- door Albert Lamberts -
Nadat het driemanschap Dielen, Meelkop en Rassaerts, dat de toekomst van het badhuis had onderzocht in relatie tot de gemeente, met zijn rapport de lezers eerst de schrik op het lijf had gejaagd door te stellen dat het badhuis geen gemeentetaak was, bleek, dat het drietal toch van mening was dat de gemeente het badhuis wél moest verwerven, maar vervolgens de exploitatie aan het Groene Kruis moest overdragen.
De directe buren van het badhuis waren de gasfabriek en de electriciteitscentrale (foto: collectie Albert Lamberts)
Op 5 juni 1916 ontving burgemeester Van Rijn een verzoek het onderwerp badhuis op de agenda voor de eerstvolgende raadsvergadering te zetten.
Burgemeester
Van Rijn, van beroep apotheker en als wethouder en bestuurder nauw betrokken
bij de volksgezondheid in de stad, die begin negentiende eeuw veel te wensen
overliet (hoge kindersterfte), was zelf een onvermoeibaar pleitbezorger van goede
hygiëne. Hij presenteerde het plan tot koop met redenen omkleed aan de raad van
Venlo. Uiteraard was het van het grootste belang dat ook degenen, die daar
thuis geen adequate voorziening voor hadden, zich tenminste éénmaal in de week
konden wassen. Duidelijk.
Voorts werd
gesteld dat de gemeente zelf een direct belang had om de beschikking te
hebben over bedoeld gebouw (badhuis dus), daar het in de onmiddellyke
nabijheid der gasfabriek en electrische centrale is gelegen, thans reeds in
gebruik bij die Gemeentebedrijven en (dat) steeds voor de Gemeente zyne waarde
blyft behouden. Bovendien kan de Gemeente evengoed blyven gebruik maken van de
bovenlokalen.
Dan nog het kostenplaatje. De Badhuis-Maatschappij vroeg 9000 gulden. De commissie van onderzoek inzake de overname schatte, na deskundigen te hebben gehoord, dat voor het in orde maken nog eens 2000 gulden nodig was. Er moest een nieuwe ketel komen, centrale verwarming moest worden geïnstalleerd, het verfwerk moest onder handen worden genomen, vloeren, pleisterwerk, riolering, daken, deuren en ramen moesten worden hersteld en vier nieuwe closets moesten worden aangeschaft. Kosten: 1250 gulden, dus goedkoper dan gedacht.
Het Groene
Kruis zou de inrichting exploiteren en vroeg een jaarlijkse garantstelling voor
eventuele tekorten van maximaal 860 gulden.
De commissie achtte het Groene Kruis dé aangewezen vereniging voor exploitatie van het badhuis, omdat die uitsluitend de volksgezondheid beoogt en het op haar weg ligt het baden en reinhouden der huid, ter voorkoming van ziekten, zoveel mogelijk te bevorderen.
Op 20
september 1916 ging de gemeenteraad akkoord, omdat het zeer te betreuren zou
zijn indien de gelegenheid tot het nemen van baden in den tyd dat de
rivierbaden niet meer kunnen worden genomen, zou worden ontnomen.
Bovendien
nam de raad in zijn overwegingen mee, dat een gedeelte van het gebouw voor de Gemeente
altyd zijne waarde blyft behouden.
Was daarmee nu alles geregeld? Zouden de Heeren Gedeputeerde Staten van Limburg hun fiat geven? Nou, er moest nog veel water door de Maas, voordat het badhuis zijn deuren weer kon openen.
Volgende keer: Vertraging door Gedeputeerde Staten
Reageren? Stuur Albert Lamberts een email; albertlamberts@home.nl.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten