donderdag 23 april 2020

'De Halte' van woensdag 22 april 2020

(door Sef Derkx)


Hoogwaterhuis in de jaren dertig (website Rijksdienst voor het cultureel erfgoed)

Het is de eerste zomerdag van 2020. We fietsen in hemdsmouwen door Hasselt, een buurtschap tussen Velden en Lomm. We zijn op weg naar een bijzonder rijksmonument, het Hoogwaterhuis met de kapel van Sint-Anna. We kennen het alleen van twee verstilde foto’s uit de jaren dertig. 


Hoogwaterhuis in de jaren dertig (website Rijksdienst voor het cultureel erfgoed)

Hoogwaterhuis in de jaren zestig (particuliere collectie)

In de jaren 1995-1996 transformeerde het van een schrijnende bouwval tot een cultuurhistorische parel. De grote man achter de restauratie is Hai Gout, hoeder van veel architectonisch erfgoed. Het Hoogwaterhuis dateert uit de achttiende eeuw. Maar, legt Gout uit, bij de restauratie zijn eiken balken en delen van een fundering teruggevonden van een ouder vakwerkhuis. Hai Gout: ‘In 1547 en 1571 kampte het Maasdal met hoogwater. Ik denk dat in die periode de voorloper van het Hoogwaterhuis is gebouwd. De eigenaren van de nabijgelegen Hansenhof hebben in de achttiende eeuw het huidige pand gebouwd, waarbij dus materiaal van het afgebroken vakwerkhuis is hergebruikt. Als de Maas buiten haar oevers kwam, werd het vee in het Hoogwaterhuis gezet. Om de meter is daarvoor een ring aangebracht. De jonge jongens en de knechten sliepen op de zolder boven het vee. De families gingen naar de dorpskern van Velden, in de hoop zo droge voeten te houden.’
  

Restauratie Hoogwaterhuis (collectie Hai Gout) 

Het Hoogwaterhuis lag op een zandbult. Op een van de foto’s van de jaren dertig is dit nog duidelijk te zien. De fotograaf heeft aan de voet van de bult een jongetje geposteerd om het verschil in hoogte te accentueren. Helaas is het eeuwenoude cultuurlandschap naar de knoppen geholpen. Hai Gout weet hoe het gekomen is en vindt het nu nog steeds jammer. In de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft de toenmalige gemeente een bedrijf de vergunning verleend om het land op te hogen met puin en grond. 



Hoogwaterhuis in huidige staat (particuliere collectie)

Het Hoogwaterhuis is uiterst zorgvuldig gerestaureerd. Op één detail na. Hai Gout. ‘Het dak bestaat uit pannen met bovenop een rietmuts. Oorspronkelijk was dat een stromuts, later golfplaten. Veertien jaar na de restauratie is het riet vervangen. Een monument blijft onderhoud vergen.’ Aan de noordzijde van het Hoogwaterhuis is een kleine uitbouw, de Sint-Annakapel. Het beeldje van Anna en haar dochter Maria is in 1995 gemaakt door een kunstenaar uit Bretagne. Voor de kapel staat een hagelkruis. Het bronzen corpus is door Hai Gout gekocht van slager Joosten uit Grubbenvorst: ‘Hij had het ooit als betaling gekregen voor een streng karbonaadjes, die eigenlijk zestig gulden hadden moeten kosten. Voor dat bedrag kon ik het corpus overnemen.’ 


Kapel van Sint Anna met wegkruis en beeld van Sint-Anna met Maria (particuliere collectie)


dinsdag 21 april 2020

Van nul tot nu - Koninklijk bezoek en nieuwe krant


(door Albert Lamberts)

Terwijl in het Venlo’s mededelingenblad (1e jaargang, nummer 124) van donderdag 1 maart 1945 nog gewag werd gemaakt van de oprukkende Amerikaanse strijdkrachten vanuit Mönchen Gladbach richting Venlo bleek de werkelijkheid de berichtgeving te hebben achterhaald. Vanaf de Kaldenkerkerberg rolden de Amerikaanse tanks die dag Venlo binnen en werden de weinige Duitse soldaten (veel van de Hitlerjugend) opgespoord en ‘naar elders’ begeleid.

In Noord-Limburg was de oorlog twee dagen later voorbij. Achttien dagen later bezocht koningin Wilhelmina, die op 13 maart in Zeeland weer voet op Nederlandse bodem had gezet, de provincie Limburg. Op 21 maart werd zij in Maastricht ontvangen en hartstochtelijk toegejuicht en toegezongen door de Maastreechter Staar. De volgende dag stonden in de mijnstreek de mijnwerkers nog zwart van het kolengruis haar op te wachten en een dag later maakte de koningin haar opwachting in Venlo.

In het blad de Vliegende Hollander – in een extra nummer, dat met Pasen 1945 was verspreid door de geallieerde luchtmacht – stond een verslag van het koninklijk bezoek aan Venlo.

Citaat: Op den laatsten dag van haar bezoek aan bevrijd gebied bracht de koningin een bezoek aan wellicht de zwaarst getroffen stad van Nederland: Venlo, dat grootendeels in puin ligt. De bevolking had groote ontberingen doorstaan, maar achtte het haar plicht de vorstin te toonen dat de geest, ondanks alles, ongebroken was. Allen hadden zich verzameld op de door puinhoopen omringde markt – maar van de puinhoopen wapperde de Nederlandsche vlag. Gewonden lagen op brancards voor het stadhuis in de lentezon. Een der aan het hoofd gewonde jongens had een oranje doek om zijn hoofd gewikkeld. Andere gewonden hadden oranje linten gebonden om hun in gips gezette armen. Diegenen met wie de koningin sprak zeiden haar: “Wij zullen weer van voren beginnen. Wij zullen weer opbouwen”. De koningin was zichtbaar onder den indruk van de sporen van het lijden die zij moest aanschouwen, maar sterker nog was zij getroffen door de geestkracht welke de bevolking van Venlo aan den dag legde. Toen zij de stad verliet, zei zij tot den burgemeester (Berger – A.L.): Mijn hart zal altijd bij Venlo blijven”. 

 
De Venlonaren moesten de eerste maanden na de bevrijding nog puin ruimen, zoals hier op de Parade (archief Albert Lamberts)

Voor veel Venlonaren was het bezoek van de koningin een ‘ver-van-mijn-bed-show’, omdat zij nog op hun evacuatie-adressen in het noorden van het land vertoefden. Cijfers spreken boekdelen: in september 1944 telde Venlo circa 40.000 inwoners, waarvan 10.000 in Blerick, dat in het vroege najaar van 1940 door de Duitse bezetter bij Venlo was gevoegd. Op 18 april 1945, anderhalve maand na de bevrijding, werden in Venlo-Oost 16862 inwoners geteld. Dat cijfer kon door de distributiedienst worden vastgesteld bij de uitreiking van bonkaarten. Daarbij werden strenge maatregelen tegen fraude genomen, reden te meer om deze cijfers uiterst serieus te nemen. Ongeveer 13.000 Venlonaren vertoefden dus nog elders.

Overigens kon het nog erger: de gemeente Arcen en Velden had voor aanvang van de oorlog ongeveer 4500 inwoners en in april 1945 nog slechts 450; in Velden 274 en in Arcen 176. (Niet vermeld hoeveel van deze aantallen er in Lomm woonden).

Op 18 april 1945 verscheen het eerste nummer van de nieuwe krant, Dagblad voor Noord-Limburg (archief Albert Lamberts)

Woensdag 18 april 1945 is nog anderszins een memorabele datum voor Venlo en heel Noord-Limburg. Op die dag namelijk verscheen weer in krant in Venlo als opvolger van de Nieuwe Venloosche Courant. Dat gebeurde in opdracht van Sectie XI van de Chaf Staf Militair Gezag. De Nieuwe Venloosche Courant was verboden, omdat die in de oorlogsjaren onder geheel verkeerde directie de goede naam van de pers in Venlo en N.-Limburg bedierf. Het zal de plicht van het nieuwe dagblad zijn, deze reputatie te herstellen en het vertrouwen van de lezers te winnen. In de introductietekst op de voorpagina van het eerste nummer schreven de commissarissen Schrijnen, Scheepers en Goossens, dat de fundamenten een principieel katholieke levensbeschouwing en een loyale medewerking met het gezag, dat over ons is gesteld, zullen zijn.

En wat voor de oorlog niet lukte, kreeg na de bevrijding in no time zijn beslag: er werd namelijk opgericht een Maatschappij tot Exploitatie van R.K. Dagbladen in Limburg, Limburgia Pers,met als  doelstelling aan Limburg te geven een krachtige katholieke dagbladpers, in verscheidenheid afgestemd op de verschillende regionale belangen, doch vereend optrekkende waar het gaat om zaken van algemeen provinciaal en landelijk belang.

De ‘deelnemende’ dagbladen waren Dagblad voor Noord-Limburg in Venlo, Maas- en Roerbode in Roermond en Limburgsch Dagblad in Heerlen.  

maandag 20 april 2020

Van nul tot nu - Van bouwland tot fort (2)


(door Albert Lamberts)
 
Twee tijdvakken: een deel van de oude vesting en een der gebouwen van de voormalige Frederik Hendrikkazerne (foto's Albert Lamberts)
Er is al vele jaren gesleuteld aan plannen om tot een passende invulling van het Kazerneterrein in Blerick te komen. Stichting Ons Fort zet zich in om de historie van het terrein, waar fraaie resten van het voormalige Fort Sint Michiel zijn aangetroffen, zoveel mogelijk zichtbaar te maken. De eerste aanleg van het fort dateert uit 1641 en tot in de tweede helft van de negentiende eeuw waren er uitbreidingen en versterkingen. De uitbreidingen gingen ten koste van boeren, die aan de Maas de vruchtbare grond bewerkten of er hun vee lieten grazen.

We lezen in de archiefstukken: Annotatie der incorporeerde en afgegraevene Landerijen weij, ende bouwlandt  totte fortification van ’t fort Roijal St. Michiel in den Jaere 1701. Het ging dus om akkergrond en weiland, die in beslag werden genomen.
Reinier Bartels bijvoorbeeld moest twee morgens bouwland afstaan, Willem Thijssen driekwart morgen bouwland, den heere Laer 1 morgen, ’t adelijcke Stifft en Godthuys Daelheym 2 morgen in ’t Maesveld, den Scholtis van Broekhuijsen, Gerart Deckers, drij morgen en Petrus Scheres, chirurgin, twee morgen. In totaal claimde men in 1701 land van 22 eigenaren.

Toen de vesting na 1867 ontmanteld kon worden, hetgeen in razend tempo zijn beslag kreeg, werd ook het militaire verleden van Fort St. Michiel uitgewist. Het fort kwam in handen van enkele particulieren, waaronder de beide kassiers / bankiers Jean en Jacques Wolters in Venlo. Hun bank ging in 1882 failliet en dat trok een spoor van ellende door de stad. De gebroeders Wolters moesten hun deel van Fort Sint Michiel gedwongen verkopen op een openbare veiling, die plaats vond in koffiehuis Stommel aan de Vleeschstraat in Venlo.

Toen begin deze eeuw restanten van het fort werden blootgelegd, konden belangstellenden zelf zien hoe dik de vroegere vestingmuren waren geweest. 

Reageren? Stuur een e-mail naar: Albert Lamberts: albertlamberts@home.nl 

Het verblijfs- en bewakingskamp voor politieke gevangenen in Steyl


(door Gerrit van der Vorst)

De overkant van de Maas werd eerder bevrijd dan Venlo. Daar begon men ook eerder met het oppakken van verdachten. Vanaf 1 december 1944 werden die opgesloten in het gebouw van de Landbouwschool in Horst. Er is weinig bekend over de omstandigheden, maar duidelijk mag zijn dat zo’n schoolgebouw beperkte faciliteiten bood als een gevangenis.


De RK Landbouwschool in Horst werd eind 1944 afgezet met prikkeldraad en tijdelijk als kamp voor politieke delinquenten uit Noord-Limburg gebruikt (www.heemkundehegelsom.nl).

Het was een wild-west-periode. De meeste arrestaties geschiedden door de Binnenlandse Strijdkrachten, waarbij zich razendsnel allerlei ‘foute’ figuren aansloten. Zo kon het iemand, die ten onrechte als ‘fout’ werd aangemerkt, overkomen dat hij met veel machtsvertoon en wapengekletter werd gearresteerd door een voormalige zwarthandelaar in een BS-overall of door een politieman die tijdens de bezetting joodse mensen had gearresteerd (de jodenvervolging was bij de zuiveringen geen issue). 


Mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten arresteerden zonder de vereiste mentale vaardigheden en zonder wettelijke kennis en bevoegdheden (NIOD). Er werd voortdurend met wapens gezwaaid. 


Arrestatie van een vrouw door twee gewapende BS’ers (NIOD).


Een NSB’er moest van acht uur ‘s ochtends tot zes uur 's avonds staan en had het tot grote hilariteit in zijn broek gedaan (NIOD).

Vanuit de leunstoel van nu waren het hoogst verwerpelijke taferelen. Maar in de bevrijdingsroes waren ernstige misstanden niet te voorkomen. De cellen van politiebureaus en gevangenissen puilden in korte tijd uit. Daarom ging men over op totaal ongeschikte ruimten, zoals scholen, kazernes, loodsen, fabriekshallen en voormalige concentratiekampen. Na de bevrijding van Venlo werden hier politieke delinquenten vanaf 20 maart 1945 ondergebracht in de Deutsche Schule in de Julianastraat. 


 De Duitse school in Venlo (Fotovakschool, University of Applied Photography..

Er moest al gauw huisvesting voor langere tijd komen, met aanzienlijk meer capaciteit. Daarvoor kwam men uit in Steyl, waar de Missie-paters het gebouw van hun drukkerij beschikbaar stelden. Op 12 februari 1941 was het Missiehuis van Steyl in beslag genomen en daarna was de machtige rotatiepers weggehaald uit de drukkerij. (In 1947 of 1948 werd die pers teruggehaald uit het toenmalige Tsjecho-Slowakije.) Het gebouw stond dus leeg en werd voorlopig niet gebruikt. In mei 1945 werd begonnen met de inrichting als kamp en vanaf 1 juni kwamen de gevangenen.


Advertentie in het Dagblad voor Noord-Limburg van 1 juni 1945, waarin een kok werd gezocht met ervaring in de militaire keuken.

Wie nu denkt dat de paters een redelijk prettige omgeving hadden aangeboden voor al die maatschappelijke verschoppelingen zit er flink naast. Het gebouw was zwaar beschadigd, alle ruiten waren kapot en op de daken ontbraken veel pannen.

Het gebouw bood in totaal een bruto vloeroppervlak van 3.713 vierkante meter, verdeeld over 4 verdiepingen. Op de begane grond 967 vierkante meter, 833 op de eerste verdieping, 983 op de tweede en 916 op de derde plus een torenkamertje van 14 vierkante meter. Beslist niet te royaal voor soms meer dan 750 (!) gevangenen en alle bijbehorende voorzieningen zoals slaapzalen. Dat geheel boden de paters aan voor een ‘spotprijs’ van 16.000 gulden per jaar –uiteraard exclusief verwarming e.d. – welk bedrag later na protest van de accountant van het Militair Gezag verlaagd zou worden.


Delinquenten in een kamp in Heerlen (NIOD). De een op schoenen, de ander op klompen en weer een ander op kousenvoeten?

Idem.

De rechteloze verdachten kwamen in Steyl terecht in een haveloze omgeving, waaraan veel opgeknapt moest worden. De eerste lichting van circa 170 mannen en 80 vrouwen in juni kwam veel te kort. De sanitaire voorzieningen en overige leefomstandigheden waren volstrekt onvoldoende. Er was een groot gebrek aan tafels, banken, bedden, strozakken, keukenbenodigdheden en wat dan ook. Aan kleding en schoeisel ontbrak het eveneens. Dat laatste was een probleem voor de exploitatie van het verblijfs- en bewaringskamp Steyl. Het kamp moest zich namelijk zelf bedruipen, door de dwangarbeid door de gedetineerden en dat ging grotendeels om werk buiten het kamp. Zonder kleding en schoenen konden veel gedetineerden die dwangarbeid niet verrichten.
Dwangarbeid door politieke delinquenten in Veenhuizen.

Het mag duidelijk zijn dat er sprake was van schrijnende leefomstandigheden voor mensen die alles hadden verspeeld.


De stille getuige van al die ellende, het gebouw van de drukkerij in de latere staat.

Reageren? Stuur een e-mail naar Gerrit van der Vorst: gp.vandervorst@xs4all.nl.

Knorrepot Jan Hobbel bezoekt Venlo


(door Sef Derkx).

De kans dat we in de zomermaanden terug kunnen gaan naar ons oude vertrouwde leven is vrijwel nul, heeft premier Mark Rutte onlangs in een persconferentie laten weten. Naar het buitenland op vakantie in de zomermaanden? Zet dat echt maar uit je hoofd. Het wordt dus een vakantie Rundumhausen. Interessant om dan eens een oude vakantiegids erbij te nemen, bijvoorbeeld Langs de Geul - Schetsen uit Limburg.  De zeer opmerkelijke wandelgids verscheen in 1886 en werd geschreven door Jan Hobbel, een journalist van het Rotterdamsch Nieuwschblad


Rotterdamsch Nieuwsblad 2 augustus 1886 (gevonden via www.delpher.nl)


Jan Hobbel (1857-1931) schreef vernietigend over Venlo (bron: website BWSA)

De schrijver was een omstreden man. Hij had zich in vlijmscherpe pennenvruchten tegen het socialisme gekeerd. Het gevolg was dat er een aanslag op hem werd gepleegd en dat hij onder politiebegeleiding naar zijn werk moest. Voor zijn veiligheid en rust dook hij zelfs een tijd in Limburg onder. In de gids, ontstaan tijdens deze gedwongen retraite, beschrijft Hobbel hoe hij per stoomboot van Rotterdam naar Willemsdorp reist en verder met de trein via Breda naar Venlo en vervolgens naar Maastricht. De spoorverbinding Eindhoven-Roermond bestond nog niet, dus alle treinreizigers waren genoodzaakt over te stappen op station Venlo.


Eerste brug over de Maas, 1866 (foto Julius Perger/collectie Limburgs Museum)

Als Hobbel over de brug komt, krijgt hij de indruk dat Venlo een grote stad is, maar helaas: ‘Valt er iets tegen dan is het Venloo, dat een doode stad is. Bijna geen leven, geen vertier. Het is doodsch en somber in de straten, alleen de stafmuziek (Hobbel bedoelt de muzikanten van het regiment Huzaren) die nu en dan wat leven in de Einöde toetert, brengt een enkele maal wat drukte aan. Wat wij u bidden mogen: logeer liever niet in Venloo. De keus van een goed logement is er zoo uiterst moeilijk, zo men niet tevoren goed ingelicht is. Tot de nietigste kroeg heet er café, de minste herberg hotel. Het wemelt van de opschriften in deze stad, alle Fransche of Duitsche.‘  




 
Prentbriefkaarten van het station Venlo, circa 1900-1910; Venlo was in deze periode een belangrijke schakel in het Europese spoorwegverkeer (Facebookgroep Venlo wie 't vruuger waas)

Hobbel beveelt zijn lezers hotel Het Zwijnshoofd aan. Dat was in de negentiende eeuw gelegen aan de Houtstraat, in het pand waar nu het etablissement is dat zich op Poolse seizoenwerkers richt. Het hotel kan dan wel zijn goedkeuring wegdragen, van de smalle Houtstraat zelf heeft Hobbel absoluut geen hoge pet op: ‘Als men den gevel van Het Zwijnshoofd wil overzien, dient men te beginnen met op den rug te gaan liggen. Dan heeft men kans. Stond de Limburgsche grond niet zoo goed vastgespijkerd, dan zouden we hier verzakkingen van groote afmetingen zien.’

In de tijd dat Jan Hobbel Venlo bezoekt, is Herman van Wessem eigenaar in hotel Het Zwijnshoofd. Arts Victor Dubois koopt het pand in het begin van de twintigste eeuw. Het hotel verhuist dan naar de Picardie en later naar de Kaldenkerkerweg. Volgens Hobbel is er in Venlo nog een redelijk adres om als reiziger te overnachten: hotel In de Gochsche Kar aan de Grote Kerkstraat. Het etablissement was vooral bekend bij gastronomen. De kookkunst van de eigenaresse Grietje Franssen was onovertroffen. De Gochse Kar had een achterzaal, waar handelsreizigers hun waar uitstalden en de Venlose middenstand ontvingen. De beroemde auteur Multatuli, Eduard Douwes Dekker voor de burgerlijke stand, verbleef in de Gochse Kar toen hij een voordracht in Venlo moest geven. In Venlo viel het oog van de schrijver op Mimi Hamminck, met wie hij in 1875 zou trouwen. Hotel de Goche Kar lag op de plek waar na de oorlog de kapperszaak en woning van de familie Haanen was.


Prentbriefkaarten Grote Kerkstraat, circa 1900-1910, bij Hotel Geritzen hangt een buitenlamp met opschrift Hotel (Facebookgroep Venlo wie 't vruuger waas)

Terug naar Jan Hobbel, onze gids door het Venlo van 1886. De man had een grote interesse in dialecten blijkt door het hele boekje. De liefhebbers van het Venlose dialect, tot wie ik me zelf ook reken, krijgen echter een knauw van jewelste. Hou u vast: ‘Van de spraak der Venloërs zoudt gij walgen, minstens een afkeer hebben. Verstaan kunt gij er niets van. Neem wat onzuiver Fransch, een mond vol koeterwaalsch, wat Duitsch, Russisch en IJslandsch dooreen, spreek dit met ongekende snelheid uit, terwijl gij een kleed uitklopt of ferm op een blik slaat, en gij hebt zoo ten naaste bij het effect dat Venloo’s dialect maakt.’

Knorrepot Hobbel eindigt zijn korte bezoek met de verzuchting: ‘Wij stijgen maar weer liever in het spoor en reizen door tot Roermond of Maastricht.’ Hij krijgt van ons de zegen na.

Reageren? Mail Sef Derkx: floddergats@trompetter.nl.  



















   

donderdag 16 april 2020

De Halte - Natuurtheater Velden

(tekst Sef Derkx/foto's collectie Pieter Duijf)

Vijfentwintig graden in Limburg. De weervrouw had het met een brede glimlach aangekondigd. De allereerste zomerdag in 2020 en dat al begin april. We besluiten om met de fiets naar Velden te gaan en niet met de bus. Natuurlijk ook met het oog op het virus. Doel van onze tocht is het openluchttheater. Iedereen kent natuurlijk De Doolhof in Tegelen. Het openluchttheater van Velden ligt aan het noordzijde van het dorp. Bij buurtschap Hasselt gaan we de Molendijk op, slaan af naar de begraafplaats en fietsen nog een stukje door over de Vuurweg. Een rustiek houten bord geeft aan waar de ingang is van het theater. We zijn getipt door Pieter Duijf, collega-publicist en Veldenaar tot in zijn haarwortels. Hij was zeven jaar geleden een van de initiatiefnemers, die het verkommerde natuurtheater nieuw leven heeft ingeblazen.


Maar laten we eerst teruggaan naar het begin, naar het bevrijdingsjaar 1945. Het door de oorlog geteisterde Velden neemt Chris van Erp in dienst als bouwkundig opzichter. Hij ontpopt zich als een betrokken ambtenaar die niet alleen begaan is met de wederopbouw van het dorp, maar ook met het welzijn van de Veldenaren. 



Om de mensen ontspanning te kunnen bieden, oppert hij het idee van een openluchttheater in de natuur. Medestanders omarmen het plan, er wordt een geschikt terrein gevonden op de Schandelose Heide en jonge vrijwilligers gaan aan de slag. Duizenden kruiwagens met zand worden verplaatst en opgeworpen tot een amfitheater, een aangelegde vijver dient als klankbord. Na lang zwoegen gaat het openluchttheater in de late zomer van 1946 open. 





Als regisseur  treedt in de eerste jaren Grad van Enckevort naar voren. Hij leidt religieus doordesemde theaterstukken, waarin zo’n honderdvijftig acteurs en figuranten uit Velden en omgeving meespeelden. Wij kennen Grad van Enckevort nog uit de jaren zestig en zeventig toen hij zich tot schrik van de goegemeente van Sevenum als dorpsprovo ontpopte.  

Terug naar Velden. Het idee van een openluchttheater blijkt te hoog gegrepen. De belangstelling voor de voorstellingen taant en de Culturele Vereniging, die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de accommodatie, kampt in 1950 met een tekort van tweehonderd gulden. Een jaar later sluit het theater, in de jaren die volgen raakt het overwoekerd en neemt de natuur het terrein terug. Ruim zestig jaar later, begin 2014, gaan vrijwilligers aan de slag om het te heroveren op de natuur. Het resultaat is een prachtige, intieme droomplek midden in het groen met een door de vijver natuurlijke akoestiek.      







Van nul tot nu - Naar huis ging zomaar niet

(door Albert Lamberts).
Het was zeker in de eerste maanden na de bevrijding van Venlo – op 1 maart 1945 – bepaald nog geen uitgelaten stemming in de zwaar gehavende stad. In een extra uitgave van het blad De Vliegende Hollander met Pasen 1945 werd zelfs gesproken van de wellicht zwaarst getroffen stad  in Nederland. Overigens werden deze blaadjes verspreid door de geallieerde luchtmacht. In die weken drong generaal Patton door tot in Frankfurt en boekte zijn Britse collega Montgomery met een nieuw offensief succes op weg naar Münster.
Het sinds 18 april verschenen Dagblad voor Noord-Limburg besteedde uiteraard aandacht aan de oorlogshandelingen, maar de voorpagina bracht toch veelvuldig plaatselijk en regionaal nieuws. Daaruit bleek hoe moeizaam het gewone leven weer opgepakt kon worden. 
In Venlo teruggekeerde evacués maken een praatje met elkaar (foto US Army Signal Corps; collectie Albert Lamberts)

Niet alleen werden honderden mensenlevens betreurd, lagen talloze gebouwen in puin en was eigenlijk aan zowat alles een gebrek, ook de duizenden geëvacueerden waren nog ver van huis. Op 21 april waarschuwden de geallieerden de ontheemden: nu de noordelijke provinciën bevrijd zijn, trachten tal van geëvacueerde Limburgers op eigen gelegenheid naar huis terug te keeren. Met nadruk wordt er door de militaire autoriteiten op gewezen, dat aan een dergelijke poging zeer onaangename gevolgen verbonden kunnen zijn. De geallieerde legerleiding heeft de controle op de groote rivierovergangen in handen. Hij, die tracht zonder voorzien te zijn van de vereischte papieren, de grenzen of rivieren te passeren, heeft rekening te houden met de ernstige mogelijkheid in een algemeen kamp van repatrieerenden te worden ondergebracht. Van daaruit zal een terugkeer naar huis veel moeilijker zijn

Dat was dus een forse tegenvaller. Mijn ouders en twee oudste broers hadden geluk. Zij mochten door, omdat onze vader in de levensmiddelenbranche werkzaam was. Uitgerekend op de dag, dat de geallieerde waarschuwing werd gepubliceerd kregen zij van luitenant-kolonel A.H. Stork, Militaire Commissaris der provincie Drenthe een verklaring, waarin militaire, zoowel civiele autoriteiten (werd verzocht) de familie zooveel mogelijk met alles behulpzaam te zijn, ten einde hen in staat te stellen hun reis te volbrengen. Holder (van de verklaring) is owner of vegetable canning plants. Houder is eigenaar van een groentenconservenfabriek.

In diezelfde dagen van april van 1945 was Prins Bernhard op bezoek bij bisschop Lemmens. Niet in Roermond, maar in Leeuwarden, Voorstreek 62, waar de bisschop verbleef. Bernhard, als opperbevelhebber der Binnenlandse Strijdkrachten en toen nog gezien als oorlogsheld, informeerde naar de toestand van de Limburgers in den vreemden en zegde toe alles in het werk te stellen om de re-evacuatie te bespoedigen.
Maar er waren meer zorgen. Grote zorgen. In Venlo en omstreken. De boeren op de omliggende boerderijen moesten constateren dat van hun bezit vrijwel niets over was. Brauner, de plaatselijke vertegenwoordiger van de Reichskommissar had op een bijeenkomst in Venlo verteld, dat het vee naar de oostzijde van de Maas gedreven werd om daar de bevolking te voeden. Nou, mooi niet dus. Het vee verdween linea recta naar de Duitse slachthuizen. Koeien en paarden, o zo belangrijk voor het ploegen van het land, werden weggevoerd, waardoor boeren in het voorjaar niets konden beginnen.

Bij terugkeer trof men vooral puinhopen aan, zoals hier aan de Van Cleefstraat (collectie Albert Lamberts)
En de vraag: hoe om te gaan met collaborateurs? Wie was werkelijk collaborateur? Het zogeheten maatschappelijk puin moest verdwijnen: politieke trawanten van den bezetter, de verraders, de saboteurs van onze bevrijding en zij die zich ten koste van ons opgejaagde en uitgeplunderde volk hebben verrijkt. Er waren inderdaad eervergeten “Nederlanders” die hun landgenooten bij den vijand aanbrachten, omdat zij met hem een persoonlijk geschil hadden, ijverzuchtig waren of andere minderwaardige motieven. Nu de germaansche roofkliek uit dit landsgedeelte is verwijderd dreigt een gelijksoortig verschijnsel op te treden, aldus Het Dagblad voor Noord-Limburg van 23 april 1945. De wapens zwegen, maar de oorlog was nog lang niet voorbij. 
Reageren? Stuur een e-mail naar Albert Lamberts: albertlamberts@home.nl


Duits lager onderwijs aan het Helschriksel

Vanuit Afferden ontvingen we een reactie op onze blog over de Mostartschoeël. Nee niet in Noord-Limburg, maar Afferden in Gelderland. Het dorp maakt dat deel uit van de gemeente Druten. Ook daar wordt de Floddergatsblog gelezen en wel door Jacques Gerards, die ons het volgende liet weten: 

‘Naar aanleiding van je verhaal over het lager onderwijs in Venlo begin twintigste eeuw hierbij een zelf gemaakte  ansichtkaart, getekend door een lid van de familie Melleck, met als thema de opening van de Kaiserin Victoria Schule oftewel Duitse School in 1912 en verzonden binnen de familie Melleck in 1914. Met vriendelijke groet, Jacques.’

Dank je wel, Jacques. We mogen de prentbriefkaart met u delen en doen dat hierbij.



Kaiserin Augusta Viktoria Schule
(door Sef Derkx).

Rond 1900 had Venlo een relatief grote Duitse kolonie. Duitse postbeambten werkten hier en ook Duitse spoorwegmaatschappijen, waaronder Die Köln-Mindener Eisenbahngeselsschaft, waren in Venlo gevestigd. In totaal telde de gemeente zo’n achthonderd Duitsers. 


Nedinsco in 1921 (collectie Sef Derkx)

Na de Eerste Wereldoorlog kwamen daar nog de werknemers bij van bedrijven als de Nedinsco. Er waren bovendien in die jaren nog veel Duits-Nederlandse huwelijken. Wanneer Amor zijn pijlen schoot, voelde men zich niet gehinderd of bezwaard door de grens tussen beide landen. De kinderen van de Duitse ingezetenen bezochten Venlose scholen of reisden met de trein naar Kaldenkerken. Het was verre van ideaal.


Leerlingen van de Duitse school, Kerstmis 1912 (collectie Gemeentearchief Venlo)

Omdat op de Venlose scholen alleen in het Nederlands werd onderwezen, vreesden de ouders dat er een onoverkomelijke achterstand zou ontstaan in de kennis van de Duitse taal. Het reizen naar Kaldenkerken bracht een hoop geregel en rompslomp met zich mee. Er moest nodig wat gebeuren en aldus geschiedde. Eind 1910 werd op initiatief van Oberpostassistent C. Dösch de Deutscher Schulverein Venlo opgericht. Twee jaar later werd de droom van lager onderwijs in de Duitse taal werkelijkheid. In de voormalige openbare lagere school aan het Helschriksel ging de Kaiserin Augusta Viktoria Schule met vier klassen van start. Tot hoofd van de school werd H. Tummers benoemd. 



Kaiserin Augusta Viktoria (bron: Wikipedia)

Naamgeefster was de eega van de Duitse keizer Wilhelm II. Het keizerlijk echtpaar zou overigens in 1918 per trein naar Nederland ontvluchten en hier in ballingschap gaan. Tijdens de reis, die wereldnieuws was, maakten beiden een korte tussenstop op het station van Venlo. Of die Kaiserin geweten heeft dat ter plaatse een naar haar vernoemde school was, moet worden betwijfeld. 

Nieuwe Venloosche Courant 12 november 1918 (gevonden via www.delpher.nl)

Die Kaiserin Augusta Viktoria Schule was de vierde Duitse school in Nederland.  De grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag gingen Venlo vooraf. Een belangrijke leerkracht was de Duitser Alfred Schaffer. Hij kreeg in 1915 een aanstelling als onderwijzer, werd later bevorderd tot schoolhoofd en zou tot diep in de Tweede Wereldoorlog aan de school verbonden blijven. Bij een plechtigheid ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de school in 1942 herinnerde Schaffer in een toespraak aan de ups en de downs. Bij zijn aantreden waren er 150 leerlingen, maar dat aantal viel terug tot slechts 73. Dit is vrij opmerkelijk, want de Duitse School stond bekend als een meer dan uitstekend onderwijsinstituut. 

Er speelden externe factoren. Duitsland stortte zich in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Het oplevend patriottisme en nationalisme deed Duitsers in Venlo besluiten terug te keren. Het aantal leerlingen van de Kaiserin Augusta Viktoria Schule nam zienderogen af. De grote politieke en maatschappelijke onzekerheid die ontstond na de capitulatie, bracht wederom beambten van de Duitse post en spoorwegen ertoe uit Venlo te vertrekken. In de eerste helft van de jaren twintig werd Duitsland geteisterd door een hyperinflatie. De Mark was in korte tijd niets meer waard. Het schoolfonds dat door de ouders van de leerlingen Pfennig voor Pfennig was gespaard, verdampte in enkele weken. 

Prentbriefkaart van het Helschriksel met rechts de Duitse school (collectie Piet Braem)

Door gebrek aan geld werd het onderhoud aan het schoolgebouw aan het Helschriksel alsmaar naar voren geschoven, met als resultaat dat er onderricht werd gegeven in een tochtend en lekkend krot  Het einde van de Duitse School leek nabij, maar het tij keerde.

De komst van Oostenrijkse vluchtelingenkinderen en de vestiging van enkele grote Duitse bedrijven - met voorop de eerder genoemde Nedinsco die zou uitgroeien tot de onderneming in Venlo met de meeste werknemers - bracht de leerlingenpopulatie weer op peil. Het huurcontract van het gebouw aan het Helschriksel werd in 1928 niet meer verlengd. De Duitse School vond onderdak in de Mostartschoeël. Maar dat zou maar  tijdelijk zijn, want er bestonden grootse plannen voor een nieuw schoolgebouw aan de Julianastraat (wordt vervolgd).

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.