door Jos Wolbertus
Voorwoord
Wat
aanvankelijk een zoektocht zou worden naar de geschiedenis van het in Tegelen
ondergedoken meisje Fanny Friedmann, groeide uit tot een veel aangrijpender
verhaal dan voorzien. Haar naam vormde het beginpunt, maar al snel dienden zich
andere personen en verbanden aan — onder meer de families Sonnenberg en Hegner
— die het beeld verdiepten en verbreedden.
Gaandeweg
ontvouwde zich een geschiedenis die niet alleen werd gekenmerkt door onderduik
en hoop op overleving, maar ook door de harde realiteit van deportatie, verraad
en uiteindelijk moord. Tegelijkertijd werd zichtbaar hoe in deze periode ook
sprake was van onteigening en diefstal, waarbij bezittingen van Joodse families
werden ontnomen en verhandeld.
De
levens van de families Friedmann, Sonnenberg, Silbermann en Hegner raakten
ongewild verweven met elkaar zonder dat de Joodse families hier inspraak op
hebben.
Bronnen
Voor
dit onderzoek heb ik vele bronnen kunnen raadplegen. Allereerst natuurlijk de
familie Wienen, in het bijzonder Annelies Wienen. Het voormalige woonhuis van
de familie Wienen, Nachtegaalstraat 56 in Tegelen, was het 2e onderduikadres
van Fanny Friedmann. Zij verbleef hier tot na de oorlog onder de naam Fanny de
Groot.
Ook
via de websites van Yad Vashem, het Amsterdams Archief, Delpher, Amsterdam
Monumentenstad, Arolsen Archives, historisch Sneek en het Archiv Düsseldorf heb
ik veel informatie kunnen verzamelen. Daarnaast heeft het rapport Buiten Beeld,
opgesteld door Jos Benders en Ragdy van der Hoek in opdracht van de gemeente
Venlo, diverse inzichten gegeven. Maar zeker ook het interview dat Fanny op 23
december 1997 gaf voor Yad Vashem, waarin zij haar herinneringen liet
vastleggen, vormde een waardevolle bron. Herinneringen die — mede gezien haar
jonge leeftijd van zes jaar tijdens de oorlog en de verstreken tijd tot het
interview— mogelijk niet op alle punten volledig accuraat zijn.
Hierdoor
heb ik niet alleen informatie over Fanny Friedmann kunnen achterhalen, maar ook
over haar familieleden, het bedrijf Sonco waarvan haar vader directeur was, en
over de Duitsgezinde nieuwe verwalter/eigenaar van het bedrijf, Franz Erwin
Hegner.
Vele
namen spelen een rol in het leven van Feiga Fani Friedmann, zoals haar naam in
het Hebreeuws wordt geschreven. Uiteraard haar familieleden: haar vader Jakob
Salomon Friedmann, haar moeder Liebe Friedmann-Sonnenberg, haar broers Benno,
Emil en Moritz, en haar zussen Toni en Esther. Daarnaast haar tante en oom
Silbermann, Paulina Smejkal, haar eerste onderduikadres, de familie Wienen,
Hegner, de Verwalter van de firma Sonco en natuurlijk haar man Jzchak
Heiselbeck.
Feiga
(Fanny) Friedmann (1936–2002)
Feiga
Fani Friedmann wordt op 16 oktober 1936 in Amsterdam geboren. Haar Joodse
ouders zijn Jakob Salomon Friedmann en Liebe Friedmann-Sonnenberg. Vader
Salomon is geboren in het Poolse Czeszów, moeder Liebe in het eveneens Poolse
Łańcut. Verder bestaat het gezin uit drie broers, Benno, Moritz en Emil, en de
zusjes Toni en Esther. Buiten Fanny en Esther zijn de overige kinderen in
Duitsland geboren, onder andere in Berlijn en Duisburg. Uiteindelijk zullen
alleen Fanny en Esther de oorlog overleven. De overige gezinsleden komen in de
concentratiekampen om het leven.
In
het interview dat Fanny in 1997 gaf, vertelt zij hoe haar vader in Amsterdam
terechtkwam. Na hun huwelijk vertrekt het echtpaar naar Berlijn om daar een
onderneming op te zetten. Een onderneming die volgens Fanny “matzliach with
parnossa” was, oftewel niet succesvol.
Op
aanraden van Lieser Sonnenberg, een broer van Liebe Sonnenberg, verhuist het
hele gezin in 1933 naar Amsterdam. Lieser (Leo) en zijn broer David Sonnenberg
zijn in Amsterdam een tricotagefabriek begonnen onder de naam Sonco’s
Tricotagefabriek. In deze fabriek, gelegen aan de Plantage Muidergracht 85,
worden niet alleen dames- en herenondergoed gemaakt, maar ook polohemden en
trainingspakken voor kinderen.
Prinsengracht 24, Amsterdam. Bron: Monumentenstad
Amsterdam
In
eerste instantie gaat het gezin op de Prinsengracht 24 driehoog wonen, om
uiteindelijk een definitieve woning te vinden aan de Amstel 107 tweehoog in
Amsterdam.
Fanny
en haar zuster Esther bezoeken geen school in Amsterdam maar hebben tot aan het
begin van de oorlog een redelijk onbezorgd leven met spelen op de straten van
Amsterdam. Toni, de oudste zuster volgt
de huishoudschool. Oudste zoon Benno wordt ingeschreven in een “hachshara”
kamp. Een opleiding om jonge Joodse mannen voor te bereiden om naar Israël te
gaan. Na enkele maanden komt hij echter weer naar huis.
Salomon
blijkt voor zijn drie zoons en de oudste dochter Toni een plek te hebben
gevonden in de Jodenraad. Een positie die, althans in 1e instantie, veiligheid
biedt tegen deportatie.
Uit
interview met Fanny Friedmann:
That
is the thing. When people told my father, “You have to do this. You have to
flee. Pack,” and all these kinds of things, “Hitler is poisoning Jews, he is
killing Jews, he is hanging Jews,” my father, “What? What are they talking
about? Cultivated Germans? I lived among the Germans. Okay, they sent the Jews
in working camps. They’ll have to work, labour camps. If you’re healthy, if you
are young, it’s not so bad.” He couldn’t believe it.
Vertaling:
“Dat was juist het probleem. Toen mensen tegen mijn vader zeiden: ‘Je moet dit
doen. Je moet vluchten. Pak je spullen,’ en al dat soort dingen — ‘Hitler
vergiftigt Joden, hij vermoordt Joden, hij hangt Joden op’ — reageerde mijn
vader met: ‘Wat? Waar hebben ze het over? Beschaafde Duitsers? Ik heb tussen de
Duitsers geleefd. Goed, ze sturen Joden naar werkkampen. Dan zullen ze moeten
werken, arbeidskampen. Als je gezond bent, als je jong bent, dan valt het nog
wel mee.’ Hij kon het eenvoudigweg niet geloven.”
Hiermee is duidelijk dat Salomon Friedmann het nazi regime en zijn beleid wat Joden betreft ernstig onderschat. Iets wat uiteindelijk de dood van bijna het gehele gezin betekent. Alleen Fanny en Esther overleven de holocaust.
Wehrpass Trampusch
1942. Bron: Niod, Bron: collectie
248-A2410.
Heinz
Trampusch, helpende hand in het zoeken naar onderduikadressen
Uit
het interview vrij vertaald: In de buurt van de woning van de familie Friedmann
was een snoepwinkel waar de zusjes Fanny en Esther snoep halen. In deze winkel
werkt de studente Rachmones. Haar professor is de Oostenrijkse Heinz Trampusch.
Deze is Oostenrijk ontvlucht en heeft nieuw werk in Amsterdam gevonden. Echter
ook in Nederland heeft Trampusch grote problemen met de opvattingen van de
bezetter. Trampusch verzamelt een groep studenten om zich heen om zodoende
onderduikadressen te vinden voor met name Joodse kinderen. Via de studente
Rachmones komt Trampusch in contact met Salomon Friedmann en verzoekt hem om
alle zes de kinderen te laten onderduiken.
Het
antwoord van Salomon: “‘Ben je gek? Ze zouden onrein voedsel moeten eten
(traifes)? Mijn jongste zoon moet nog bar mitswa worden. Hoe is dat mogelijk?’
Zo erg zal het wel niet zijn. Laat ze maar een beetje werken.’”
Na
aandringen van Trampusch om toch de twee jongste mee te geven gaat Salomon
overstag en mogen zij mee naar de, zoals hij het noemt “goyim”, de niet-Joden.
Deze “goy”werd Paula Sjmekal.
De 37-jarige dr. H.A.L. (Heinz) Trampusch, is een Oostenrijkse bioloog. In 1936 is hij vanwege zijn gemengde huwelijk met de Joodse Alice Badian zijn baan aan de universiteit van Bonn kwijtgeraakt. Hij vertrekt naar Amsterdam, waar hij bij de medische faculteit aan de Universiteit van Amsterdam als volontair aan de slag gaat. Na de Anschluss van Oostenrijk besluit de socialistische Trampusch in Nederland te blijven en laat zijn vrouw overkomen. Tijdens de bezetting is hij betrokken bij clandestien onderwijs en helpt hij Joodse kinderen onderduiken. In de winter van ‘44-‘45 komt er onder Trampusch’ (schuilnaam Jankees) leiding een RVV-Studentencompagnie die uiteindelijk deel zal gaan uitmaken van Three Castles.
Paula Smejkal
Paulina
( Paula) Smejkal
Paula Smejkal is een Oostenrijkse vrouw die met haar verloofde en Joodse vriend Franz Kraus in 1938 naar Nederland is gevlucht in de hoop hier te kunnen trouwen en een nieuw leven te kunnen opbouwen. Het stel vindt onderdak in een huur appartement aan de Zijlweg 122 in Haarlem.
Woning Zijlweg 122, Haarlem,
het 1e onderduikadres van Fanny
Zover
zal het echter niet komen. Franz Kraus wordt opgepakt en naar Mauthausen
gestuurd waar hij zal te komen overlijden. Paula, inmiddels in verwachting van
Gertrude, neemt de beide zusjes op in het gezin. Buiten de twee zusjes
Friedmann wordt ook een meisje met verstandelijke beperkingen opgenomen. Als
uiteindelijk blijkt dat dit te gevaarlijk wordt regelt Heinz Trampusch voor de
beide zusjes een nieuw onderduikadres, Fanny gaat in de zomer van 1943 naar
Tegelen, Esther in de hongerwinter van 1944 naar Sneek. Na afloop van de oorlog
keert Paula Smejkal en haar dochter terug naar Wenen.
In haar interview vertelt Fanny een andere versie over de reden dat zij moest vertrekken uit Haarlem. Volgens haar werden er in de buurt vragen gesteld waarom zij niet naar school ging. Omdat reguliere scholen Joodse kinderen weigerden was de enige optie een klooster. Omdat Salomon Friedmann al problemen had dat zijn dochters naar niet Joodse mensen moesten zou een school in een klooster de reden kunnen zijn dat hij zijn dochters terug naar huis wilden halen. Daarvoor werd besloten dat Fanny naar het “katholieke” zuiden moest vertrekken. Omdat daar de zusters van de verschillende katholieke ordes ook les gaven op scholen was de kans “zusters willen het altijd goed doen” dat zij daar werd geaccepteerd. Ook zou de kans op ontdekking in een klein dorp kleiner zijn dan in een grote stad.
Echtpaar Wienen.
Collectie: familie Wienen
Winand en Marga Wienen – Bongers
Op
4 januari 1938 trouwt de in 30 – jarige in Dūsseldorf geboren Winand Wienen met de 21 jarige
Venlose Margaretha ( Marga) Bongers. Winand werkt in 1e instantie bij de
beeldenfabriek St. Jozef in Venlo maar wordt later verzekerings- agent bij het
verzekeringsbedrijf Concordia. Ook wordt Winand “zaalhouder” in de Haandert.
Hij is hier in dienst van de parochie en zorgt voor het beheer van de zaal.
Iets dat niet altijd soepel verloopt. Later zal hij een zeer gewaardeerde
medewerker worden bij de L.T.S., Lager Technische School, in Tegelen.
Bij Marga Bongers staat als beroep “kostuumnaaisters”. Een beroep waar ze na haar huwelijk niet meer actief in is.
Echtpaar met Fanny, ingang bovenwoning Nachtegaalstraat.
Als het echtpaar trouwt betrekken ze in 1e instantie een bovenwoning aan de Mariastraat 1. Later verhuizen ze naar een bovenwoning op de Nachtegaalstraat 56. Op 6 maart 1945, vijf dagen na de bevrijding, wordt dochter Maria geboren. Helaas overlijdt zij op 22 maart 1945, slechts 17 dagen oud. Nadien volgen nog drie kinderen.
Nadat
besloten is dat het verblijf bij Paula Smejkal te gevaarlijk wordt, zoekt men
een nieuw onderduikadres welk gevonden wordt bij de familie Wienen, Winand en
Marga, die een bovenwoning aan de Nachtegaalstraat 56 in Tegelen bewonen. Zij
reist per trein van Haarlem naar Tegelen, een gevaarlijke reis omdat Fanny,
zoals zij zelf schrijft, een Joods uiterlijk heeft. Een reis die ze, zo is in
haar interview te lezen is:
“In any case, I was travelling for hours
alone and I knew at the end of the trip somebody would be there to pick me up,
but imagine, a child from seven years old travelling alone for hours and you
don’t know who is coming to pick me up.”
en
“And
there Professor Trampusch, his students used to ask the vicars, the reverends
from all those little towns, “Do you know families who would take in Jewish
children?”
“I
was travelling for hours alone” laat Fanny in haar interview vastleggen. Kan
zij, een Joods kind van 7 jaar alleen gereisd hebben door een bezet Nederland
waar de “jacht” op Joden in volle gang is?
Het
is goed mogelijk dat de verzetsgroep van Heinz Trampusch, bestaande uit
studenten, gebruik maakt van een landelijk netwerk van studenten om met name
Joodse kinderen onder te brengen. Deze Amsterdamse groep heeft ook contact met
onder andere de Venlose Joe Russel om kinderen in deze omgeving onder te
brengen. Maar ook via de verzetsgroep van Hanna van der Voort uit Tienray die
ook betrokken was bij het zoeken naar onderduikadressen voor Joodse kinderen en
zodoende ook contacten heeft met de studenten.
Mogelijk heeft een van deze studenten Fanny begeleid op haar reis van
Haarlem naar Tegelen. Een treinreis waar men diverse keren moet overstappen wat
voor een 7-jarige, zeker in oorlogstijd, erg moeilijk moet zijn geweest. Een
veronderstelling uiteraard.
Volgens
Fanny zou het Trampusch zelf zijn geweest die haar op het station in Tegelen
zou hebben opgewacht.
Er is wat onduidelijkheid wanneer Fanny de identiteit van Fanny de Groot krijgt. Fanny de Groot zou een meisje zijn dat bij de bombardementen op Rotterdam op 14 mei 1940. In haar interview twijfelt zij hierover, was het al in Haarlem of pas in Tegelen. Om betrouwbaar over te komen moet Fanny de geschiedenis van de aangenomen identiteit overnemen, wie is Fanny de Groot, waar woonde ze, wie waren haar familie enzovoorts.
Fanny op school in
Tegelen. Collectie: familie Wienen
Fanny
voelt zich snel thuis in Tegelen. In 1e instantie volgt zij hier regulier
onderwijs. Ze leert zelfs de catechismus uit haar hoofd. Tijdens een voordracht
hierover wint ze zelfs een keramieken kruis.
Ze is hier super trots op. Als de bezetter de school overneemt voor
inkwartiering krijgt Fanny thuis les van het echtpaar Wienen.
Fanny:
“That was such a warm family. I got a bike, real bike. . It was such a good
time. These people were great, they were great. They loved me and I loved
them.”
Fanny:
“Later werden de scholen gesloten omdat de Duitsers de schoolgebouwen
gebruikten voor hun leger, voor de soldaten. En mijn tante — ik noemde ze oom en tante — wilde niet dat
ik na de oorlog weer in de eerste klas zou moeten beginnen. Ze gaf me les, ze
kocht een rekenboek en een Nederlands taalboek. En elke ochtend moest ik mijn
Nederlandse ‘alfabet’ oefenen en mijn ‘één en één is twee’ maken enzovoort. Ik
had er een hekel aan, maar er was geen pardon.” ’s Middags werd er buiten
gespeeld met de buurmeisjes. Op de vraag of zij haar ouders in deze periode
miste antwoord Fanny: “Nee, helemaal niet.”
Maar
ze maakt ook hachelijke momenten mee. Met name als een Duitse officier
ingekwartierd wordt bij de familie Wienen en hij bemerkt dat Fanny een geheel
ander uiterlijk heeft dan haar oom en tante. De opmerking van Winand Wienen dat
Fanny de dochter van zijn zus is kan de officier niet overtuigen.
De
officier: „Was ist das für ein Mädchen dort? Sie sieht sehr Jüdisch aus. Mijn
oom: „Was? Wie kommen Sie denn auf diese Idee?“ Nun, sie hat eine typisch
jüdische Nase. En dan, alsof het van tevoren is afgesproken: „Nein, Sie ist die
Tochter meiner Schwester. De officiier: „Nun, Sie hat eben so eine jüdische
Nase. Mijn oom „Sie hätten erst einmal die Nase meiner Schwester sehen sollen.
Waarop de officier weer antwoord: „Herr Wienen, glauben Sie, dass ich gerne in
der deutschen Armee bin? Ich habe auch eine Frau und Kinder.“
En
daarmee is de zaak afgedaan.
Winand
en Marga respecteren het Joodse geloof van Fanny. Er wordt geen enkele poging
ondernomen om haar op andere gedachten te brengen. Fanny wordt voorgehouden dat
zodra haar ouders weer terugkomen zij weer naar Amsterdam terug gaat. Haar
wordt alleen gevraagd zich gedurende het verblijf in Tegelen als een
“katholiek” te gedragen en niet als een Joods meisje. Dit puur voor haar eigen
veiligheid. Daarom wordt ook de familie van Winand en Marga niet ingelicht over
de herkomst en geloof van Fanny.
Op 5 juni 1969 schrijft Fanny vanuit haar woonplaats Luzern hierover:
“Hoe
ouder ik wordt en hoe groter mijn familie wordt temeer besef ik hoe geweldig
datgene was wat u toentertijd, onder eigen levensgevaar voor een Joods kind
heeft gedaan hebt. Niet alleen dat ik goed geborgen bij U was, U zorgde ervoor
dat ik leerde en huiswerk maakte gedurende de tijd dat er geen school was. U
hebt zich nooit minderwaardig over de Joden uitgelaten in de vorm van “de Joden
hebben Jezus vermoord”, wat vele andere pleegouders wel hebben gedaan, speciaal
diegene die dachten een zieltje te winnen.”
Wat
gebeurt er ondertussen in Amsterdam?
Omdat er een groot onderzoek wordt ingesteld naar de “Verwalter” van Sonco’s tricotage, het bedrijf van Fanny’s vader en oom, zijn er proces verbalen opgemaakt en zijn er talloze interviews met betrokken personen gevoerd. Deze proces verbalen zijn bewaard gebleven zodat we een goed inzicht krijgen wat er is gebeurd met de familie Friedmann en met het bedrijf.
Briefhoofd
Sonco’s Tricotagefabriek. Bron: Amsterdams Archief
Even terug naar januari 1931. In dat jaar beginnen de broers Leo en David Sonnenberg aan de Plantage Muidergracht 87 in Amsterdam een tricotagebedrijf voor de vervaardiging van ondergoed, polo-hemden en trainingspakken. Op 10 januari 1933 treedt David Sonnenberg uit als directielid en neemt Jakob Salomon Friedmann de leiding, samen met zijn zwager Leo Sonnenberg, over.
Vermelding
1e inschrijving bedrijf op 30.01.1931. Bron: Amsterdams Archief PV Politie
Amsterdam 2 juni 1948.
In 1937 zoekt de zaak een wever en komt men in contact met Franz Hegner die al ervaring heeft opgedaan in onder andere Rotterdam en Tilburg waar hij als bedrijfsleider bij een weverij werkte.
Links witte gebouw Plantage
Muidergracht 87
Vanaf 3 februari 1942 verandert er iets. Ingevolge de verordening dat Joodse bedrijven onder toezicht moeten worden gesteld van een zogenaamde “Verwalter” wordt Duitse Franz Erwin Hegner aangesteld als beheerder van het bedrijf Sonco’s Tricotage. David Sonnenberg heeft eerder al geprobeerd de zaak te verkopen aan een bevriend zakenpartner, de heer Arthur Fugel uit Den Haag. Deze krijgt echter te horen dat men een betere beheerder heeft gevonden en tevens werd hem medegedeeld dat hij zich minder met Joden moest ophouden, dit kan wel eens slecht voor hem aflopen.
Verklaring
Fugel in verband met overname. Bron PV Politie Amsterdam 1948, Amsterdams
archief
Franz
Erwin Hegner, geboren op 1 mei 1894 in Stuttgart. De wever van beroep, is getrouwd met de Belgische Theresia Loots.
Het gezin gaat in 1e instantie in Rotterdam wonen, verhuist in 1933 naar
Tilburg waar hij in 1936 wegens bedrijfsspionage voor de Duitsers wordt
ontslagen Het gezin verhuist in 1937 naar Brunssum. Het echtpaar krijgt twee zonen.
In
1937 verhuist de familie wederom en nu naar Amsterdam waar hij een baan bij de
firma Sonco’s krijgt aangeboden. Naast zijn beroep als wever onderhoudt hij ook de machines die in de
weverij staan.
Vanaf
1940 laat Franz Hegner echter een geheel ander gezicht zien. Aan zijn woning
wappert de hakenkruis vlag, zijn zoon sluit zich aan bij de Hitlerjugend en
buurtgenoten maken melding dat Hegner geamuseerd staat te kijken als Joodse
gezinnen in zijn straat worden opgepakt. Verder is hij lid van de
“Sozialistische Volkswohlfahrt” en van het “Deutsches Arbeitersfront”.
De
SVW was een aan de NSDAP gelieerde liefdadigheid instelling die echter ook
actief was om alle Joodse instellingen op dit gebied te beperken.
DA was de aan de NSDAP gelieerde nationale arbeidersorganisatie die alle vakbonden verving.
Advertentie voor een “Arische”
directrice. Bron: Delpher
Op
12 maart 1941 kondigt de bezetter de verordening VO 48/1941 af welk bepaalde
dat kleine Joodse ondernemingen geliquideerd en grote of economisch belangrijke
Joodse ondernemingen geariseerd moeten worden, met andere woorden: ze moeten
worden voortgezet door niet-Joden.
Uiteindelijk zal op 2 februari Franz Hegner aangestelt worden als “Verwalter” van Soncoi’s tricotage. Tevens krijgt hij een dezelfde functie bij de Handelsvennootschap Blok in Den Haag.
Uitsnede
klaagbrief Hegner over achterstallig salaris. Bron: Amsterdams Arfchief
Hegner
laat er geen gras over groeien en schrijft al op 7 februari 1942, vijf dagen na
zijn aanstelling als “Verwalter”een brief
aan de “Wirtschaftsprūfstelle” ( bureau voor economisch onderzoek)
waarin hij klaagt over de directeuren Sonnenberg en Friedmann. Deze zouden zijn
overuren niet uit willen betalen. Hiermee probeert hij, en wat later succesvol
blijkt te zijn, de Joodse eigenaren in een kwaad daglicht te plaatsen. Ook de
inmiddels aangestelde accountant G. Raadsheer (lid van de N.S.B.) doet een duit
in het zaakje door te beweren dat de beide directeuren teveel salaris hebben
ontvangen en dat daarmee het bedrijf benadeeld zou zijn. Ook zouden ze stoffen
ter waarde van fl. 100.000,00 hebben verduisterd.
Ontslag Sonnenberg en Friedmann. Bron: PV Amsterdamse Politie 1948. Amsterdams Archief
Op 28 februari 1942 worden beide directeuren, Sonnenberg en Friedmann, ontslagen door Hegner en met hen het gehele Joods personeel. In oktober 1943 haalt Hegner fl. 200.000 uit het bedrijf, stort daarvan fl. 100.000 in de kas van de Wirtschaftprūfstelle en wordt daarmee eigenaar van het bedrijf. Hij benoemt zichzelf tot directeur van Sonco’s. De accountant Raadsheer wordt plaats vervangend directeur van de firma en de boekhouder Jan Sparnaay wordt procuratiehouder.
Aanstelling
Hegner als “Verwaltingstreuhändler. Bron: PV 1948 Amsterdamse politie.
Amsterdams archief
Afnemers
van de goederen van Sonco’s moeten vanaf dan twee tot viermaal zoveel betalen
voor de goederen die geleverd worden.
Ook van de firma Blok waar Hegner is aangesteld als “Treuhändler” wordt
de bedrijfskas leeg geroofd..
Hegner begint op de illegale markt machines te verkopen en trekt zodoende het hele bedrijf leeg. Ondertussen laat hij op eigen naam, op naam van zijn vrouw en zonen diverse rekeningen openen in zowel Nederland alsook in Duitsland en stort daarop aanzienlijke bedragen. Ook verdwijnen er stoffen uit het bedrijf, iets waarvan hij de directeuren zelf van heeft beschuldigd. Als de boekhouder vraagt waar de stoffen zijn krijgen ze horen dat ze zich daar niet mee moeten bemoeien.
Overzicht
personeel Sonco waarvan de meeste de holocaust niet hebben overleefd.
In september 1944 sluit Hegner het bedrijf. Enkele dagen na de bevrijding wordt hij door de Binnenlandse Strijdkrachten opgepakt. Later wordt hij door de Amerikanen veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf in verband met smokkel van deviezen. In december 1947 verlaat Hegner, inmiddels gescheiden, Nederland.
Verklaring over Hegner als fel partijlid. Bron: Amsterdams Archief
Het
is met name door deze Franz Hegner dat zowel de familie Sonnenberg alsook de
familie Friedmann wordt opgepakt en uiteindelijk in Sobibor wordt vermoord.
Maar ook de huishoudster van de familie Friedmann speelt een rol zo verklaart
Fanny in haar interview.
Nadat
haar vader en haar broer zijn opgepakt wenden moeder en de overige kinderen
zich tot hun huishoudster voor hulp. Ze bieden haar een bontjas, een Perzisch
tapijt en geld aan om hun te helpen. Ondanks dit verraad de huishoudster de
familie aan de Duitsers en worden ze opgepakt.
“The
char-woman, cleaning lady, but she was not very faithful. After three days, for
a little bit money from the Germans, she gave them over as well”.
Via Westerbork, waar ze maar kort verblijven, worden ze naar Sobibor gebracht waar ze in mei 1943 worden vergast.
Een van de registratielijsten voor Sobibor met daarop de naam Liebe Friedmann-Sonnenberg, de moeder van Fanny. Bron: Arolsen archives
Terug
in Tegelen
Fanny
blijkt totaal geen weet te hebben van wat er allemaal in Amsterdam is gebeurd.
Hoe ook? Ze weet niet dat haar familie, op Esther na, is vermoord in Sobibor,
geen weet dat het bedrijf inmiddels is gesloten maar ook geen weet wat er met
Esther is gebeurd.
Links Fanny als bruidsmeisje bij het huwelijk Bongers – van Oyen. Collectie: familie Wienen
Zij is inmiddels zo “ingeburgerd” dat zij in
juli 1944 als bruidsmeisje meeloopt bij het huwelijk van de familie Bongers –
van Oyen.
Als
Tegelen op 1 maart 1945 wordt bevrijdt is het voor Fanny duidelijk. Ze wil graag
bij de familie Wienen blijven. Uiteindelijk melden zich een tante en oom van
Fanny in Tegelen om hun nichtje op te halen, de familie Silbermann –
Sonnenberg. Het echtpaar Silbermann verblijft gedurende de oorlogsjaren in het
neutrale Zwitserland.
Familie Silbermann met Fanny, links, en haar zus Esther. Geheel rechts een
familielid overgekomen uit Amerika. Collectie: familie Friedmann
Fanny
in haar interview: “Na de oorlog verbleef ik bij mijn oom en tante, zeer
orthodoxe (‘frum’) Joodse mensen, maar daaraan heb ik minder warme
herinneringen. Ik begrijp nu waarom zij zich zo gedroegen; daar heb ik veel
begrip voor. Maar als kind had ik dat begrip niet en had ik een moeilijke tijd.
Bij die ‘goyim’, tijdens de oorlog, heb ik de mooiste herinneringen van allemaal.”
Via
Den Haag verhuizen ze uiteindelijk naar Amsterdam. In 1e instantie gaat zij
daar na school maar al snel moet ze werken in de fabriek van haar oom.
In 1957 trouwt Fanny met Izaak Heiselbeck. Ook Winand en Marga wonen de huwelijksplechtigheid in de synagoge bij evenals het feest in het Krasznapolsky hotel. Direct naar het huwelijk verhuizen Fanny en haar man naar Zwitserland.
Het contact met de Tegelse familie blijft, er wordt over en weer gecorrespondeert en Marga en Winand bezoeken Fanny en haar man in Zwitserland. Uiteindelijk verhuisd zij naar Israël In 2002 komt Fanny te overlijden.
Esther Friedmann in
Sneek 1944. Collectie familie Friedmann
Esther Friedmann
Wat is er gebeurd met Esther? Nadat Fanny naar Tegelen is overgebracht moet ook Esther ergens anders onderdak krijgen. De toestand in Haarlem is onhoudbaar en veel ( ook niet Joodse) kinderen worden via het IJsselmeer overgebracht naar Friesland waar de levensomstandigheden beter zijn.
Esther
haar “onderduik moeder” mevrouw Twijnstra met haar Yad Vashem onderscheiding.
In
de hongerwinter van 1944 maakt Esther, samen met 31 andere kinderen, de
overtocht naar Sneek waar zij onderdak vindt bij de familie Twijnstra. Zij
krijgt hier de schuilnaam Dora Derksen. Ook Esther gaat gewoon naar school
hoewel de leerkracht erg argwanend is.
In
mei 1946 wordt Esther ook opgehaald door
haar oom en tante Silbermann. Ook Esther wil niet terug naar Amsterdam maar wil
in Sneek blijven.
Samen
met haar man verhuist zij later naar Israël waar zij lerares Engels wordt.
Ontdekking
Na
de bevrijding wordt de onderneming weer opgestart. Het restant van de machines
wordt weer opgeknapt en de productie komt langzaam weer op gang. Omdat een van
medewerkers het gevoel krijgt dat het gebouw niet geheel toegankelijk is wordt
iemand van het Amerikaanse leger gevraagd om met een metaal detector de fabriek
te onderzoeken. Men ontdekt een “geheime” ruimte achter een gemetselde muur.
Als deze wordt opgebroken komen er allerlei voorwerpen tevoorschijn.
Fanny:“Het
zilver van mijn ouders. Een prachtige, grote chanoekakandelaar, twee prachtige
sjabbatkandelaars, een kiddoesjbeker, een kleine chanoekakandelaar – allerlei
soorten bestek – prachtige spullen. Toen vonden we ook potjes, glazen potjes of
edelsteenpotjes met daarin wat sieraden of gouden munten, voorzien van de namen
van de mensen aan wie ze toebehoorden. Bijvoorbeeld van Surule . Zij had mijn
vader enkele gouden munten gegeven die zij had meegebracht. Er was ook een
parelketting”.
Uiteindelijk
verhuist Fanny, via Zwitserland, samen met haar gezin naar Israël. Ook Esther
verhuist naar Israël en sticht daar een gezin.
Contact
Fanny blijft contact houden met de familie Wienen waar ze zo goed is opgevangen. Haar brieven naar Tegelen beginnen vaak met “Lieve oom en tante”. Een duidelijk signaal. Zij bezoekt Tegelen en het echtpaar Wienen zoekt Fanny en haar gezin op in Zwitserland.
Collectie
familie Wienen
Op
19 december 1980 ontvangt Winand en Marga Wienen uit handen van de Israëlische
ambassadeur de Yad Vashem onderscheiding voor hun inzet voor het redden van
Joodse medeburgers.
Na
haar overlijden blijven ook de kinderen van beide families nog contact met
elkaar houden.
Extra documentatie
Registratiekaarten Joodse Raad. Gesperrt betekent hier voorlopig geen deportatie. Bron: Stadsarchief Amsterdam
De familie Friedmann. zittend: Benno, Liebe Friedmann, Esther, Fanny en Jakob Friedmann. Staand: Toni, Emil en Moritz. Collecte: familie Friedmann
Geen opmerkingen:
Een reactie posten