vrijdag 5 juni 2020

Van nul tot nu - Het licht kwam uit Venlo


(door Albert Lamberts)

Een kousjesfabriek? Jawel, een kousjesfabriek. Geen onderneming die kousjes voor kinderen fabriceerde, maar een fabriek, die kousjes voor gaslampjes maakte. Zo eentje was er begin twintigste eeuw gevestigd in Venlo, om precies te zijn aan de Hogeweg, nabij de noordelijke entree tot het in die jaren aangelegde Wilhelminapark. Kampeerders weten precies wat een gloeikousje is: in feite een netje in ronde vorm gemaakt van materiaal, dat een helder wit licht verspreidt als het wordt verwarmd. De nieuwe fabriek kwam op pakweg een halve kilometer van een echte lampenfabiek: Pope. 

De onderneming had zijn thuisbasis in Düsseldorf, zo’n zestig kilometer over de grens bij Venlo. Waarom deze firma in Venlo een fabriek wilde vestigen vermelden de papieren niet. In en aan de randen van het centrum van Venlo waren toen overigens de nodige ondernemingen gevestigd, zowel aan de noord- als aan de zuidkant. Denk bijvoorbeeld aan de elektriciteitscentrale aan het Nolensplein en de houthandel van Van Liebergen aan de noordkant van Venlo. En natuurlijk Pope, de gloeilampenfabrikant, waarvan de fabriek sinds 1889 aan de Mercatorstraat lag. In Venlo-Centrum-Noord, zouden we nu zeggen. Later officieel N.V. Pope’s Metaaldraadlampenfabriek genoemd.



De fabriek van Pope aan de Mercatorstraat – Deken van Oppensingel (foto uit jubileumboek Zestig jaar Pope)

Tot ver in de twintigste eeuw werden er lampen geproduceerd. Ik vraag me trouwens wel eens af – dat even terzijde – wat er zou zijn gebeurd als Pope in 1896 de overname van Philips had gerealiseerd. Die overname ketste indertijd af op een bedrag van … 1000 gulden. Philips wilde 25.000 gulden en de eigenaren van Pope wilden niet verder gaan dan 24.000 gulden. Enfin, hoe dat verhaal is afgelopen is bekend: Philips nam bijna 40 jaar later Pope over - Pope was toen ook al gespecialiseerd in het trekken van het zo gewilde koperdraad, later geworden tot hoofdactiviteit – en begin deze eeuw verkocht Philips het bedrijf aan het Amerikaanse Belden. Trouwens: Belden Wire & Cable B.V. is - heel toepasselijk - gevestigd aan de Edisonstraat in Blerick.  En o, toevallig, dat afgelopen week bekend werd dat een Venlonaar, Roel Vestjens, topman is geworden van de kabelfabrikant.  

Goed, terug naar de gloeikousjesfabriek, die zich dus wilde vestigen in Venlo. Op 10 november 1908 gleed op het Venlose stadhuis een brief in de bus van de Gasglühlichtwerke UNIVERSUM uit Düsseldorf: de ondergeteekende firma “Gasglühlichtwerke Universum” te Düsseldorf heeft de eer onder overlegging der vereischte stukken, Uw college te verzoeken, haar vergunning te willen verleenen voor de oprichting eener gasgloeilichtkousjesfebriek met een gasmotor van 4 P.K. in de achterzaal op het perceel, kadastraal bekend gemeente VENLO, sectie A, No. 1344, plaatselijk gemerkt No. 6 en geleegen aan den Hoogeweg aldaar. Onder bemerking dat deze fabriek eene inrichting is in den zin der Veiligheidswet. Enkele dagen eerder had Venlo’s burgemeester Van Rijn ook al een dergelijk verzoek bereikt: … beabsichtigt in Venlo im Apollo-Saal eine Gas Glühstrumpf – Fabrik zu errichten. Apollo-zaal? Ja, de Apollo-zaal. Dat café had als adres Hogeweg 4. Herkennen we daar nog iets van? Jazeker wel. De Venlonazaal. 


De vroegere zaal Apollo aan de Hogeweg (foto uit jubileumboek Koninklijke Zangvereniging Venlona)

Wat lezen we in het mooie jubileumboek van de Koninklijke Zangvereniging Venlona? In september 1921 deden geruchten de ronde over de verkoop van de voormalige zaal Apollo aan de Hoogeweg 10, toentertijd in gebruik als magazijn voor levensmidelen door de Limburgsche Coöperatieve Inkoopvereniging. De huisnummering wijzigde nogal eens door bijvoorbeeld nieuwbouw.

Zaal Apollo had dus een andere bestemming gekregen en werd inderdaad in 1921 aan Venlona verkocht. En de Gas-Glühstrumpf-Fabrik? Het verzoek aan het college was Ingekoomen 10 November 1908. Zitting, 24 November 1908. Verleend, 8 December 1908. Precies vier weken na aanvraag was de vergunning verleend. De buren Derkx, Van Daelen, de weduwe Rauff-van Es, Jacobs en Boots hadden geen bezwaar. Op een kleine steenworp van elkaar een gloeilampenfabriek en een gasgloeikousjesfabriek. Jawel, het licht kwam uit Venlo. 

Het Duitse verzoek om een vergunning (foto Albert Lamberts)


Omslag dossier Hinderwet en grondplan Apollozaal (foto Albert Lamberts)

Reageren? Stuur Albert Lamberts een e-mail: albertlamberts@home.nl. 

donderdag 4 juni 2020

Halte XXL van woensdag 2 juni 2020 - D'n duusteren kerkhaof

(door Sef Derkx)
We lopen nog een keertje d'n duusteren kerkhaof  op, links van de Sint-Martinusbasiliek. In het Venloos dialect is het d'n haof, dus is het ook d'n kerkhaof. Tegenwoordig hebben dialectsprekers het echter over 't kerkhaof. Dialecten en talen veranderen, het Venloos dat rond de tafel bij onze grootouders is gesproken, verschilt van het dialect dat wij met onze kinderen en kleinkinderen spreken. Groenteboer Pierre Schreurs (1944-2019) vertelde me al zo'n twintig jaar geleden dat steeds minder Venlose klanten het in zijn winkel aan de Parade hadden over un hötje lauk. 

Goed, we lopen dus d'n duusteren kerkhaof op, onder de poort van de kruisheren door. 

 Kruisherenpoort (foto Jos Saris)

Kanonskogels uit de Tachtigjarige Oorlog? (foto Sef Derkx) 

Boven in de eerste steunbeer zijn twee kanonskogels ingemetseld. Rechts ervan, naast het glas-in-loodraam zien we nog een exemplaar. Naar verluidt zouden het kanonskogels zijn, die onder een beleg ten tijde van de Tachtigjarig Oorlog (1568-1648) op de vestingstad Venlo zijn afgeschoten.

Dichtgemetselde rouwdoorgang tussen kerk en duusteren kerkhof (foto Sef Derkx)

In het noordelijk schip van de Sint-Martinusbasiliek was de uitgang naar d'n duusteren kerkhaof. Nadat het kerkhof was opgeheven, in 1820, is deze dichtgemetseld. Aan de buitenzijde zien we de omlijsting van arduinsteen met sporen van zwarte verf en een  Gelderse roos in de bovendorpel. We komen de Gelderse roos eveneens tegen op een zuil iets verderop.



Hardstenen zuil met engel (foto Gemeentearchief Venlo)  

Een raadsel op d'n duusteren kerkhaof is de hardstenen zuil, bekroond met een uivormige knop en een Franse lelie. Op de schacht is halverwege in reliëf een gevleugelde engel uitgehakt die twee wapenschilden vasthoudt. Het rechter wapenschild bevat een tienbladige Gelderse roos en het linker drie ineengestrengelde vissen. De exacte betekenis van de zuil, die bekend staat als  'de Venlose perroen' is een mysterie. In 1891 staat de zuil op d'n duusteren kerkhaof achter het hoogaltaar. Hij wordt als volgt omschreven: 'steenen paal op een voetstuk die aan den Luikschen perron herinnert'. In 1937 neemt men aan dat er sprake is van een kerkhofkruis. Op basis van de stilistische kenmerken wordt de zuil gedateerd rond het midden van de vijftiende eeuw.  In de reeks Venlose Katernen verscheen als deel 16 'Op die Kerckestraet'. Koos Berghs gaat in een van de hoofdstukken uitgebreid in op het mysterie van 'de Venlose perroen'. Hij komt tot de voorzichtige aanname dat de zuil in de middeleeuwen op een juridische grens stond. De grens van het hertogdom van Gelre en van de enclave die de Sint-Martinuskerk was. In de loop van de tijd transformeerde de zuil tot een grafmonument. 
Detail stadsplattegrond Blaeu, links van de Sint-Martinuskerk staat de kapel van Onze Lieve Vrouw Inghendael (Gemeentearchief Venlo)

Op d’n duusteren kerkhaof lag in de zestiende en zeventiende eeuw een kapel genaamd Onze Lieve Vrouw ingen Dael. Over het ontstaan is niets bekend, in 1584 is sprake van die kerck ingenn daell. De kapel was in gebruik bij de broederschap van Onze Lieve Vrouwe Ingendaell, later het Akkermansgilde geheten. In 1736 werd bestek gemaakt voor: het aefbreken van het toorentien met het alt kercksken op den duesteren kerckhof  van oude mueren aen den voors. kerckhof. Het bedehuisje moest tot op de fundamenten worden gesloopt om plaats te maken voor een kruitmagazijn. Het Mariabeeld uit de kapel zou in 1647 verloren zijn gegaan. Sinds 1998 staat een nieuwe Onze Lieve Vrouw Inghendael in het overdag toegankelijke portaal van de Sint-Martinusbasiliek. Het is vervaardigd door een niet met name genoemde Venlose kunstenaar, naar een voorbeeld van een zestiende-eeuwse sculptuur. 



Portaal Sint-Martinusbasiliek en beeld Onze Lieve vrouw Inghendael (foto's Jos Saris)

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.   

Halte XL van woensdag 3 juni 2020 - D’n duusteren kerkhaof

(door Sef Derkx) 
Vissers zullen het een bijvangst noemen, maar door de fameuze anderhalve meter kunnen we momenteel een bezoek brengen aan een normaal afgesloten plek in de binnenstad, vroeger bekend als d’n duusteren kerhaof. Het klinkt mysterieus, toch? Duister kerkhof, het zou de titel kunnen zijn van een verhaal van Edgar Allen Poe. In het Venlo van de negentiende eeuw of eerder kende iedereen d’n duusteren kerkhaof.

Sint-Martinuskerk in de achttiende eeuw, links hek dat toegang gaf tot d'n duusteren kerkhof, tekening linksonder gesigneerd: J. Stroucken

Het was het deel van het kerkhof dat aan de noordzijde lag van de Martinusbasiliek. In de schaduwzijde dus, waar het zonlicht niet doordrong. Vandaar de onheilspellende naam. 




Prentbriefkaart Vleesstraat jaren dertig, rechts hoek Klaasstraat, naast hoekpand is de Kruisherenpoort die toegang gaf tot de Sint-Nicolaaskerk (collectie Piet Braem)

De Kruisherenpoort aan de Vleesstraat gaf toegang tot het voorpleintje van de Sint-Nicolaaskerk, voor de Tweede Wereldoorlog (collectie Piet Braem) 


Kruisherenpoort aan de Vleesstraat, na de Tweede Wereldoorlog en naast Goltziusmuseum, na 1974 (particuliere collectie)

Het klinkerpad over het voormalige kerkhof heeft tegenwoordig de status van eigen weg. Aan de Grote Kerkstraat wordt het afgesloten door de achttiende-eeuwse Kruisherenpoort. De religieuzen hadden een klooster aan de Begijnengang. De poort stond aanvankelijk op de hoek met de Gasthuisstraat, later in de Vleesstraat, vanaf 1974 naast het Goltziusmuseum en sinds een aantal jaren alweer hier. De Kruisherenpoort staat in deze dagen van corona overdag open, zagen we. Een goede gelegenheid om het bordje ‘Verboden Toegang Voor Onbevoegden’ te negeren en dit vergeten stukje binnenstad te betreden.

Kruisherenpoort naast Sint-Martinusbasiliek, mei 2020 (foto Sef Derkx)

Afgelopen weken heb ik me verdiept in de rampjaren dat de pest Venlo trof. Pestlijders en hun huisgenoten werd de toegang tot de Sint-Martinuskerk ontzegd. Op d’n duusteren kerkhof stond een Mariakapel, de kapel van Onze Lieve Vrouw Inghendael, waar ten tijde van de epidemie van 1615 en 1616 voor hen missen werden gelezen. Wie vermoedde dat hij was besmet, moest naar deze kapel gaan om de biecht te laten afnemen en alvast het sacrament van de stervenden te ontvangen. 



Detail stadsplattegrond Blaeu, links van de Sint-Martinuskerk staat de kapel van Onze Lieve Vrouw Inghendael (Gemeentearchief Venlo)

Het laatste was geen onnodige maatregel, want wie besmet was met de builenpest overleed binnen enkele dagen. Het is moeilijk om je een voorstelling te maken van de sfeer in onze stad wanneer de pest toesloeg. Doodsangst en radeloosheid zullen de boventoon hebben gevoerd. Met name hier dus, op d’n duusteren kerkhaof. Aan die verschrikkingen herinnert niets, de plek is nu een toevluchtsoord voor vogeltjes.

 Pestordonnantie 1598 (Gemeentearchief Venlo)


 De pestmeester wordt op deze zeventiende-eeuwse prent afgebeeld in speciale bescherming biedende kleding die bestond uit een hoed, een masker met kijkgaten, een houten stok om zieken te kunnen onderzoeken zonder ze aan te raken, grote leren handschoenen, lange leren laarzen en een lange leren of geïmpregneerde cape. Het snavelachtige masker zou gevuld zijn geweest met kruiden en specerijen om de lucht te zuiveren omdat men dacht dat de pest zich door de lucht verspreidde. Of pestmeesters er werkelijk zou uit hebben gezien, is zeer de vraag (collectie British Museum Londen)

We zijn het pad op gelopen om een vrijwel onbekend oorlogsmonumentje te bezoeken. Ter herinnering aan deken Van Oppen, pater Meulendijks, kapelaan Naus en dominee De Jong is tegen de buitenmuur van het priesterkoor in 1995 een gedenksteen aangebracht. Boven de plaquette hangt een gestileerd kruisbeeld. Een rijtje stoeptegels leidt erheen. De vier geestelijken kwamen in verzet tegen de nazi’s, werden gearresteerd en lieten het leven. Pest of ideologie - soms is er geen verschil. 


Plaquette verzet geestelijkheid Venlo (foto's Sef Derkx)

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.



woensdag 3 juni 2020

Velden op voet van oorlog met Arcen


(door Pieter Duijf)
“In Velden, daar wonen de dwarskoppen, die alles op haren en snaren zullen zetten om ons goed recht de das om te doen”, zo zeggen die van Arcen, die op hun beurt door de tegenpartij weer van het gebruik van andere minder oorbare strijdmiddelen worden beschuldigd, geboren in de breinen van een Arcens magistraat en een Arcens caféhouder.”
Zo, de messen zijn geslepen aan zowel aan het Arcense als aan het Veldense politieke front. De redactie van De Volkskrant gooit in haar editie van 8 oktober 1947 nog een extra kan olie op het vuur. 

 (Gevonden via www.delpher.nl, met dank aan Maaike Napolitano)

Beide dorpen leven na de bevrijding in 1945 op voet van oorlog met elkaar. Er gaan zelfs geruchten de ronde, dat Arcense burgers onder de banken van de lijnbus Nijmegen-Gennep-Venlo doken als de argeloze chauffeur door Velden reed. Niets, maar dan ook niets wilden ze zien van het door hen zo verfoeide meest zuidelijk gelegen dorp binnen de gemeente. Wat was er aan de hand? Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 26 juli 1946 won Velden uiterst nipt van Arcen. De verhouding was 971(Lijst 2 Velden) tegen 970 (Lijst 1 Arcen en Lomm). Inzet van de verkiezingen was de locatie van het nieuw te bouwen gemeentehuis. Zou het Arcen of Velden worden? De neutrale onwetende lezer van het nieuws zou denken dat het nieuwe ‘Kremlin’ weer op de oude plek zou worden herbouwd. In Velden dacht men hier klaarblijkelijk anders over. Maar er zou een fraudestem zijn uitgebracht. Iemand zou twee keer hebben gestemd. Het protest vanuit Arcen werd gehonoreerd en er werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven.
Raadhuis en kerk voor de Tweede Wereldoorlog (collectie Peter Janssen)
Arcen in 1945 (collectie Peter Janssen)

 (De Volkskrant, 3 oktober 1947, gevonden via www.delpher.nl, met dank aan Maaike Napolitano)

Het oude raadhuis naast de Arcense parochiekerk was tijdens de oorlog aan gort geschoten. In Velden zag men vanwege zijn groeipretenties de kans schoon en vond dat de nieuwe bestuurstempel in de kern met de meeste inwoners moest komen, Velden dus. In Velden keek men bovendien met een scheef oog naar Lomm. De kleinste kern vormde rondom de verkiezingsstrijd namelijk een gezamenlijk blok met Arcen tegen Velden. Lomm heulde dus met de vijand, althans zo dacht men in Velden. De Raad van State besloot aldus dat Arcen, Lomm en Velden een jaar later opnieuw de gang naar de stembus moesten maken. 

“Waar moet dat heen met de democratie?” zo vroeg men zich in Velden af. De nieuwe verkiezingen volgden op maandag 27 oktober 1947. Een journalist van het Limburgsch Dagblad ging vooraf poolshoogte nemen. Op 23 oktober 1947 schreef hij het volgende: “We bezoeken soms op onze tochten Arcen, een begenadigd oord van stilte en rust daar ergens aan een flauwe bocht van de Maas in Noord-Limburg. We plegen immer het Maashotel te bezoeken waar de dochters van de waard paling serveren, die zo uit de rivier komt en waar het uitzicht door de brede vensters meer dan koninklijk is.” Hij gaat verder: “Hoe misleidend kunnen uiterlijke tekenen zijn aangaande een innerlijke gesteltenis. Want wij mogen u verzoeken, gaat tot en met maandag a.s. niet naar Arcen, gij zult er een illusie verstoord vinden. Daar waar wij dachten dat rust en landelijkheid een woonplaats gezocht hadden, laaien heden de politieke hartstochten. Rond de stamtafel van het Maashotel knetteren de politieke gesprekken en gij weet, paling laat zich alleen in volstrekte rust eten. Hetzelfde geldt voor het dorp Velden.” Even verderop in het artikel: “Het zal spannen. Het schijnt een bewezen feit te zijn dat zich bij de verkiezingen van ’46 onregelmatigheden hebben voorgedaan, die voor de gekozen raad aanleiding waren de zes nieuwgekozen leden uit Velden niet toe te laten. Arcen kraaide dus triomf in de raad. De Gedeputeerde Staten van Limburg echter konden met de uitsluiting van de Veldense raadsleden niet akkoord gaan. Zij vernietigden prompt het betreffende raadsbesluit en gaf de Veldenaren weer gelegenheid op het kussen plaats te nemen. Dit nam de raad op haar beurt weer niet en ging in beroep bij de Kroon. Prompt hierop werd het besluit van de Gedeputeerde Staten weer vernietigd en werden zes Veldense raadsleden ten tweede male buiten het raadhuis gezet.”
Prentbriefkaart Maashotel en Schanstoren (met dank aan Pieter Duijf)

In De Volkskrant van 25 oktober 1947 lezen we: “Er zijn nieuwe verkiezingen, maar er is geen nieuwe kandidaatstelling uitgeschreven. Hieruit volgt dus, dat de mensen, die intussen de kiesgerechtigde leeftijd hebben bereikt en ook op de nieuwe kiezerslijst staan, niet in aanmerking kunnen komen voor de kandidaatstelling. Het toppunt in deze dorpspolitieke schandalenreeks is echter, dat in Velden drie en in Arcen vijftien politieke delinquenten hun stem zullen uitbrengen, hoewel hun het actief en passief kiesrecht ontnomen is.” Concreet betekent dit dat Arcen met Lomm 1045 stemgerechtigden heeft tegen Velden 1021. Zeven Arcense politieke ‘deugnieten’ onthielden zich van stemmen.

  “Beide partijen zullen ouden van dagen, kreupelen, zieken en lammen met auto’s naar het stembureau brengen. Het is bijna zeker dat op de uitslag weer een protest zal volgen,” aldus de verslaggever van De Volkskrant.

Met taxi’s en ambulanceauto’s werden de zieken en andere hulpbehoevenden naar de stemhokjes en weer thuisgebracht. Er worden zowaar studenten van Missiehuis St. Paul geronseld om hun Arcense stem te laten gelden. Arcen won met 1010 stemmen tegen 996 voor Velden. In Arcen trok de harmonie met feestmarsen door de straten. De lokale kasteleins beleefden een hoogtijdag. In Velden daarentegen sprak men van een regelrechte ramp. Men dreigde daar zelfs als Arcenaren zich in Velden zouden vertonen ze er met rotte eieren uitgekogeld zouden worden. 
De Kieskop, november 1947 (met dank aan Pieter Duijf)

Echt veilig konden zich Veldenaren in Arcen evenmin veilig wanen. Tenminste, dat zou je denken. In De Kieskop (contactblad voor in Nederlands-Indië gelegerde Veldense soldaten) van november 1947 komen we een relaas tegen over Wiel ‘d’n Dieke van’ Holthuizen. Het gaat over een cafébezoek in Arcen, in het hol van de leeuw als het ware. Dankzij het nieuwe gerstenat is onze Wiel aardig lollig. Dan gaat hij naar buiten en komt later terug met zijn hoofd in het verband. Wiel wekt de stellige indruk dat hij op zijn smoel is geslagen door enkele vermaledijde Arcense onverlaten. In het café heerst verontwaardiging over deze snode daad. Zelfs de notabelen bemoeien zich er mee. Wiel wekt veel medelijden en krijgt het ene na het andere rondje aangeboden. Als het tijd is om naar huis te gaan, haalt Wiel het verband van zijn hoofd en blijkt hij geen enkel schrammetje te hebben opgelopen. Voorbeeld van de perfect gespeelde onschuld.

Na de verkiezingen sprak men in beide kampen van een Pyrrhusoverwinning vanwege de cruciale rol van het enige Lommse raadslid Pingen, die vooral wil opkomen voor de belangen van zijn eigen kleine dorpje.

Op 23 december 1947 bekrachtigden de provinciale bestuurders de uitslag.

Het nieuwe raadhuis kwam dus in Arcen. Dat versterkte het Veldense onderbuikgevoel dat het zich ‘stiefmoederlijk’ bedeeld werd alleen maar.

In 1953 ging zelfs het gerucht de ronde, dat er geen Veldense kandidaten voor de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen beschikbaar waren, omdat het toch geen zin zou hebben. Na de netelige raadhuisslag in 1946 en 1947, die in het voordeel van Arcen was beslecht, had men het even gehad in Velden. De kwestie haalde destijds de landelijke pers. De gezamenlijke Veldense raadslieden voelden zich min of meer de Assepoester van het gemeentebestuur. Heel gevoelig lag de traag lopende wederopbouw van de Markt en directe omgeving. Eerlijkheidshalve moet erbij gezegd worden dat ook de pleinen in Arcen en Lomm er toentertijd niet al te florissant bijlagen. De gemeente was huiverig hieraan iets te ondernemen, omdat zij op haar beurt weer afhankelijk was van een bijdrage van 40% uit het fonds oorlogsschadevergoeding door het Rijk. Pas in 1954 kon groen licht worden gegeven.

In 1956 schreven de Veldense prominente raadsleden Sir Deenen en Wiel van Keeken een brief naar het provinciebestuur met het verzoek om bij Venlo te worden gevoegd. Het vertrouwen in een harmonieuze samenwerking met de Arcense raadsleden was helemaal weg.
'Velden zo spoedig mogelijk bij Venlo te voegen' (met dank aan Pieter Duijf)

De frustratie in Velden was gedeeltelijk terecht. Verdacht was ook de aanbestedingsprocedure rondom de bouw van het nieuwe gemeentehuis, dat was ontworpen door de bekende bouwmeester Alexander Kropmoller (1881-1973). Kropmoller stond bekend om zijn ontwerpen van overheidsgebouwen en kerken. 
Alexander Kropmoller (bron website Het Geheugen van Nederland)

De laagste inschrijving om deze grote en aansprekende klus te mogen uitvoeren kwam uit de pen van de Arcense aannemer Sjeng Coenders. Hij offreerde een bedrag van bijna 97.000 gulden. Zo op het eerste oog is hier niets vreemds aan, ware het niet dat deze heer Coenders ook lid was van de gemeenteraad. Hij had inzage in alle andere aanbestedingen. Hij was de Jos van Rey van zijn tijd als het ware. Hij zat kennelijk niet met een dubbele pet op in de raad, maar slechts met één pet, die van aannemer.
Raadhuis Arcen (met dank aan Pieter Duijf)

Deze Sjeng Coenders wakkerde het vuur tijdens de Arcense en Veldense twisten graag nog eens extra aan. Hij sneerde samen met zijn Arcense ambtgenoot Vullinghs zijn Veldense collega-raadsleden geregeld wat toe in bewoordingen als “dat die uit Velden zich niet wat groter en beter moesten voordoen, omdat ze toevallig dichter bij Venlo lagen”. We mogen gevoeglijk aannemen dat de Veldense politici zich hierin met soortgelijke citaten evenmin onbetuigd lieten. Emoties kregen indertijd de vrije loop.

Illustratief hierin is ongetwijfeld de toewijzing aan Lomm als vestigingsplaats van een huishoudschool begin jaren vijftig. De Veldense vroede vaderen hadden deze het liefst in hun eigen dorp gehad, vanwege het grootste te leveren leerlingenaantal. Lomm lag echter centraler.

Velden ontwikkelde zich toen al gestaag tot een op ‘de stad’ gericht forensendorp, dus het lag voor de hand om de Veldense meisjes naar de huishoudschool in Venlo te laten gaan. Om deze trek naar Venlo te kunnen pareren opperde de toenmalige burgemeester Gubbels zelfs een briefje naar de Venlose school te sturen met het verzoek hiervoor geen financiële medewerking te verlenen. En daarmee hield  Arcen Velden andermaal in de houtgreep.
Burgemeester Ph Gubbels, in ambt van 1923 tot 1960 (met dank aan Pieter Duijf)

De naam van Coenders duikt later ook op bij de aanbestedingsprocedure van de herbouw van de Petrus en Pauluskerk, een kruisbasiliek met twee torens, in Arcen. Architect Stoks had voor het kerkgebouw een begroting opgesteld van 411.800 gulden. Dat was wel exclusief verwarming, elektrische installatie en inventaris. Vier aannemers mochten een offerte uitbrengen. Bij de keuze van de inschrijvers werd het kerkbestuur geadviseerd door de afdeling bouwzaken van het bisdom. Alleen de aannemers die de nodige ervaringen hadden met kerkenbouw werden uitgenodigd. Zo ook de fa. J. Coenders uit Arcen. Na veel reken- en schrijfwerk van de aannemers was het resultaat van de inschrijving als volgt: fa. Coppes, 514.450 gulden, fa. Straus, 493.450 gulden, fa Sondermeijer 488.210 gulden en de fa. J. Coenders 400.920 gulden. In een brief aan het bisdom schrijft pastoor van de Sterren op 13 april 1958 het volgende: “Mogen we van uwe Hoogw. Exc. het nodige verlof bekomen, om ze aan de laagste inschrijver, J. Coenders te Arcen, te gunnen voor 400.920 gulden”.

Opvallend is dat een andere aannemer uit Arcen bij het bisdom ook een verzoek had ingediend te mogen inschrijven. Hij kreeg echter een vriendelijke brief terug met daarin de tekst: “Gezien de belangrijkheid van dit project acht de commissie, mede in overleg met de architect, zich niet verantwoord een aannemersbedrijf aan het kerkbestuur voor te stellen dat nog geen kerk of zeer belangrijk ander gebouw heeft uitgevoerd”.

Ondanks dat de bouwvergunning door de gemeente pas op 16 mei 1958 werd afgegeven ging Coenders direct na de gunning voortvarend te werk. De oude kapelanie werd half afgebroken, de rest deed voorlopig dienst als directiekeet. Brokstukken van de verwoeste kerk werden opgeruimd. Fundamenten van de oude kerk werden helemaal verwijderd, behalve de diepst gelegen resten van de toren langs de Kerkstraat, deze zitten er nog steeds. Ondertussen werd ook het oude kerkhof bij de bouwplaats getrokken. “Het leek hier wel köpkes mert”, zei een van de mannen die bij de bouw betrokken was tegen een verslaggever van het Dagblad van Noord-Limburg, “zoveel doodshoofden en knekels kwamen we tegen in de grond”.

Pastoor v.d. Sterren schrijft in zijn dagboek: “Vóór de tijd zijn al verschillende lijken overgebracht naar het nieuwe kerkhof (Leeberg) maar toch komen er nog veel doodsbeenderen tevoorschijn. De grond wordt vervoerd naar een plaats links van de Zwarteberg. Er zullen helaas nog wel beenderen bij zijn. Dit is echter niet te voorkomen”. De grafsteen van de eerste burgervader van Arcen werd eveneens overgebracht naar het kerkhof op de Leeberg.

(Bron: Kerkklokje.nl).

De vijandige verhouding tussen Arcen en Velden veranderde gaandeweg in een van gezonde rivaliteit. Samen trokken de twee dorpen met Lomm vergeefs ten strijde tegen de geplande herindeling met Venlo in 2010. Overal doken posters op met de veelzeggende leuze: ‘Arcen, Lomm en Velden bij Venlo? Dat nooit!’ De tijd heelt alle wonden, zullen we maar zeggen. 

Reageren? Stuur een e-mail naar Pieter Duijf: piede12@yahoo.com. 






dinsdag 2 juni 2020

Van nu tot nu - Drie panden met historie

(door Albert Lamberts)
Na verleden week bij de Schanstoren in Arcen te hebben rond gekeken nu een eindje verderop naar drie panden met geschiedenis: het huis De Kanaalmond, de voormalige (tweede) woning van de Veldense pastoor Hendrikx (vroeger jeugdherberg) en wat voorheen Hostellerie De Hamert was.
Het pand De Kanaalmond, de naam herinnert aan ambitieuze, Spaanse plannen (foto Albert Lamberts)

Het pand de Kanaalmond dateert uit 1875, weet de huidige bewoner, Wijgerde, te vertellen. De van oorsprong Brabander woont al 41 jaar met zijn vrouw in deze woning met die merkwaardige naam Kanaalmond. Daar is al vaker over geschreven, maar toch heel in het kort: De Spanjaarden wilden begin zeventiende eeuw een kanaal tussen de Maas en de Rijn realiseren en dat kanaal, de Fossa Eugeniana, zou net ten noorden van Arcen in de Maas uitkomen. Door sabotage, geldgebrek en oorlogshandelingen is het kanaal er nooit gekomen, maar de naam Kanaalmond herinnert nog aan de snode plannen van de Spaanse autoriteiten. 

Hostellerie De Hamert (bron website L1)

Het volgende pand in het drieluik, Hostellerie De Hamert, is net in Wellerlooi gelegen. Eens een parel van culinair Noord-Limburg, sinds ruim een jaar helaas gesloten. In 1948 openden Joep Grothausen en zijn vrouw Lies  de hostellerie aan de Maas, de eerste in Nederland in het opgeknapte pand Hotel Robijns. Joep en Lies waren ervaren in de horeca, onder andere als uitbaters van Hotel Zwijnshoofd in Venlo. Vier generaties Grothausen en Smits en drie excellente chef koks – we herinneren ons nog de legendarische Herman van Ham - zouden het etablissement een meer dan beroemde naam bezorgen. Toen de hostellerie zestig jaar bestond schreven Roger en Monique Smits op de invitatie voor de genodigden: Van de culinaire negorij uit 1948 is Nederland een van de paradepaardjes in gastronomische Europa geworden. De teller van Hostellerie De Hamert staat inmiddels op meer dan 500.000 gasten. Velen van hen kwamen voor een uitgebreide maaltijd op het hoogste niveau. Onder de gasten vorsten, politici, kunstenaars, cabaretiers en schrijvers. De Hostellerie en het pannenkoekenhuis aan de overkant – eveneens van de familie Smits – gingen in 2019 failliet. Het pannenkoekenhuis is weer open en in de hostellerie zullen mogelijk buitenlandse arbeiders worden gehuisvest. 
De voormalige jeugdherberg De Hamert net op de grens tussen Arcen en Wellerlooi (foto collectie Albert Lamberts)

En dan pand nummer drie daar tussen Rijksweg en Maas en tussen Kanaalmond en De Hamert: een wel zeer aparte villa met een minstens net zo bijzondere geschiedenis: Huize Juliana, eertijds ook van de familie Robijns. Een Duitse landheer, Arthur Maurits, huurde de villa, maar toen hij door allerlei tegenslagen zijn luxe leventje niet kon voortzetten doodde hij in augustus 1929 zijn vrouw, zoon en hond en sloeg vervolgens de hand aan zichzelf. Niemand wilde wonen in het huis van de drievoudige moord. Arcen was in die dagen een slaperig dorpje, maar wel met een ondernemende wethouder, Frans van de Kamp. Het was in de tijd van de jeugdherbergen. Er bestond zelfs de Nederlandsche Jeugdherbergcentrale en die zag Huize Juliana als accommodatie wel zitten. Het Amsterdamse echtpaar Miedema werd de eerste beheerder, maar ging zelf wonen in een pand naast de herberg van de familie Berghs, het latere Maashotel aan de zuidelijke entree van Arcen. Van de Kamp en Miedema bleek een gouden duo, dat het er weldra over eens was, dat het schandalig was, dat zo’n prachtig dorp met al die bossen en die ligging aan de Maas daar niets mee deed. De opmerking landde: halverwege de jaren dertig van de vorige eeuw richtte het tweetal samen met gemeentesecretaris De Lang Evertsen de plaatselijke Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer (VVV) op. Met verstrekkende gevolgen. Het was de aanzet voor wat nu een toeristische hotspot van Nederland is. Miedema plaatste hier en daar een wervende advertentie en kreeg Arcenaren en zelfs gezinnen uit Lomm zover om kamers te verhuren. Godfried Bomans schreef in 1956 nog: Wat is het aantrekkelijke van Arcen? Dat er niets gebeurt!  Nou, dat zou veranderen. Arcen werd opgestoten in de vaart van de toeristische volkeren. De vraag nu is: zal dit jaar het Arcen van Bomans beleefd (moeten) worden? 
De voormalige jeugdherberg nu (foto Albert Lamberts)

Reageren? Stuur Albert Lamberts een e-mail: albertlamberts@home.nl.




maandag 1 juni 2020

Erger dan Duits?

(door Gerrit van der Vorst)

De meeste gevangenen in Kamp Steyl werden daar afgeleverd door de politieke recherche. De  Politieke Opsporingsdienst (POD) – later Politieke Recherche Afdeling (PRA) geheten – voor Noord-Limburg arresteerde de aangeklaagden en bereidde hun berechting voor.

De Politieke Recherche Afdeling voor Noord-Limburg. Zittend van links naar rechts rechercheur Jan Theelen, Trees Canjels (typiste), inspecteur Harry Pollaert (hoofd), rijksrechercheur Zuurveld en Lenie Trienekens (typiste). Direct daarachter Karel van Dreumel, rechercheur Theo Peters, rechercheur Leo Oostdam, NN (chauffeur), Harry Bovendeerd, rechercheur Rooyakkers, Jacobs en Wiel Aus dem Kamen. Op de achterste rij Sef Bergmans, rechercheur Leenders, Gerard van den Broek, rechercheur Konings en Tilmans.

De voormalige Veldense verzetsman Jan Theelen was rayonchef van de POD/PRA voor Venlo: Na de bevrijding ben ik onmiddellijk bij de politieke recherche ingedeeld. Door mijn ondergronds werk wist ik ontzettend veel over het gedrag van veel Duitsers en landgenoten, maar het was toch ontzettend moeilijk om objectief te oordelen over mensen, die wel of niet strafbaar waren of gezuiverd moesten worden. Eigenlijk was ‘t politiewerk als verzetsman makkelijker. Ik weet, dat er hier en daar grote fouten zijn gemaakt, maar om vlak na de oorlog het onkruid van het tarwe te scheiden was zeer moeilijk voor iedereen die daar bij betrokken was.


Het Duitse gezin Franken-Thissen in Velden. Hermann Franken kwam ook in Kamp Steyl terecht, maar kreeg de steun van velen, zoals kapelaan Lei Breuren, Jan Theelen en voormalige illegale werkers in Velden. Tot berechting van de omstreden Franken zou het niet komen. Het gezin werd later uitgewezen.

Wie betrokken raakte bij de behandeling van politieke delinquenten kon zich niet onttrekken aan mededogen voor veel ongelukkigen. Kampcommandant Baer Weekers uit de Van Schelbergenstraat in Venlo: Van de eerste dag af had ik spijt, dat ik die baan had aangenomen. Het was en bleef steeds moeilijk om vast te stellen, wie daar thuishoorden of niet. (…) Ik heb echt veel in de uitoefening van die baan geleden en ik denk dat ik de herinnering aan Steyl wel nooit helemaal kwijt zal raken.

Bewakers en ander personeel van het bewarings- en verblijfskamp in Steyl (Heemkundige Kring Tegelen). Van links naar rechts Smeets (?), Ambaum, Feyen (bewaker), Cruysberg, Engelen (bewaker), Stoffels, Wilbers, Janssen (bewaker), Van Abcoude (hoofd administratie), Bloemers, Elias, Kreykamp (bij-kok), Beurskens, Thijssen en Peters.

De gevangenen moesten overigens zelf de kosten voor het kamp bijeenbrengen. Ze werden ingezet in de ‘oogstvoorziening’, in huishoudingen (vrouwen) of bij het puin ruimen (mannen). De inkomsten vielen aanvankelijk tegen omdat veel gedetineerden bij gebrek aan schoenen en kleding geen buitenwerk konden verrichten. De dwangarbeid zou in 1945 in totaal 127.809,28 gulden opgeleverd hebben, maar dat was volgens de accountants volstrekt niet te controleren. De kampadministratie was een volstrekte puinhoop en er waren onregelmatigheden gesignaleerd. Zo waren distributiepapieren en tabaksbonnen van de gedetineerden verdwenen.
Tabak was de eerste tijd na de bevrijding zowel een zeer gewild als schaars artikel, getuige een bericht op de voorpagina van de Nieuwe Venlosche Courant van 12 juli 1945 (www.delpher.nl).

Van de inkomsten moesten ook de salariskosten van het kamppersoneel betaald worden, die in 1945 in totaal 33.000 gulden bedroegen. De organisatie bestond uit een kampcommandant, een adjunct, 3 chauffeurs, circa 20 binnenbewakers, 6 personen in de ‘inwendige dienst’ (bijvoorbeeld de keuken), 5 administratieve krachten en 7 parttime geestelijken, artsen en verplegend personeel. Tussen de 40 en 45 medewerkers dus en dan waren er nog de leden van de Bijzondere Stoottroepen, die de gevangenen buiten het kamp bewaakten.

Pierre Amendt: ‘Mijn vader was bewaker in Kamp Steyl. Zelf heeft hij de gevangenen altijd netjes behandeld, behalve de landverraders die waren niet veilig bij hem. Mijn vader was een goed mens, hij is bewaker geworden puur om de landverraders te straffen.’

De bewakerspas van Pierre Amendt senior (met dank aan Pierre Amendt junior). Een bewaker in Kamp Steyl verdiende tussen de 150 en 175 gulden per maand.

Wie die landverraders waren, moest nog bij een proces uitgemaakt worden, maar berechting bleef lang uit. Daardoor kwamen veel gevangenen zowel fysiek als psychisch in problemen. Zoals de Blerickse fotograaf Joseph Strijbosch. Op 26 april werd een Floddergats-blog aan deze kundige fotograaf gewijd: sefderkx.blogspot.com/2020/04/joseph-strijbosch-1878-1954-fotograaf. Ook Strijbosch werd ingesloten. Pas na een dringend advies van kamparts Versteeg kreeg Strijbosch na acht maanden huisarrest, medio december 1945.
De in Duitsland geboren Joseph Strijbosch was vanaf 1933 lid van de NSB en aanverwante organisaties geweest, maar er kwamen ook steunbetuigingen wegens humane hulp aan Nederlandse en buitenlandse gevangenen in Kevelaer (archief Jo Strijbosch).

Toen moest hij nog tot 19 september 1946 wachten op zijn proces. Bij die gelegenheid werd een belangrijke beschuldiging zonder bewijs aangenomen. Dat ging om de plaatsing van een advertentie in de Nieuwe Venlosche Courant, waarmee lid-begunstigers voor de Germaanse SS werden opgeroepen zich te melden bij de ‘kernleider’, op het adres van Joseph Strijbosch. De fotograaf bezwoer dat hij niets van de advertentie wist en geen functie bekleed had binnen de beweging. Zijn verweer vond gehoor en de uitspraak werd dertien maanden later vernietigd. Bij een nieuw proces werd de boete van 4.000 gulden teruggebracht tot 1.000 gulden. Intussen was het leven van de bijna 70-jarige Strijbosch en zijn (onschuldige) echtgenote een hel geweest.

De gewraakte advertentie in de Nieuwe Venlosche Courant van 7 januari 1944 (www.delpher.nl)

Lichte gevallen als Joseph Strijbosch werden geruïneerd door hun gevangenschap, terwijl huisarrest in zulke gevallen volstaan zou hebben. Maar politieke gevangenen mochten aanvankelijk onbeperkt in voorarrest gehouden worden en, eenmaal gevangen gezet, was verweer lastig. Minister Beel van Binnenlandse Zaken verordonneerde namelijk geheimhouding. Politieke delinquenten en  hun advocaten kregen geen inzage in de aanklachten tegen hen en in de behandeling daarvan. Alles – dus ook de namen van de aanklagers – viel onder die geheimhouding. 
De brief van minister Beel werd geciteerd in het Limburgsch Dagblad van 19 september 1945 (www.delpher.nl).
Minister Louis Beel van Binnenlandse Zaken, later minister-president (Wikipedia).

Dat was een onbegrijpelijke, kwalijke belemmering van een rechtvaardige rechtsgang. ‘Erger dan Duits’, fulmineerde mr. Robert van Oppen, een prominent jurist in Heerlen (later deken van de orde van advocaten in zijn regio), medio september 1945 in het Limburgs Dagblad over het betreffende ministeriële besluit.

Reageren? Stuur Gerrit van der Vorst een e-mail: gp.vandervorst@xs4all.nl
.