(door Pieter Duijf)
OOK RIJKSMONUMENT HET SCHOLTISHUIS
VIEL TEN PROOI AAN DE NAOORLOGS SLOEPWOEDE
Advertentie verkoop Scholtishuis door notaris Brouwers, 1907
Het is geen opzienbarende bewering als
we stellen dat Velden niet begiftigd is met een mooie historische dorpskern.
Deels ligt dit aan de verwoestingen tijdens de laatste oorlog, maar misschien is
dit nog wel meer te wijten aan de naoorlogse sloopwoede van lokale bestuurders.
Hoe anders was het voor de bezettingsjaren toen de Markt nog een knus
dorpsplein was met het statige Scholtishuis als trots middelpunt. Oudere
Veldenaren dromen nog steeds weg bij de dierbare herinneringen die ze koesteren
aan het vroegere rijksmonument. Hoe kon dit prachtige pand met zulk een rijke
historie ooit afgebroken worden? Een reconstructie.
Scholtishuis, 1945
Gekke Maondag in de jaren vijftig, op achtergrond het Scholtishuis
Op 31 juli 1968 stuurt de Naardense
architect W.Ph.I. Noé een brandbrief naar het toenmalige college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Arcen en Velden. Hij beseft dat het
op uren of misschien zelfs op minuten aankomt om het Scholtishuis te redden van
een dreigende sloop.
Brief architect W. Noé over Scholtishuis
De architect smeekt om uitstel van de beslissing omdat in
zijn ogen: ‘tijd gemakkelijker te krijgen is dan op korte termijn geld’. De
bouwmeester uit het Gooi kent het hele gebouw niet, maar zijn klaarblijkelijke
gevoel voor en kennis van cultuurhistorisch erfgoed hadden hem doen fronsen bij
het lezen van een bericht in het vakblad Cobouw, dat het uit de zeventiende of de achttiendeeeuw stammende pand op de nominatie staat om afgebroken te
worden.
Hij luidt de noodklok maar het mag
niet meer baten. Drie dagen later wordt bij beschikking van de Minister van
Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk de vergunning tot afbraak verleend.
Scholtishuis, eind jaren zestig
De geschiedenis van het Scholtishuis voert in ieder geval
terug tot 1713, toen een zekere Nicolaas Vogt in Velden de rol van schout
vervulde. Hij resideerde in het Scholtishuis. Een schout of scholtis was een
machtig en gezaghebbend iemand, die zowel burgemeester, officier van justitie
als veldwachter was.
Scholtishuis, 1860
Het oorspronkelijke complex bestond in
de achttiende en negentiende eeuw uit een villa met een woon- en
herbergfunctie, een brouwhuis en een boerderij, dat bijna de gehele bebouwde
kom binnen het vierkant Markt, Dorpstraat, Wilhelminastraat en Scholtisstraat
omvatte.
Het Scholtishuis raakte door de eeuwen
heen onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van Velden. De zeventiende -eeuwse
geleerde Constantijn Huygens, die Frederik Hendrik begeleidde op zijn
veldtochten en reizen, schrijft in zijn dagboek dat de Prins van Oranje in de
nacht van 9 op 10 oktober 1646 overnacht in Velden, toentertijd niet meer dan
een gehucht met een kerk en een handvol boerderijen. De overnachting moet in de
voorloper van het Scholtishuis zijn geweest: dat was samen met de pastorie het
enige notabele gebouw in het dorp.
Frederik Hendrik
Als de vrije Heerlijkheid Velden in de
jaren III en IV (1795 en 1796) van de Franse Republiek wordt opgeheven wordt
Velden, evenals Arcen en Lomm, een zelfstandige gemeente. Jean Haenen wordt in
1798 municipaal agent van Velden en huist in het Scholtishuis, waar voor het
eerst registers van de burgerlijke stand worden bijgehouden. In 1801 worden
Arcen, Lomm en Velden tot één gemeente verenigd onder de naam ‘Mairie de
Velden’. De eerste gemeenteraadsvergadering vindt plaats op 9 februari 1801 in
het Scholtishuis onder leiding van Maire Jean Haenen, die tevens belast wordt
met het invoeren met de tot dan onbekende dienstplicht. De eerste rekruten uit
de gemeente dienden zich te melden in –jawel- het Scholtishuis.
Het Scholtishuis maakte plaats voor een kaal gazon, 2020
Het Scholtishuis was een
karakteristiek gebouw, beeldbepalend voor de dorpskern. Nog altijd, vijftig
jaar na de sloop, maakt de Veldense Markt een geamputeerde indruk, ondanks
recente opknapbeurten. De plek waar ooit het hart van het dorp bonkte en
pronkte is nu een kaal gazon. En dat terwijl in nummer 200 van het Staatsblad
uit 1961 het Scholtishuis nog werd omschreven als een ‘hoog huis met zadeldak
tussen topgevels met vlechtingen en tandlijsten’ en ‘als een gebouw van
eenvoudige doch harmonische architectuur en van oudheidkundige waarde.’ Hoe kon
het zover komen dat zo’n monumentaal gebouw met zoveel cultuurhistorische
waarde toch werd gesloopt, onder ogenschijnlijk betrekkelijk weinig weerstand?
Was het onkunde? Onmacht, of zelfs onwil van lokale bestuurders? Ontbrak het
Velden aan de juiste lobby’s richting Maastricht en Den Haag? Of verkeerde het
pand bouwkundig in zo’n deplorabele staat dat het, bij gebrek aan middelen voor
een opknapbeurt, wel met de grond gelijk gemaakt moest worden?

Kaarten in het Scholtishuis, jaren vijftig
De Delftse stedenbouwkundige
Prof.Ir.J.H. Froger wordt in 1961 door de gemeente belast met het opmaken van
uitbreidings- en komplannen rondom de Markt in Velden. Het dorp is zich in die
jaren aan het ontwikkelen van een overwegend agrarische gemeenschap tot een op
Venlo gericht forensendorp. Froger valt meteen het Scholtishuis op, dat hij
omschrijft als ‘een karakteristiek exemplaar van oude architectuur’ en als ‘een
gebouw dat door zijn vorm, zijn ligging en zijn historische betekenis waard is
behouden te blijven.’ Klaarblijkelijk zijn er dan al plannen om het pand te
slopen want Froger vraagt in een brief aan het college te overwegen ‘alvorens
stappen worden gedaan die tot sloping zullen leiden, te onderzoeken of voor dit
Scholtishuis een bestemming is te vinden, die het de moeite waard maakt tot
restauratie over te gaan.’
Het kerkbestuur, de toenmalige
eigenaar van het pand, heeft dan al vergevorderde plannen om het gebouw te
verkopen aan een ondernemer, die het wil slopen om er een modern winkelpand neer
te zetten. Dat laten Arcen en Velden niet gebeuren: in allerijl koopt de
gemeente het Scholtishuis voor het bedrag van 7000 gulden met als doel het te
laten restaureren, zodat het kan gaan fungeren als hulpsecretarie en
gemeenschapshuis.
Scholtishuis vanuit het zuidoosten, 1925
Aan de Rijksdienst voor Monumentenzorg
wordt per brief op 15 december 1961 een ‘ruime financiële bijdrage’ gevraagd.
Het antwoord komt vele maanden later, op 10 september 1962, zonder een
daadwerkelijke toezegging. Verder dan het verstrekken van een zogeheten aanmoedigingssubsidie
kan men gezien ‘de zeer ongunstige financiële toestand van Monumentenzorg’ niet
gaan.
Weer een maand later vraagt het
college een subsidie aan bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en
Wetenschappen. Andermaal kan er niets beloofd worden. Wel schrijft mr.A.L.
Goedhart van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming van het betreffende
ministerie, dat de restauratiekosten ‘in beginsel’ in aanmerking komen voor
subsidie. Hij adviseert een architect ter hand te nemen voor het opstellen van
een begroting en restauratieplan. De Rijksdienst voor Monumentenzorg tipt de
Blerickse architect L. Sorée en de gemeente Arcen en Velden stelt hem aan,
omdat hij kan bogen op veel restauratiewerk.
En zo wordt tijdens een bespreking op
10 januari 1964 in het Arcense gemeentehuis officieel belast met de opdracht.
Bij deze bijeenkomst is naast het voltallige college en de gemeentesecretaris
ook de heer L.J. Ensing van Monumentenzorg aanwezig. Deze naam komt in eerdere
en latere correspondentie meermalen voor.
Gemakshalve gaat de gemeente al uit
van een zeer ruimhartige subsidie van het rijk en de provincie. Men komt,
schattend, op een totale bijdrage van 72% van de totale kosten. Op 28 december
1964 is het bouwkundig rapport met gedetailleerde tekening inclusief begroting
klaar. Renovatie blijkt wel degelijk mogelijk. De totale kosten worden beraamd
op 152.374 gulden. Na goedkeuring wil de gemeente de restauratie laten
uitvoeren door aannemersbedrijf Ch. Knops & Zn. uit Venlo.
Prentbriefkaart Velden, eerste kwart twintigste eeuw
Op 8 januari 1965 dient de gemeente
andermaal een subsidieverzoek in bij het ministerie. Het ministerie wil echter
niet verder gaan dan een bedrag van 25.000 gulden. De briefwisseling verloopt
ondanks de urgentie opvallend traag. Niemand maakt haast.
Pas zestien maanden later komt de zaak
weer uit het stof, als het Veldens postkantoor per 1 juni 1967 de huur wordt
opgezegd: de eigenaar zegt het pand zelf nodig te hebben. Het Scholtishuis zou
als postkantoor kunnen worden ingericht, dus de gemeente vraagt om een hoger
subsidiebedrag. De Haagse Heren zijn
echter onvermurwbaar. In een schriftelijk repliek geeft het ministerie bij
monde van het hoofd van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming, drs. mr.
O. Ter Kuile, het gemeentebestuur zelfs een veeg uit de pan. Op 14 juni 1966
schrijft deze dat hem ‘bij herhaling is gebleken dat eigenaren van te
restaureren monumenten in de mening verkeren dat subsidiëring van restauraties
een automatische gelegenheid is. Dit is echter in genen dele het geval.’ Het bericht
van 11 oktober 1966 komt dan ook niet als een verrassing: de rijkssubsidie zal
onder geen beding worden verhoogd.
Dan gooit Velden handdoek in de ring.
Op 9 december 1966 beslist de gemeenteraad vervolgens unaniem, en zonder veel
discussie, dat het ministerie om toestemming moet worden gevraagd het
Scholtishuis van de monumentenlijst te schrappen. Het doel: definitieve en
totale afbraak van het gebouw. Raadslid W.H.J. van Keeken pleit zowaar om bij
een eventuele niet-inwilliging een beslissing hieromtrent tot in hoogste
instantie uit te lokken.
Scholtishuis, eind jaren zestig
Het trieste lot van het Scholtishuis
is hiermee bezegeld, al probeert men in een korte maar weinig overtuigende
briefwisseling nog één keer het ministerie over te halen tot het verstrekken
van een ruimere financiële tegemoetkoming. De mogelijke vestiging van het
plaatselijke postkantoor wordt als lokaas gebruikt. Het antwoord is wederom:
nee.
Achteraf kan men allerlei vraagtekens
zetten achter het besluit om het Scholtishuis te slopen. Het cultuurhistorische
aspect in het proces lijkt ver te zoeken. Zo omvat het dossier Scholtishuis
geen verzameling ordners met tekeningen en plannen, maar slechts een dun
stapeltje correspondentie en enkele gespreksverslagen. De vastgelegde
discussies zijn nauwelijks noemenswaardig en al helemaal niet diepgravend. De
inhoud en toon van de brieven van de lokale politici zijn gezapig, onderdanig
en te beleefd. Op geen enkele manier zetten de bestuurders de landelijke en
provinciale overheden echt onder druk. En waarom werd er slechts één architect
en slechts één aannemersbedrijf geraadpleegd? Het lijkt er uiteindelijk op dat
het gemeentebestuur opgelucht was verlost te zijn van het tot bouwval
gedegradeerd cultuurhistorisch pand.
Waarom probeerde men geen alternatieve
geldbronnen aan te boren? Het plaatselijke Sebastianusgilde was niet
onbemiddeld. Ook de optie van een hypothecaire lening werd niet gelicht. De
focus lag enkel en alleen op het verkrijgen van subsidies vanuit Den Haag en
Maastricht. En waarom werden de beschikbare gelden niet aangewend voor een tijdelijke
conservering van het gebouw in afwachting van het moment dat de schatkist vol
genoeg zou zijn voor een restauratie? Er was geld, alleen niet genoeg. Er lag
een doortimmerd renovatieplan en de PTT wilde heel graag als medehuurder zijn
intrek nemen in het Scholtishuis.
Scholtishuis, pentekening
Onbegrijpelijk is dat de gemeente in
1968 niet is ingegaan op een aanbod van architect Noé uit Naarden. Misschien
had deze nog voor een andere wending kunnen zorgen. Hij wordt echter per
kerende brief vanuit de Arcense burelen afgeserveerd. De tekeningen kan hij
opvragen bij zijn Blerickse collega Sorée.
Echte antwoorden op al deze vragen
komen waarschijnlijk nooit. Ze zijn mee het graf ingenomen; de meeste directbetrokkenen
zijn niet meer in leven of ontraceerbaar. De samenstelling van het
gemeentebestuur bestond uit machtige, vaak al bejaarde mannen. Het waren
overwegend herenboeren, aannemers, hoofdonderwijzers en vooraanstaande
verenigingsbestuurders. De KVP oordeelde en heerste. De lijnen met het
kerkbestuur waren kort.
Een plausibele verklaring voor de
haastige sloop is wellicht dat het kerkbestuur het Scholtishuis als een
‘sta-in-de-weg’ beschouwde. Meteen na de afbraak ontvouwden de parochiale
gezagsdragers het al wat oudere voornemen om een nieuwe toegangsweg tot de kerk
aan te leggen, precies op de plek waar het Scholtishuis had gestaan. Maar
geldgebrek dwarsboomde ook dit plan.
Niet vergeten mag worden dat in het
naoorlogse Nederland een ongebreidelde sloopwoede woedde onder overheden -
vooral in dorpen en steden die veel te lijden hadden gehad onder beschietingen
en bombardementen. Velden hoorde daarbij. Het was de modernistische toon van
die tijd.
Scholsen Ties
Een van de kleurrijkste bewoners die
het Scholtishuis heeft gekend was herbergier/bierbrouwer Johannes Matthias van
Lipzig. In Velden stond hij ook wel bekend onder de naam Scholsen Ties. Op zijn
erf verbouwde hij zijn eigen hop. Het bier was van hoge kwaliteit en vloeide
rijkelijk bij gildefeesten, bruiloften en begrafenissen. Scholsen Ties was
jarenlang hofleverancier van de kasteelheer van Arcen. In 1919 sluit hij zich
aan bij de brouwerscoöperatie ‘De Vriendenkring’ in Arcen. Scholsen Ties stierf
in 1943, halverwege de oorlog.
In 2016 brouwt de Venlose restaurateur
en inmiddels fulltime brouwer Peter Bouman in Weert op initiatief van de Historische
Werkgroep Arcen-Lomm-Velden een nieuw Scholsen Ties bier met een
alcoholpercentage van 6 % als eerbetoon aan de Veldense brouwer van weleer.
Peter Bouman droeg vorig jaar het stokje over aan John Deenen, eigenaar van de Veldense
microbrouwerij Herder Bieren aan de Rijksweg. John teelt net als Scholsen Ties
zijn eigen hop.
Reageren? Stuur een e-mail naar Pieter Duijf: piedu12@yahoo.com.