want zij hadden die taken ook al in de voorgaande constructie. Zij wáren niet alleen vertrouwd, maar wérden ook vertrouwd.  Maar het ging mis.

 Telkenjare moesten de kassier en boekhouder verantwoording afleggen aan  de Venlose raadsleden. Al vrij spoedig klaagden de kassier en boekhouder over een tekort aan geld om hun taak als Bank van Leening te kunnen uitoefenen. De jaarlijkse winsten (rente en opbrengst van verkochte, niet opgehaalde goederen) werden al snel niet meer aan de stad overgemaakt, maar dienden, aldus bankier en boekhouder, ter aanvulling van het benodigde bankkapitaal , sterker nog: de stad moest bijlappen. En de raadsleden waren ziende blind. Tien jaar werden zij beduveld, alvorens er een onderzoek ging plaatsvinden. Nou ja, wat heet. Vier raadsleden, die als bankbestuur fungeerden, landrentmeester Van Afferden en de gemeentesecretaris bezochten het pandhuis, dat weliswaar bomvol goederen lag, maar waarvan de waarde niet werd vastgesteld. Het werd nog erger: de magistratuur vroeg zelfs permissie meer geld – het ging om 50.000 Hollandse gulden -  in de bank te steken en een ruimer pandhuis ter beschikking te stellen. De Staten Generaal en ook de Raad van State kregen argwaan en wenschten inlichtingen te ontvangen over de redenen en omstandigheden welke een zo aanzienlijk kapitaal van 50.000 Hollandse guldens voor beleening in een kleine stad als Venlo wettigden. De bankier en boekhouder werden in de kraag gevat en bekenden al weldra dat de waarde van de beleende goederen slechts 16.000 gulden Cleefs (8000 Hollandse guldens) bedroeg.

Hoe liep dit verhaal af? Uiteindelijk, na jarenlang procederen, waarbij aanvankelijk ‘hoge’ relaties van de aangeklaagden de rechtsgang dreigden te belemmeren, werd op 25 maart 1789 vonnis gesproken. Dat beleefde boekhouder Consbruch  niet meer, want die was een jaar eerder in de gevangenis overleden. Zijn collega Stams kreeg te horen, dat hij voor zijne slordige en ondeugdelijke handelwijs in ’t waarnemen zijner bediening als cassier, boekhouder en clerc van de bank van leening verklaard werd vervallen van zijne bediening, enz. Tevens mocht hij geen overheidsfunctie meer bekleden, niet in Venlo, noch elders in het land.  Verdere gevangenisstraf werd hem niet opgelegd. Stams werd  voorts veroordeeld tot het terugbetalen aan de gemeente Venlo van de helft van de aangerichte schade, zijnde zijn aandeel in die schade. En die schade bedroeg maar liefst 39.520 Hollandse guldens.  

 De stad ging weer over tot verpachting. Jac Bours werd in 1781 pachter en hij zou dat maar liefst tot 1804 blijven. In dat jaar sloot de Franse bezetter de bank. Op 27 april 1818 werd de bank heropend en pachter was Frans Antoon de Gruyter. De bank was gevestigd  aan de Blauwe Trap op de Oude Markt. In 1850 werd de gemeente weer de beheerder. Vijf jaar later vestigde de bank zich aan de Hoogstraat en werd wederom een pachter aangesteld: Dieudonné Maréchal-Dungelhoeff, die tien jaar het pachterschap uitoefende. Toen werd, jawel, de gemeente weer beheerder.  De carrousel bleef draaien, want in 1881 werd Jacques Janssen de pachter en had de bank onderdak in een pand in de Houtstraat. Het einde van dit bankliedje? In 1911, op 5 september, werd de bank opgeheven.

 Volgende keer: nog meer Venlose bankiers in opspraak.

 Reagereen? Stuur Albert Lamberts een e-mail"albertlamberts@home.nl

De Halte XXL van woensdag 24 augustus 2022 - Herinneringen aan winkelierster Dora uit Velden

 - door Sef Derkx/foto's collectie Pieter Duijf - 

Ligt Velden onder de Kreeftskeerkring? Als we uit de koele bus stappen, lijkt het alsof we in een braadpan zijn terechtkomen. Het meteorologisch station Arcen heeft een Nederlands warmterecord gemeten, lazen we al tijdens de rit hierheen op ons mobieltje. We zijn dus gewaarschuwd. 

Winkel van Dora in 1961

Bij de fontein op de markt hebben we afgesproken met Pieter Duijf, de chroniqueur van Velden en hoofdredacteur van het lokale magazine De Kapper. De fontein is voor een groep Venlonaren een bekende plek. Op zaterdag voor Gekke Maondaag brengt een delegatie van De Waus braadworst naar collega-vastelaovesvereniging De Wuilus. Het onthaal is bij de fontein in Velden. Die dag stroomt er bier uit. Terug naar de expeditie van vandaag. Doel ervan is onder meer herinneringen ophalen aan winkelierster Dora. Zelf zijn we slechts één keer in haar zaak geweest. Die stond op de plek waar nu Kruidvat is. Het bezoek was een heuse ervaring. De winkel stond tjokvol. Ongelooflijk dat Dora wist wat waar stond.

Dora in 1961

Dora Hartman werd in 1924 in Batenburg geboren. Vlak na de oorlog kwam ze in betrekking bij bakker Gérard van den Homberg in Velden. Ze trouwden en kregen samen zeven kinderen. Dora overleed in 2006. Voor wie in Velden opgroeide, heeft de winkel van Dora een mythische status gekregen. Pieter Duijf: ‘De kruidenierszaak annex bakkerswinkel veranderde na de opening langzamerhand in een mini- warenhuis. Je kon er alles krijgen. In het enorme assortiment vielen vooral speelgoed en schoolartikelen op. Daarmee bespaarde je je een lange fietstocht naar Venlo. Dora had het gewoon allemaal. Naderde Gekke Maondaag verkocht ze cowboy- en indianenpakjes. Na Sinterklaas kwamen ballen, pieken en engelenhaar voor de kerstboom in haar winkel. Uiteraard ook grottenpapier als decor voor de stal.’

De huisschilder aan het werk in 1961

In Velden werd verteld dat niet alleen de winkel volgestouwd stond, maar ook het souterrain. Zelfs onder de echtelijke sponde en de bedden van de kinderen werd winkelvoorraad opgeslagen. 

Het was tot in de jaren zestig gebruikelijk dat met Gekke Maondaag een straatfotograaf actief was. Je werd op de gevoelige plaat gezet en kreeg een reçu. Daarmee ging je na een tijdje naar Dora. ‘Na Gekke Maondaag werd de keuken bij de winkel betrokken. Tussen de vuile vaat en de sudderende gehaktballen stond je naar foto’s van jezelf te zoeken,’ herinnert Pieter Duijf zich. ‘Dora zocht mee, handel is immers handel. Er lagen ook nog onverkochte foto’s tussen van voorgaande jaren. Zij wist feilloos de weg erin.’ 


Dora, een legende uit Velden

(wordt vervolgd)

 

 

donderdag 18 augustus 2022

De Halte XXL van woensdag 17 augustus 2022 - Op bezoek in De Weem bij deken Jos Spee

 - door Sef Derkx/foto's particuliere collectie en website Venlo Partners - 

De glanzend groene deur aan de Grote Kerkstraat zwaait open. Vriendelijk lachend heet Jos Spee ons welkom in De Weem. Een hemd met korte mouwen en priesterboordje is de outfit van de deken van Venlo op deze tropisch warme dag. De Weem is een rijksmonument uit de achttiende eeuw. Weem is een woord dat overgeleverd is uit de middeleeuwen. Een van de betekenissen is pastorie. In Venlo van de naastgelegen Sint-Martinusbasiliek. Bijna iedereen in Venlo zal vaker langs De Weem zijn voorbij gekomen, maar nog nooit binnen geweest zijn.

We lopen een lange gang door met een mooie tegelvloer. Vergeleken met buiten is het hier aangenaam koel. Het deel van de De Weem aan de straatzijde was tot het einde van de negentiende eeuw de voortuin. Het dekenaat kreeg echter steeds meer taken. Er was behoefte aan kantoorruimte. Vandaar dat het groen voor de deur werd opgeofferd. De bestaande hardstenen tuinpoort uit 1765 is ingepast in de nieuwe gevel en werd voordeur. Het zicht vanaf de Grote Kerkstraat op de pastorie ging daardoor verloren.

De bouw van De Weem startte in 1764 en nam anderhalf jaar in beslag. We lopen  naar de vergaderruimte, waar de koffie klaar staat. In het achttiende-eeuws vertrek valt onmiddellijk de schoorsteenmantel met wapenschild op. We zijn benieuwd hoe het is om in een monument te wonen met een rijke historie. De deken gaat er eens goed voor zitten. Er bestaat een chronologische lijst van zijn voorgangers, vertelt hij. Ze woonden en werkten hier in deze kerkelijke dienstwoning. Van zijn collega’s uit het verleden is Jules van Oppen belangrijk. In de Tweede Wereldoorlog komt de geestelijke in actie tegen Duitse, met nazipropaganda doordrenkte films die in de Venlose bioscopen worden gedraaid. Hij is bovendien op de hoogte van het verzetswerk van priesters in zijn dekenaat. In september 1942 wordt Van Oppen opgepakt. Enkele maanden later overlijdt hij in Kamp Vught. De Venlose deken is daarmee het eerste oorlogsslachtoffer onder de Limburgse geestelijkheid.



De koffie is op. Jos Spee neemt ons mee naar de tuinkamer. Die is kort na 1900 aan de achterzijde van De Weem aangebouwd en heeft oogstrelend glas-in-lood in de stijl van de destijds populaire art nouveau. Als de zon door de ramen schijnt, waan je je hier in Frankrijk. Tot slot van ons bezoek wandelen we door de tuin. Een ongelooflijk mooie plek in hartje stad. Het Venloos filiaal van het aards paradijs. Het wordt bijgehouden door Han Vinck, bewoner van de voormalige kapelanie aan ’t Kerkepäörtje, vertelt de deken. De paradijs-tuinman wuift ons toe vanaf zijn terras. We nemen afscheid, want de bus naar Velden wacht niet. 


 Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.

 


donderdag 11 augustus 2022

De Halte XXL van woensdag 10 augustus 2022 - Een idylle in wording in Oud-Zuid

 - door Sef Derkx/foto's auteur -
Behoefte in deze tijden van rampspoed om met eigen ogen een idylle in wording te aanschouwen? Ga dan naar de Ecologische Stadstuin Venlo Oud-Zuid aan de Hendrikxstraat. In anderhalf jaar tijd onderging een groenstrook bij de Mariakerk een complete metamorfose. Lang was het een gebied waar je liever niet kwam. Het was een afwerkplek, er werd gedeald en gebruikt. In de zomer huisden er overlastgevers. 


Een bord ‘Toegang verboden na 21.00 uur’ herinnert eraan. Buurtbewoners waren het meer dan beu, sloegen de handen ineen en riepen een stichting in het leven. Die ging in conclaaf met de parochie, de eigenaar van de gewraakte groenstrook. Het bisdom en de gemeente werden ingeschakeld. Lokale en landelijke fondsen aangeschreven. Om een lang verhaal kort te maken. In april van dit jaar ging de ecologische stadstuin open.


Op deze mooie zomermorgen staat het hek uitnodigend open. Er zijn verse, onbespoten groenten te koop, meldt een schoolbord. Een dame met rubberen laarzen wiedt onkruid. We spreken haar aan. Ze is geboren in Den Haag, maar woont al decennia in Venlo. Ze is een van de vrijwilligsters en op woensdagochtend het aanspreekpunt voor de kopers. Vandaag zijn er haricots verts en ouderwetse sperziebonen. De Chinese kool kan ook geoogst worden. Ze gaat ons voor naar de groentebedden. 





Enthousiast vertelt ze over een workshop met een raadselachtige naam. Tuinjutten. Bij jutten denk je aan de zeekust na een flinke storm. In de ecologische tuin kan ook gejut worden. Je neemt een jute zak en vult die gedeeltelijk met groenafval. Daarmee is de naam verklaard. In de zak plant je een groentestruik of bloemenstruik. En zie, na een aantal weken heb je je eigen minituintje. 


Onze vriendelijke gastvrouw adviseert om munt te planten. Het groeit snel en je kunt altijd verse muntthee zetten.



De Ecologische Stadstuin Venlo Oud-Zuid werkt samen met de Vestiging Wildveld van de Scholengemeenschap Buitengewoon. De leerlingen krijgen onderricht in de Helena Blom Kas.
 


De naamgeefster liet een legaat na, waarmee een bestaande kas naar de Stadstuin Oud-Zuid kon worden verplaatst, gerenoveerd en opnieuw ingericht. Een plaquette en beeld van keramiek van de weldoenster accentueren de postume schenking. 


We lopen weer richting bushalte met een zak verse groenten en een kaart met het gedicht dat Herman Verweij schreef ter gelegenheid van de opening van de idylle in wording. Het eindigt met: Natuur verbindt/Misschien is dit de rijpste buit/in deze stadstuin van Oud-Zuid.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.

woensdag 10 augustus 2022

Loopt Venlo in de toekomst vaker onder water?

 - door Jan Verheugen/ foto's hoogwater 1920  uit particuliere collectie  


In de Floddergatslogs van 27 juli en 3 augustus 2022 gaf Albert Lamberts aandacht aan historische overstromingen van de binnenstad van Venlo.

De Maas heeft in vroeger tijd in Venlo (dat nota bene op Maasduinen is gebouwd) zo af en toe aanmerkelijk hoger gestaan dan in het tot de verbeelding sprekend jaar 1926 het geval was. Lamberts memoreerde al dat de Maas in 1616 zelfs het klooster Mariaweyde binnenliep.


De plek van het klooster heeft – afgaande op hoogtekaarten – nagenoeg dezelfde hoogte als de locatie van St. Martinuskerk (25-26 m. boven NAP). Van bijna de hele stad moet de bodem onder water hebben gestaan. En meer dan dat.

Zonder handhaving van een aantal van de bestaande en de ontwikkeling van nieuwe maatregelen valt niet uit te sluiten dat Venlo in de toekomst vaker onder water zal lopen. Door de verandering van het klimaat neemt de regenhoeveelheid immers immens toe.

In deze bijdrage wordt in grote stappen aandacht gegeven aan de herkomst van het Maaswater, de beheersing van het waterpeil en de beperkingen daarin.


In het riviervak Kessel-Eik – Venlo - Arcen is het winterbed van de laagland-Maas op z’n smalst, het meest wel bij de stadsbrug van Venlo-Blerick. Dat heeft tot gevolg dat de mogelijkheid voor het Maaswater om in de breedte een uitweg te zoeken erg klein is. Het Maaswater zoekt door de belemmeringen eerst een uitweg in de hoogte en stroomt vervolgens in de breedte uit met gevolgen als door Lamberts geschetst.

Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw hebben onnadenkende bestuurders het al millennia bestaande probleem vergroot door te bevorderen dat er in het winterbed van de Maas doorstroombelemmeringen werden gerealiseerd. De bebouwingen bij Roermond-Herten, het aanvankelijk zonder enig stelsel privaat bedijken van het tuindersgebied tussen Baarlo en Blerick, winterbedbebouwingen in Tegelen en Venlo ten westen van de Tegelseweg, het bedrijventerrein Groot-Boller in Blerick, de snelwegdijken (landhoofden van de Maasbruggen) in de A67 en A73, zijn voorbeelden van onverstandig handelen.

De bebouwingen en andere belemmeringen zorgen voor stuwing van het Maaswater.

Men had beter kunnen weten. De ‘Nederlandsch-Belgische Commissie ingesteld tot onderzoek van de kanalisatie van de gemeenschappelijke Maas’ had immers in zijn ‘Rapport betreffende de werkzaamheden van de Commissie’ (1912), dat de Maas van Visé [Wezet] tot Grave behandelt, de knelpunten al aangegeven. Daar is aan voorbijgegaan.

Gelukkig werkt het onderdeel Maaswerken van het project Ruimte voor de rivieren belangrijk compenserend, maar of de toegenomen en toenemende regenval daar overal en altijd mee is opgevangen zal de toekomst moeten leren.


De Maas is een regenrivier die primair gevoed wordt door een stuk of acht ten westen van de sikkelvormige heuvels Monts Faucilles opborrelende bronnen. Dat huevelgebied bevindt zich in Frankrijk iets ten westen en noordwesten van Bourbonne-les-Bains, dus pal ten noorden van het Plateau van Langrès. De D417, de weg van Bourbonne-les-Bains naar de ‘Route du Soleil’ (A31) -, vormt, zoals informatieborden ook aangeven, de waterscheiding tussen rivieren die op de Noordzee uitkomen en de rivieren die de Middellandse Zee als bestemming hebben.

Iets westelijk is er de waterscheiding met de Marne en Seine en iets oostelijk die met de Saône. De waterscheiding met het stroomgebied van de Moezel is ook nabij, net noordelijk van de Monts Faucilles.

Het water uit de Maasbronnen stroomt noordwaarts na aanvankelijk een westelijke loop van slechts enkele kilometers te hebben gevolgd. Het stroomgebied (het gebied waaruit de rivier zijn water betrekt) is erg smal, halverwege Neufchâteau en Verdun wel het smalst, namelijk een kilometer of vier, vijf.

Onderweg naar de Noordzee doorstroomt de ruim 900 km. lange Maas een gebied van ca. 35.000 km2, een oppervlakte die substantieel kleiner is dan die van Nederland.

In het heuvelland en het laaggebergte van het stroomgebied komen talloze beken en kleine rivieren op de Maas uit. Van de laatste kunnen genoemd worden de Chiers, de Semois, de Lesse, de Sambre, de Ourthe, de Jeker, de Geul, de Roer, de Niers en de Dieze, alle met eigen zijriviertjes en beken. Alle zijriviertjes tezamen voegen een veelvoud van water aan de rivier toe dan de rivier iets ten zuiden van de van de Frans-Belgische grens al voert.

Maatregelen gericht op beperking of voorkoming van wateroverlast moeten dan vooral noordelijker van dit grensgebied gezocht worden.


Op de hellingen van het heuvelland en van het laaggebergte van de Maas valt veel regen die aangevoerd wordt door de overwegend zuidwestelijke wind. De regen valt niet gelijkmatig over het jaar verdeeld en niet elk jaar valt er evenveel regen.

Doordat het stroomgebied over lange afstand erg smal is, bereikt het regenwater al snel de hoofdrivier, de Maas.

Bij regenpieken kan de waterhoogte van de Maas pijlsnel stijgen en het oevergebied naar verhouding breed overstromen. Bovenstrooms van Neufchâteau (dat via de rivier gemeten op ca. 50 km. van het brongebied ligt) zijn er al diverse bruggen die voor circa 80% van hun lengte op pijlers over de oeverlanden heen gebouwd zijn. Daarmee is aangegeven dat waar de doorwaadbare Maas hartje zomer hooguit enkele meters breed is, flink buiten zijn oevers kan treden.

Gezien de smalte van het (vegetatierijke) stroomgebied, de beperkte bewoningsdichtheid en de in relatieve zin beperkte waterhoeveelheid, is het weinig lonend om aldaar te zoeken naar extra mogelijkheden om het water vast te houden. Ook noordelijker in Frankrijk en in België is het vasthouden van regenwater alleen mogelijk door vele honderden lokale voorzieningen te realiseren. (Extra beplanting aanbrengen, kleine spaarbekkens, e.d.) Een lastigheid is de rotsachtige bodem van de Ardennen die de opnamecapaciteit voor water beperkt.



 Het gedurende de waterpiekdagen versneld afvoeren van een teveel aan water is pas mogelijk bij de Sambre.

In hoeverre dat al gebeurt is niet gemakkelijk na te gaan, maar een deel van het Sambrewater dat lokaal niet vastgehouden kan worden, kan in piekdagen afgevoerd worden via het kanalenstelsel dat vanaf Charleroi (aan de Sambre gelegen) via Halle, Brussel en Willebroek naar de Schelde loopt. Het aldus afgevoerde Sambrewater kan zich dan niet bij het Maaswater voegen.


 Bij het naderen van de grens van Nederland nemen de mogelijkheden toe om het teveel aan Maaswater versneld af te voeren.

In de jaren dertig van de vorige eeuw voltooide België het Albertkanaal, een kanaalverbinding tussen de Schelde bij Antwerpen en Luik. Daarbij werd na verbreding en uitdieping deels gebruik gemaakt van al eerder bestaande kanaalstukken die uit de Napoleontische tijd stammen (het onvoltooide Grand Canal du Nord). Het oostelijke deel van het Albertkanaal moest nog aangelegd worden, waarvoor het Plateau van Caestert (waarvan de St. Pietersberg de noordrand vormt), de Kannerberg en - tot Genk - het Kempisch Plateau doorsneden moesten worden. 


Het Albertkanaal wordt gevoed met Maaswater en vanuit het Albertkanaal worden de Belgische Kempen van enig water voorzien. Dat heeft in het verleden enkele keren tot geschillen tussen België en Nederland geleid omdat Nederland de bevaarbaarheid van de Maas in droge tijden bedreigd zag.

De afvoer van Maaswater via het Albertkanaal naar de Schelde lijkt in de dagen na hevige regenval wat vergroot te kunnen worden, waarvoor dan wel enige extra voorzieningen nodig zijn.

Mogelijkheden ook biedt de in 1826 voltooide Zuid-Willemsvaart die van Den Bosch naar Maastricht lopend, na de Belgische afscheiding deels over Belgisch grondgebied.


Ook voor de aanleg van de Zuid-Willemsvaart werd voor een deel gebruik gemaakt van een ruim twee decennia eerder gereedgekomen kanaalvak van het Grand Canal du Nord.

De Zuid-Willemsvaart eindigde in Maastricht in het Bassin, een kleine dokhaven aan de noordkant van de oude stad, die een sluisverbinding met de Maas had en heeft.

Via een verbindingskanaal op Belgisch grondgebied is de Zuid-Willemsvaart nabij Lanaken verbonden met het Albertkanaal. 650 meter noordelijker van het Bassin bevindt zich het Voedingskanaal waarmee de Zuid-Willemsvaart met Maaswater gevoed wordt.

Ook de afvoer van Maaswater via Zuid-Willemsvaart lijkt op waterpiekdagen iets opgevoerd te kunnen worden, ook in dit geval na het aanbrengen van extra voorzieningen. Of dat het beste kan verlopen via het genoemde Verbindingskanaal ten noorden van het Bassin, via het bij het Albertkanaal aanvangend verbindingskanaal, of – zie hierna – via het Kanaal Wessem-Nederweert, dat moet aan waterstaatsdeskundigen worden overgelaten.

Als laatste noemen we het kanaal Wessem-Nederweert dat de Maas met de Zuid-Willemvaart verbindt. Ook hier lijkt extra afvoer van Maaswater mogelijk.

De Zuid-Willemsvaart kan dus Maaswater van de omgeving van Maastricht (respectievelijk Wessem) naar de Maas iets ten noorden van Den Bosch afvoeren.  Op het eerste gezicht lijkt dat onzinnig, maar het heeft toch het voordeel dat daarmee overstromingen tussen Maastricht en Den Bosch wat beteugeld kunnen worden.

 

De toeneming van de regenval lijkt een niet te keren proces te zijn.

Om overstromingen van onder meer Venlo te voorkomen is het noodzakelijk om geen enkele bebouwing of ophoging van het winterbed van de Maas meer toe te staan en waar de mogelijkheid zich aandient om eerdere foute beslissingen ongedaan te maken, deze kans met beide handen aan te grijpen.

Daarnaast is het verstandig om oppervlakteverhardingen in het gehele stroomgebied van de Maas, maar vooral in België en Nederland, tot een minimum te beperken en waar mogelijk deze ongedaan te maken. (Tuinen, parkeerterreinen, wegen, uitbundige bebouwing, kunststofsportvelden die doorgaans op schuimbeton worden aangelegd, enz.)

Ook het op grote schaal planten van vooral bomen en grote heesters (die beide ook bijdragen aan de demping van temperaturen) en het in stand houden van onderbegroeiing (van belang ook voor de biodiversiteit) zorgt er voor dat regenwater wordt vastgehouden. Het creëren van nog meer overstroomplekken bij beken, waterbuffers en infiltratievoorzieningen op bedrijventerreinen zoals Trade Port, is ook van grote betekenis.

De toekomst moet uitwijzen of een veelheid van kleinere en grotere maatregelen wateroverlast kan indammen of voorkomen. Venlo kan er niet van uitgaan daarmee alle misère afgewend is. Immers, niet vergeten moet worden dat het niet de natuur is die zich tegenover de mens misdraagt, maar dat het de mens is die ten onrechte en weinig succesvol de natuur naar zijn agenda wil vervormen, misvormen.

Reageren? Stuur Jan Verheugen een e-mail: j.verheugen@planet.nl.

donderdag 4 augustus 2022

Van nul tot nu van woensdag 3 augustus 2022 - Venlo had al meermalen hoog water

 - door Albert Lamberts/foto's van de auteur -

We waren verleden week gebleven bij het relaas van de kroniekschrijfster van de zusters Annunciaten over de watersnood, die in 1616 Venlo trof.  In die tijd, van stuwen of dammen, laat staan van afdoende waterkeringen, was natuurlijk niet of nauwelijks sprake. De stadsmuren konden ook geen soelaas bieden.  Die bewuste nacht van 4 december 1616 liet moeder Ancilla (Sara Herlin, die de verwoeste kapel in Genooi liet herbouwen naar voorbeeld van de Loretokapel in Italië) enighe susters waeken vreesende dat het water in ons sieken huys soude comen

1995: Hoog water Kleine en Grote Beekstraat in Venlo.

Het verslag van de ooggetuige laat aan duidelijkheid niets te wensen over wat betreft de snelheid van het wassende water: des morgens vruch, dit was op Sinte Barbara’s dach (4 december dus), quaam onzen eerw. Pater heer Willem Hesius binnen om ons oude ondermoeder biechte te hooren; ter wijlen hij binnen was wies het water soo zeer dat hij niet wederom wten cost comen. Als hij aan het slot (afgesloten deel van het klooster) quaem, naem hem suster sossior een butensusterken op haeren rugge en droech hem op den voet van den outaer, daer wast doen noch drooge; daer sijnde las hij mis ende een suster op den choor boven die antwoorden hem. Als we hier spreken over ondermoeder  dan hebben we het over Barbara van der Put, zuster van de beroemde Venlose  geleerde Erycius Puteanus.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat het horen van de biecht van de ondermoeder urenlang heeft geduurd dus het mag uit het verhaal duidelijk worden dat het waterpeil in weinig tijd enorm steeg. De zuster noteerde: Wij droeghen ons ondermoeder en suster Margariet yt het sieckhuys opten dompter (slaapzaal), want het water wies soo seer dat het op eene schree of twee stont aon ons sieckhuys ende het selve stont doen (binnen het uur) op de plaetse nu den choor beneden inde kercke staet. 

Het zal iedereen, die met wateroverlast te maken heeft gehad, bekend voorkomen: het snel wassende water verrast en dan is het redden wat er te redden valt. In het geval van het klooster der Annunciaten voer zelfs een boot het slot binnen om wat spullen in veiligheid te brengen en pater Matijs Canisius moest op het ocsaal (de ruimte meestal boven de ingang van de kerk, waar vandaan het koor zingt) comen om ons op onsen choor de biecht te hooren.  Drie dagen duurde het hoogwater, vooraleer het zakte en toen het zich een eind had terug getrokken stortte een deel van de stadsmuur met donderend geraas in.

 

We maken een sprong van enkele eeuwen: 1993. Men was gewaarschuwd; bij Borgharen en Itteren hadden de hoge waterstanden reeds alle alarmbellen doen afgaan. Op 20 december spoelde de watervloed Limburg binnen en hield daar vervolgens tien dagen vreselijk huis. Een vijfde van de provinciale oppervlakte kwam onder water te staan, bijna 46.000 hectare. 6900 woningen kregen te maken met wateroverlast en ruim 12.300 mensen moesten tijdelijk hun huis verlaten; in Venlo waren dat er zo’n 2300, in Arcen en Velden – destijds nog niet bij Venlo gevoegd – 1500. De materiële schade Limburg-breed bedroeg maar liefst 250 miljoen gulden, circa 120 miljoen euro.

Twee jaar later op herhaling en toen werden  in allerijl (nood-)maatregelen getroffen om niet nog eens onaangenaam te worden verrast. De toenmalige burgemeester van Venlo, John van Graafeiland, schreef in december 1995 de bewoners van Venlo beneden de 19.00 meter NAP een brief, mede namens diverse betrokken instanties: het is u bekend dat de gemeente Venlo eigenlijk een hogere beschermingshoogte had willen hebben dan de 18,50 meter NAP die we nu hebben. Daartoe waren wettelijk geen mogelijkheden. Gelukkig hebben wij bij de uitvoering van de kades goede afspraken kunnen maken met het Waterschap, zodat wij toch bij grotere hoogtes dan 18,50 NAP de stad nog een tijdlang kunnen vrijwaren van wateroverlast.

2021: Het water kwam niet boven de kademuren.

2021: In Zuid-Limburg is de ellende door weer een watersnood zeer groot. Venlo houdt het relatief droog. Inderdaad de kademuren en de demontabele waterkeringen doen waarvoor zij zijn aangebracht.

Reageren? Stuur Albert Lamberts: albertlamberts@home.nl.

 

De Halte XXL van woensdag 3 augustus 2022 - Knuffel kruisbes, spruit en prei

 - door Sef Derkx/foto's auteur en uit particuliere collectie  - 

Dichter en tuinman Herman Verweij sproeit water in de Ecologische Stadstuin Venlo Oud-Zuid. Tijd heeft hij nu niet voor ons. We kunnen rustig rondkijken. Blijkbaar bedenkt hij zich, want hij legt de waterslang op de grond en snelt de kas in. 


We krijgen een gedicht aangereikt, waarin we niet alleen worden aangespoord onze ogen uit te kijken, maar ook: Knuffel kruisbes, spruit en prei/Pluk de klaproos en de wilde cichorei

We zijn vandaag uitgestapt aan de Emmastraat. Bij de halte voor het appartementencomplex De Beeldenfabriek. De naam en enkele grote beelden van heiligen in een vitrine herinneren aan de Beeldenfabriek Sint-Joseph. Na decennialang leegstand werd het pand in 2008 gesloopt. Een vaste lezer van De Halte schreef ons onlangs dat het tijd werd om Venlo-Zuid te bezoeken. De ecologische stadstuin en de Mariakerk stonden al langer op ons programma. Vandaar.


De Mariakerk is het laatste bedehuis dat de Roermondse architect  Pierre Cuypers (1827-1921) heeft ontworpen. Zijn naam wordt meestal in een adem genoemd met het Rijksmuseum en Centraal Station in Amsterdam. Cuypers ontwierp echter bovenal aan de lopende band kerken, kapellen en kloosters. Bovendien was hij bij de restauratie van religieuze gebouwen betrokken. Cuypers had zich verdiept in de constructies van de middeleeuwse gotiek en paste gemetselde gewelven toe. Dat was lang niet meer gebeurd. De Mariakerk in Venlo werd gebouwd in de jaren 1913 en 1914. Naar verluidt kwam de destijds al stokoude Cuypers de vorderingen in ogenschouw nemen. Hij zou zelfs de toren in aanbouw zijn beklommen. Zijn begeleiders hadden geprobeerd hem ervan te weerhouden, maar die raad sloeg hij in de wind.

Er valt iets op, als je kijkt naar oude prentbriefkaarten. De originele toren is veel hoger dan de huidige. Vanaf 3 december 1944 was Venlo frontstad en de Maas frontlinie. Vanuit Blerick werd de toren van de Mariakerk door de geallieerden beschoten. Met succes. De spits werd weggevaagd, de kerk kreeg tientallen inslagen van kogels. 

Al eerder was een bom bij de kerk gevallen, die veel schade had veroorzaakt. Vanaf 1947 volgden de herstelwerkzaamheden, waarvoor architect Frans Stoks tekende. Door een tekort aan bouwmaterialen in deze jaren van schaarste, werd de toren lager herbouwd. De oorspronkelijke achtkantige spits werd vervangen door een lagere spits met ruitdaken. Een tijdelijke oplossing, werd gezegd. Ooit zou de originele toren weer in volle glorie bij de kerk prijken. Het is er niet van gekomen. Tijd om de kruisbes te knuffelen.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.