zondag 24 mei 2020

Fien M.


(door Gerrit van der Vorst)

Kamp Steyl raakte in 1945 tjokvol. Gemiddeld zaten er meer dan 600 gevangenen, op een vloeroppervlak van circa 3.700 vierkante meter. Rekening houdend met algemene ruimten was het proppen in het zwaar gehavende gebouw dat voor het huisvesten van mensen toch al totaal ongeschikt was.

Aantallen gevangenen in Kamp Steyl in 1945 (Nationaal Archief).


De omstandigheden waren bar en boos. Eigen schuld, dikke bult voor die landverraders, zullen lezers misschien denken. Maar de meeste gedetineerden in Steyl waren nog niet berecht. En, zeker, er zaten oorlogsmisdadigers onder, maar ook volmaakt onschuldigen en (zeer) lichte gevallen. Mensen die weinig of niets op hun kerfstok hadden – vaak minder dan bijvoorbeeld de gemiddelde politieman of gemeenteambtenaar, of dan sommige mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten die veel arrestaties verrichtten.


Een kaalgeknipte ‘moffenmeid’ tussen joelende omstanders (NIOD). De volkswoede had zich meteen na de bevrijding gericht op veel van dergelijke lichte gevallen, ook in Venlo.

Zwarthandelaars, ‘echte’ collaborateurs en profiteurs van groot formaat konden rustig blijven rondwandelen. Althans volgens een bericht in het Dagblad voor Noord-Limburg van 16 juni 1945. Veel van die figuren hadden zich tijdig ingedekt. Minder doortrapte ‘brood-NSB’ertjes en kleine zwarte Pieten’ waren in grote getale aangepakt, zo luidde een algemene klacht over de zuiveringen. En vaak ongenadig hard aangepakt. Een inwoner van Tegelen schreef daarover: ‘Voor mijn vader moet het ’t meest vernederende moment in het leven zijn geweest, toen hij in een groep “volksverraders” door Tegelen werd gevoerd. Ik heb dat beeld scherp op het netvlies. Vlak bij ons huis over de Bergstraat kwam die groep aanmarcheren, gedreven en begeleid door bewapende mannen.’


Arrestatie ergens in Nederland (NIOD). Er zijn geen foto’s bekend van dergelijke arrestaties in Venlo.


De vader moest later dwangarbeid verrichten bij boeren in de omgeving. Toen zijn kinderen hem daar eens boterhammen brachten, liet hij zich ontvallen ‘Wat heb ich óg toch aangedaon!’ Een belangrijk punt. Het ging namelijk niet alleen om de circa 150.000 gevangenen, maar met hen waren meer dan 400.000 gezinsleden verbonden, die ook verketterd werden. Dat was een niet te verwaarlozen deel van de Nederlandse bevolking die toen zo’n 9 miljoen zielen telde.

En ook in Kamp Steyl zaten mensen maandenlang in voorarrest, zonder dat het tot berechting kwam. Het justitiële apparaat was totaal overbelast. De buitenwacht kreeg zo de indruk dat de publiekelijk al zo zwaar vernederde verdachten wel erge wandaden moesten hebben begaan.


Het Dagblad voor Noord-Limburg berichtte al op 21 augustus 1945 over de interneringsproblematiek (Gemeentearchief Venlo).


Een van de mensen waarvan later duidelijk werd dat ze ten onrechte vast hadden gezeten, onder meer in Kamp Steyl, was de bekende Venlonaar Lei Kemps. Hij zat 360 dagen gevangen op een valse aanklacht, naar later bleek. De arrondissementsrechtbank in Roermond zou hem in maart 1952 de maximale schadevergoeding van acht gulden per dag toekennen, in totaal 2.880 gulden.


Lei Kemps had tijdens de bezetting de Venlose korpschef in De Bovenste Molen zien ‘fuiven’ met Gestapo-beambten (privécollectie). Dat was hem na de bevrijding lelijk opgebroken, toen hij meteen een kamp werd ingewerkt.


Een schrijnend geval was de Venlose Fien M. Fien was niet voor het geluk geboren. In het weeshuis was ze doof geworden en daarna was haar huwelijk een hel geworden. Haar echtgenoot, NSB’er van het eerste uur en later SS’er, had haar bedreigd en bedrogen. Desondanks had Fien haar vier kinderen zo goed mogelijk opgevoed. In 1944 was een zoontje op zevenjarige leeftijd overleden aan beenkanker. Daarna was haar echtgenoot – inmiddels ontslagen als Rottenführer bij de Waffen SS: ‘charakterlich ungeeignet’ – van haar gescheiden, om te hertrouwen met een Weense vrouw. 


Fiens echtgenoot (midden) met andere Venlose nationaal-socialisten (privécollectie). Begin 1946 zou hij in Oostenrijk gearresteerd worden door de geheime dienst van het Amerikaanse leger en in de mist verdwijnen.


Fiens probleem was dat haar ex-echtgenoot haar lid van de NSB had gemaakt. Maar NSB-lid 121185 had nooit iets fouts gedaan. Toch zou ze tot 5 februari 1946 in Kamp Steyl moeten blijven. Zonder haar drie jonge kinderen en ondanks een smeekbede van een ex-schoonzuster. In Kamp Steyl zat ze tussen veel lichte gevallen, maar ook met onbetwiste oorlogsmisdadigers, zoals de verrader Fattie Pannemans.


Foto van Fattie Pannemans, waarmee illegale werkers tijdens de bezetting voor hem gewaarschuwd waren (Nationaal Archief). Pannemans was het zwarte schaap van een keurige familie. Hij had joodse Nederlanders in handen van de Sicherheitspolizei gespeeld.


Na acht ellendige maanden bleken er uitsluitend gunstige verklaringen te liggen en mocht Fien alvast naar huis. Het Hoofd van de Politieke Rechercheafdeling te Venlo adviseerde tot onvoorwaardelijke buitenvervolgingstelling. Om onbegrijpelijke redenen nam het Bijzonder gerechtshof in Den Bosch dat advies niet over: Fien M. werd pas op 19 november 1946 buiten vervolging gesteld, op voorwaarde dat ze zich drie jaar als een goed Nederlander zou gedragen. Ze had nooit anders gedaan.




Fien M. in Kamp Steyl (privécollectie).

zaterdag 23 mei 2020

Van nul tot nu - Arcen en ‘die van Venlo’


(door Albert Lamberts)
Tja, de Schanstoren in Arcen binnendijks of buitendijks, daar houden de dorpsraad van Arcen en het waterschap zich momenteel mee bezig. Ik hoop, dat welke maatregelen er ook getroffen worden, deze in elk geval het voortbestaan van de Schanstoren niet in gevaar brengen. Sterker nog: ik hoop dat te nemen maatregelen juist de conservatie van het rijksmonument ten goede komen. Want…

De Schanstoren, zij markeert een geschiedenis, waarin de zuidelijke buur Venlo ook een rol speelt. Het kanon aan de voet van de Schanstoren in Arcen staat niet voor niets dreigend op Venlo gericht. Dat heeft met het verleden te maken. Kanonskogels naast het geschut beloven weinig goeds voor de stad, die begin deze eeuw bij een gemeentelijke herindeling zijn ambtelijke vleugels over de gemeente Arcen en Velden uitsloeg. Een informatiebordje aan de Schanstoren, dat gewag maakte van die van Venlo sprak boekdelen, maar werd enige jaren geleden vervangen door fraaie, neutrale informatieborden. Eeuwenlange animositeit en rivaliteit tussen Arcen en zijn zuidelijke buur hebben inmiddels toch wel plaats gemaakt voor een keurig samengaan. En laten we wel wezen: Venlo mag zich gelukkig prijzen met het mooie Arcen en zijn toeristische trekpleisters. 

 
Reconstructie Schanstoren, visuals Albert Kiefer i.s.m. Hein Hundertmark in opdracht van de afdeling erfgoed van de gemeente Venlo

Samen met het kasteel en de watermolen mag de Schanstoren als een symbool gelden voor de roemrijke geschiedenis van Arcen, een geschiedenis die door ‘die van Venlo’ eeuwenlang in wisselende mate is beïnvloed. De Schanstoren is als het ware het fysieke restant van de strijd tussen Arcen en Venlo, die door laatstgenoemde werd gewonnen toen Venlo in 1343 door hertog Reinoud II tot stad werd verheven. De heerlijkheid Arcen verloor zijn stapelrecht zeer tegen het zere been van de Heer van Arcen. In de akte tot stadsverheffing bepaalde Reinoud dat hij niet zou toestaan dat er enich opslach oft comenschap (koopmanschap) van enigehande goede, ergent si tusschen Moudic (Mook) ende Venlo aen di side daar Venlo gelegen is, dan tot Venlo zou plaatsvinden. Met andere woorden geen stapelrecht of handel aan de Maas bij Arcen. 

De Schanstoren maakte deel uit van de Arcense vestingwerken langs de Maas, die bescherming moesten bieden tegen Venlose aanvallen. De strijd om de rechten op de Maas duurde immers, het decreet van Reinoud ten spijt, nog eeuwenlang voort. 


Prentbriefkaarten Maashotel met Schanstoren (particuliere collecties) 

Ergens begin jaren tachtig van de vorige eeuw verrichtte professor Dr. Renaud opgravingen nabij de Schanstoren, daarbij onder andere geassisteerd door de legendarische juffrouw Stoel, voorzitster van de plaatselijke Historische Werkgroep. Dat was in aanloop naar restauratie van de inmiddels door oorlogshandelingen en de tand des tijds tot ruïne vervallen Schanstoren. Toen de toren wat was opgekalefaterd kwam voor de Historische Werkgroep de jobstijding, dat het belendende, fameuze Maashotel voorgoed zou sluiten na tweemaal kort elkaar door het Maaswater te zijn overvallen. Een bezwaarschrift van de Historische Werkgroep tegen sloop en geplande bouw van een hoog appartementencomplex op de plek van het Maashotel haalde niets uit. 


Schanstoren met appartementencomplex La Tour Meuse (foto MeerWolff)

Ik was er bij de sloop- en grondwerkzaamheden toevallig getuige van, dat met een metaaldetector twee kanonskogels werden getraceerd, die door Hay Gout van de Historische Werkgroep ter plekke werden veilig gesteld voor het lokale museum. Daar kwam de enerverende geschiedenis even bovengronds. 


September 1995, Hay Gout van de lokale Historische Werkgroep heeft zojuist twee kanonskogels verworven (foto Albert Lamberts)

Gelukkig werd de ruïne van de aloude Schanstoren, hij dateert van ergens tussen 1400 en 1425, in de laatste decennia wat meer gekoesterd en vormt nu een unieke combinatie met het appartementencomplex La Tour Meuse. Oud en nieuw naast elkaar, zoals het college van B en W van Arcen in 1995 aan de Historische Werkgroep schreef: Wel zal een nog groter contrast ontstaan tussen historie en moderne tijd. Een contrast overigens dat een heel aardig effect en belevingswaarde zal hebben en derhalve ook zeer acceptabel is. Stijlveranderingen kunnen best acceptabel worden ingepast.

De Schanstoren staat er nu mooi bij. En hopelijk blijft dat zo. Binnendijks of buitendijks.

Reageren? Stuur Albert Lamberts een e-mail: albertlamberts@home.nl

vrijdag 22 mei 2020

De Sloopkogel - Het Scholtishuis

(door Pieter Duijf)
OOK RIJKSMONUMENT HET SCHOLTISHUIS VIEL TEN PROOI AAN DE NAOORLOGS SLOEPWOEDE

Advertentie verkoop Scholtishuis door notaris Brouwers, 1907

Het is geen opzienbarende bewering als we stellen dat Velden niet begiftigd is met een mooie historische dorpskern. Deels ligt dit aan de verwoestingen tijdens de laatste oorlog, maar misschien is dit nog wel meer te wijten aan de naoorlogse sloopwoede van lokale bestuurders. Hoe anders was het voor de bezettingsjaren toen de Markt nog een knus dorpsplein was met het statige Scholtishuis als trots middelpunt. Oudere Veldenaren dromen nog steeds weg bij de dierbare herinneringen die ze koesteren aan het vroegere rijksmonument. Hoe kon dit prachtige pand met zulk een rijke historie ooit afgebroken worden? Een reconstructie.


 Scholtishuis, 1945
Gekke Maondag in de jaren vijftig, op achtergrond het Scholtishuis

Op 31 juli 1968 stuurt de Naardense architect W.Ph.I. Noé een brandbrief naar het toenmalige college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arcen en Velden. Hij beseft dat het op uren of misschien zelfs op minuten aankomt om het Scholtishuis te redden van een dreigende sloop.
Brief architect W. Noé over Scholtishuis

De architect smeekt om uitstel van de beslissing omdat in zijn ogen: ‘tijd gemakkelijker te krijgen is dan op korte termijn geld’. De bouwmeester uit het Gooi kent het hele gebouw niet, maar zijn klaarblijkelijke gevoel voor en kennis van cultuurhistorisch erfgoed hadden hem doen fronsen bij het lezen van een bericht in het vakblad Cobouw, dat het uit de zeventiende of de achttiendeeeuw stammende pand op de nominatie staat om afgebroken te worden.

Hij luidt de noodklok maar het mag niet meer baten. Drie dagen later wordt bij beschikking van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk de vergunning tot afbraak verleend.

Scholtishuis, eind jaren zestig

De geschiedenis van het Scholtishuis voert in ieder geval terug tot 1713, toen een zekere Nicolaas Vogt in Velden de rol van schout vervulde. Hij resideerde in het Scholtishuis. Een schout of scholtis was een machtig en gezaghebbend iemand, die zowel burgemeester, officier van justitie als veldwachter was.

Scholtishuis, 1860

Het oorspronkelijke complex bestond in de achttiende en negentiende eeuw uit een villa met een woon- en herbergfunctie, een brouwhuis en een boerderij, dat bijna de gehele bebouwde kom binnen het vierkant Markt, Dorpstraat, Wilhelminastraat en Scholtisstraat omvatte.

Het Scholtishuis raakte door de eeuwen heen onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van Velden. De zeventiende -eeuwse geleerde Constantijn Huygens, die Frederik Hendrik begeleidde op zijn veldtochten en reizen, schrijft in zijn dagboek dat de Prins van Oranje in de nacht van 9 op 10 oktober 1646 overnacht in Velden, toentertijd niet meer dan een gehucht met een kerk en een handvol boerderijen. De overnachting moet in de voorloper van het Scholtishuis zijn geweest: dat was samen met de pastorie het enige notabele gebouw in het dorp.

Frederik Hendrik

Als de vrije Heerlijkheid Velden in de jaren III en IV (1795 en 1796) van de Franse Republiek wordt opgeheven wordt Velden, evenals Arcen en Lomm, een zelfstandige gemeente. Jean Haenen wordt in 1798 municipaal agent van Velden en huist in het Scholtishuis, waar voor het eerst registers van de burgerlijke stand worden bijgehouden. In 1801 worden Arcen, Lomm en Velden tot één gemeente verenigd onder de naam ‘Mairie de Velden’. De eerste gemeenteraadsvergadering vindt plaats op 9 februari 1801 in het Scholtishuis onder leiding van Maire Jean Haenen, die tevens belast wordt met het invoeren met de tot dan onbekende dienstplicht. De eerste rekruten uit de gemeente dienden zich te melden in –jawel- het Scholtishuis.

Het Scholtishuis maakte plaats voor een kaal gazon, 2020

Het Scholtishuis was een karakteristiek gebouw, beeldbepalend voor de dorpskern. Nog altijd, vijftig jaar na de sloop, maakt de Veldense Markt een geamputeerde indruk, ondanks recente opknapbeurten. De plek waar ooit het hart van het dorp bonkte en pronkte is nu een kaal gazon. En dat terwijl in nummer 200 van het Staatsblad uit 1961 het Scholtishuis nog werd omschreven als een ‘hoog huis met zadeldak tussen topgevels met vlechtingen en tandlijsten’ en ‘als een gebouw van eenvoudige doch harmonische architectuur en van oudheidkundige waarde.’ Hoe kon het zover komen dat zo’n monumentaal gebouw met zoveel cultuurhistorische waarde toch werd gesloopt, onder ogenschijnlijk betrekkelijk weinig weerstand? Was het onkunde? Onmacht, of zelfs onwil van lokale bestuurders? Ontbrak het Velden aan de juiste lobby’s richting Maastricht en Den Haag? Of verkeerde het pand bouwkundig in zo’n deplorabele staat dat het, bij gebrek aan middelen voor een opknapbeurt, wel met de grond gelijk gemaakt moest worden?

Kaarten in het Scholtishuis, jaren vijftig 

De Delftse stedenbouwkundige Prof.Ir.J.H. Froger wordt in 1961 door de gemeente belast met het opmaken van uitbreidings- en komplannen rondom de Markt in Velden. Het dorp is zich in die jaren aan het ontwikkelen van een overwegend agrarische gemeenschap tot een op Venlo gericht forensendorp. Froger valt meteen het Scholtishuis op, dat hij omschrijft als ‘een karakteristiek exemplaar van oude architectuur’ en als ‘een gebouw dat door zijn vorm, zijn ligging en zijn historische betekenis waard is behouden te blijven.’ Klaarblijkelijk zijn er dan al plannen om het pand te slopen want Froger vraagt in een brief aan het college te overwegen ‘alvorens stappen worden gedaan die tot sloping zullen leiden, te onderzoeken of voor dit Scholtishuis een bestemming is te vinden, die het de moeite waard maakt tot restauratie over te gaan.’

Het kerkbestuur, de toenmalige eigenaar van het pand, heeft dan al vergevorderde plannen om het gebouw te verkopen aan een ondernemer, die het wil slopen om er een modern winkelpand neer te zetten. Dat laten Arcen en Velden niet gebeuren: in allerijl koopt de gemeente het Scholtishuis voor het bedrag van 7000 gulden met als doel het te laten restaureren, zodat het kan gaan fungeren als hulpsecretarie en gemeenschapshuis.
Scholtishuis vanuit het zuidoosten, 1925

Aan de Rijksdienst voor Monumentenzorg wordt per brief op 15 december 1961 een ‘ruime financiële bijdrage’ gevraagd. Het antwoord komt vele maanden later, op 10 september 1962, zonder een daadwerkelijke toezegging. Verder dan het verstrekken van een zogeheten aanmoedigingssubsidie kan men gezien ‘de zeer ongunstige financiële toestand van Monumentenzorg’ niet gaan.

Weer een maand later vraagt het college een subsidie aan bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Andermaal kan er niets beloofd worden. Wel schrijft mr.A.L. Goedhart van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming van het betreffende ministerie, dat de restauratiekosten ‘in beginsel’ in aanmerking komen voor subsidie. Hij adviseert een architect ter hand te nemen voor het opstellen van een begroting en restauratieplan. De Rijksdienst voor Monumentenzorg tipt de Blerickse architect L. Sorée en de gemeente Arcen en Velden stelt hem aan, omdat hij kan bogen op veel restauratiewerk.

En zo wordt tijdens een bespreking op 10 januari 1964 in het Arcense gemeentehuis officieel belast met de opdracht. Bij deze bijeenkomst is naast het voltallige college en de gemeentesecretaris ook de heer L.J. Ensing van Monumentenzorg aanwezig. Deze naam komt in eerdere en latere correspondentie meermalen voor.

Gemakshalve gaat de gemeente al uit van een zeer ruimhartige subsidie van het rijk en de provincie. Men komt, schattend, op een totale bijdrage van 72% van de totale kosten. Op 28 december 1964 is het bouwkundig rapport met gedetailleerde tekening inclusief begroting klaar. Renovatie blijkt wel degelijk mogelijk. De totale kosten worden beraamd op 152.374 gulden. Na goedkeuring wil de gemeente de restauratie laten uitvoeren door aannemersbedrijf Ch. Knops & Zn. uit Venlo. 
Prentbriefkaart Velden, eerste kwart twintigste eeuw

Op 8 januari 1965 dient de gemeente andermaal een subsidieverzoek in bij het ministerie. Het ministerie wil echter niet verder gaan dan een bedrag van 25.000 gulden. De briefwisseling verloopt ondanks de urgentie opvallend traag. Niemand maakt haast.

Pas zestien maanden later komt de zaak weer uit het stof, als het Veldens postkantoor per 1 juni 1967 de huur wordt opgezegd: de eigenaar zegt het pand zelf nodig te hebben. Het Scholtishuis zou als postkantoor kunnen worden ingericht, dus de gemeente vraagt om een hoger subsidiebedrag.  De Haagse Heren zijn echter onvermurwbaar. In een schriftelijk repliek geeft het ministerie bij monde van het hoofd van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming, drs. mr. O. Ter Kuile, het gemeentebestuur zelfs een veeg uit de pan. Op 14 juni 1966 schrijft deze dat hem ‘bij herhaling is gebleken dat eigenaren van te restaureren monumenten in de mening verkeren dat subsidiëring van restauraties een automatische gelegenheid is. Dit is echter in genen dele het geval.’ Het bericht van 11 oktober 1966 komt dan ook niet als een verrassing: de rijkssubsidie zal onder geen beding worden verhoogd.

Dan gooit Velden handdoek in de ring. Op 9 december 1966 beslist de gemeenteraad vervolgens unaniem, en zonder veel discussie, dat het ministerie om toestemming moet worden gevraagd het Scholtishuis van de monumentenlijst te schrappen. Het doel: definitieve en totale afbraak van het gebouw. Raadslid W.H.J. van Keeken pleit zowaar om bij een eventuele niet-inwilliging een beslissing hieromtrent tot in hoogste instantie uit te lokken.

Scholtishuis, eind jaren zestig

Het trieste lot van het Scholtishuis is hiermee bezegeld, al probeert men in een korte maar weinig overtuigende briefwisseling nog één keer het ministerie over te halen tot het verstrekken van een ruimere financiële tegemoetkoming. De mogelijke vestiging van het plaatselijke postkantoor wordt als lokaas gebruikt. Het antwoord is wederom: nee.

Achteraf kan men allerlei vraagtekens zetten achter het besluit om het Scholtishuis te slopen. Het cultuurhistorische aspect in het proces lijkt ver te zoeken. Zo omvat het dossier Scholtishuis geen verzameling ordners met tekeningen en plannen, maar slechts een dun stapeltje correspondentie en enkele gespreksverslagen. De vastgelegde discussies zijn nauwelijks noemenswaardig en al helemaal niet diepgravend. De inhoud en toon van de brieven van de lokale politici zijn gezapig, onderdanig en te beleefd. Op geen enkele manier zetten de bestuurders de landelijke en provinciale overheden echt onder druk. En waarom werd er slechts één architect en slechts één aannemersbedrijf geraadpleegd? Het lijkt er uiteindelijk op dat het gemeentebestuur opgelucht was verlost te zijn van het tot bouwval gedegradeerd cultuurhistorisch pand.

Waarom probeerde men geen alternatieve geldbronnen aan te boren? Het plaatselijke Sebastianusgilde was niet onbemiddeld. Ook de optie van een hypothecaire lening werd niet gelicht. De focus lag enkel en alleen op het verkrijgen van subsidies vanuit Den Haag en Maastricht. En waarom werden de beschikbare gelden niet aangewend voor een tijdelijke conservering van het gebouw in afwachting van het moment dat de schatkist vol genoeg zou zijn voor een restauratie? Er was geld, alleen niet genoeg. Er lag een doortimmerd renovatieplan en de PTT wilde heel graag als medehuurder zijn intrek nemen in het Scholtishuis.

Scholtishuis, pentekening

Onbegrijpelijk is dat de gemeente in 1968 niet is ingegaan op een aanbod van architect Noé uit Naarden. Misschien had deze nog voor een andere wending kunnen zorgen. Hij wordt echter per kerende brief vanuit de Arcense burelen afgeserveerd. De tekeningen kan hij opvragen bij zijn Blerickse collega Sorée.

Echte antwoorden op al deze vragen komen waarschijnlijk nooit. Ze zijn mee het graf ingenomen; de meeste directbetrokkenen zijn niet meer in leven of ontraceerbaar. De samenstelling van het gemeentebestuur bestond uit machtige, vaak al bejaarde mannen. Het waren overwegend herenboeren, aannemers, hoofdonderwijzers en vooraanstaande verenigingsbestuurders. De KVP oordeelde en heerste. De lijnen met het kerkbestuur waren kort.

Een plausibele verklaring voor de haastige sloop is wellicht dat het kerkbestuur het Scholtishuis als een ‘sta-in-de-weg’ beschouwde. Meteen na de afbraak ontvouwden de parochiale gezagsdragers het al wat oudere voornemen om een nieuwe toegangsweg tot de kerk aan te leggen, precies op de plek waar het Scholtishuis had gestaan. Maar geldgebrek dwarsboomde ook dit plan.

Niet vergeten mag worden dat in het naoorlogse Nederland een ongebreidelde sloopwoede woedde onder overheden - vooral in dorpen en steden die veel te lijden hadden gehad onder beschietingen en bombardementen. Velden hoorde daarbij. Het was de modernistische toon van die tijd.

Scholsen Ties



Een van de kleurrijkste bewoners die het Scholtishuis heeft gekend was herbergier/bierbrouwer Johannes Matthias van Lipzig. In Velden stond hij ook wel bekend onder de naam Scholsen Ties. Op zijn erf verbouwde hij zijn eigen hop. Het bier was van hoge kwaliteit en vloeide rijkelijk bij gildefeesten, bruiloften en begrafenissen. Scholsen Ties was jarenlang hofleverancier van de kasteelheer van Arcen. In 1919 sluit hij zich aan bij de brouwerscoöperatie ‘De Vriendenkring’ in Arcen. Scholsen Ties stierf in 1943, halverwege de oorlog.

In 2016 brouwt de Venlose restaurateur en inmiddels fulltime brouwer Peter Bouman in Weert op initiatief van de Historische Werkgroep Arcen-Lomm-Velden een nieuw Scholsen Ties bier met een alcoholpercentage van 6 % als eerbetoon aan de Veldense brouwer van weleer. Peter Bouman droeg vorig jaar het stokje over aan John Deenen, eigenaar van de Veldense microbrouwerij Herder Bieren aan de Rijksweg. John teelt net als Scholsen Ties zijn eigen hop.


Reageren? Stuur een e-mail naar Pieter Duijf: piedu12@yahoo.com. 










donderdag 21 mei 2020

Mahnmal der Stille - De Halte Xl van woensdag 20 mei 2020


(door Sef Derkx)
We fietsen over de Groote Heide. Vanaf 1941 was hier een groot militair vliegveld van de bezetter, Fliegerhorst Venlo-Herongen. Na de bevrijding werd het enkele maanden gebruikt door de Amerikaanse bevrijders. Nu stijgen en dalen er de ranke en fragiele toestellen van de Venlo Eindhoven ZweefvliegClub. Nee, het is geen slordige typefout, zo schrijf je het: ZweefvliegClub, zonder spatie. 


De Shermantanks waren een speelobject voor de jeugd (collectie Richarda van Kasbergen)

In onze jeugd stonden langs het pad Sherman-tanks. Het was oorlogsspeelgoed op ware grootte, in onze kinderlijke verbeelding verdedigden we Nederland tegen de opnieuw invallende Duitsers. Met meer succes dan op 10 mei 1940.  Van Marcel Hogenhuis, dé Fliegerhorst-autoriteit, vernemen we dat de tanks tot eind jaren zestig zijn blijven staan op de Groote Heide, achter de zogenaamde Duitse hangaar die in 1970 is gesloopt is. De tanks zijn niet in 1945 door de Amerikanen achtergelaten. Wanneer ze er precies neergezet zijn, is niet meer te achterhalen.

Bloeiende brem (foto Sef Derkx)

Anno nu wandelt Venlo over de Groote Heide met honden, rent hard of puft ervan van uit en skeelert met gezwinde spoed. Vier tieners bekwamen zich in streetdance moves. Een natuurfotograaf met een kingsize camera spiedt tussen het groen naar bijzondere vogels. Hij hoort ze wel, maar ziet ze niet. De brem bloeit in een uitbundig geel. Niets herinnert op deze frisse IJsheiligendag aan oorlog. Integendeel, iedereen groet vriendelijk en lijkt verheugd om buiten te kunnen zijn. 

Streetdance oefeningen (foto Sef Derkx)

Herinnert niets aan de oorlog? Jawel, we zijn op weg naar een bijzonder maar nogal onbekend oorlogsmonument. Het ligt op de plek waar Nederland en Duitsland elkaar kopjes geven, om het zo maar eens te zeggen. Het Mahnmal der Stille - wat is Duits vaak een prachtige taal - is pal op de grens gesitueerd.


'Mahnmal der Stille' op de Groote Heide, 2018 (foto's met dank aan Marcel Hectors, Dicolore)

In het oorlogsmonument zij drie elementen verenigd, leren we van Marcel Hogenhuis: 'Twee muren met tweetalige infopanelen informeren bezoekers over de geschiedenis van vliegveld Venlo. De zuil met de inscriptie Wij gedenken/Wir erinnern herinnert aan de slachtoffers. De twee betonnen zitbanken zijn een uitnodiging aan passanten om tot dialoog te komen over deze geschiedenis.'

Een deel van het monument ligt op Nederlands grondgebied, een deel op Duits. Ertussen is een rij klinkers, die aangeeft waar de landsgrens loopt. Nog altijd laait een discussie op, wanneer iemand oppert om Duitsers aanwezig te laten zijn bij de Dodenherdenking op 4 mei. Het ligt erg gevoelig, want het is ónze Dodenherdenking. Het monument op de Groote Heide herdenkt Engelse, Amerikaanse en Duitse militairen en burgers en dwangarbeiders uit verschillende Europese landen. Het dus letterlijk en figuurlijk een grensoverschrijdende gedenkplaats. 


Nederlands-Duits bloemstuk bij en tafelklokje op het 'Mahnmal der Stille' (foto Sef Derkx)

Enkele dagen geleden is er door iemand een bosje bloemen neergelegd, met linten in de kleuren van de vlaggen van de buurlanden. Door een nabestaande? Bovenop de gedenkzuil heeft iemand een tafelklokje gezet, de tijd staat stil. 

Booghangaar Fliegerhorst Venlo-Herongen (foto Marcel Hectors Dicolore)

We hebben nog genoeg lucht in de longen en banden, dus fietsen we door naar de Rundbooghangar aan de oostelijke rand van de voormalige Fliegerhorst. Je komt er via een bospad vanaf de Halbmondweg. Staande onder de bogen, voel je de geschiedenis op je drukken. De booghangaar is wat betreft constructie uitzonderlijk. De prefab betonnen spanten zijn aan weerszijden verankerd in een zwaar fundament. Om ze naar deze plek te transporteren en ze te plaatsen heeft veel energie en geld gekost. Vermoedelijk is deze hangaar een protype geweest. Toen een Duits Sprengkommando in september en oktober 1944 de gebouwen van Fliegerhorst opblies, is deze solide constructie door zijn eigen gewicht blijven staan. Geluukig, want een indrukwekkender Mahnmal vind je in onze omgeving niet. 


Detail booghangaar (foto Marcel Hectors Dicolore)

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl





vrijdag 15 mei 2020

De Sloopkogel - Sint-Jorisgasthuis


(door Jan Kessels)


Tegenover het voormalige politiebureau stond een gebouw dat ooit markant en plechtstatig was. Het was een Rijksmonument dat stamde uit 1626, zoals de ankers aan de voorgevel aangeven. Helaas deed ook hier de genadeloze sloopkogel zijn werk. Ondanks dat het gebouw met topgevel door oorlogsschade en brand in zeer slechte staat verkeerde, had het gerestaureerd kunnen worden. Maar helaas, het Dagblad voor Noord-Limburg had uitbreiding nodig om de krant te kunnen drukken. 
Aan de achterzijde van het pand aan de Grote Kerkstraat  bestond die mogelijkheid. Het Sint Joris Gasthuis stond echter in de weg en werd in 1960 gesloopt na 334 jaar dienst te hebben gedaan. Als Gasthuis en als armenhuis (van 1820 tot 1856) voor vondelingen, wezen, onwettige kinderen en ouden van dagen. Daarna als gewoon woonhuis in eigendom van Henri Goossens en de familie A. Soree-Hauser. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden door Jules Kayser plannen gemaakt om het pand te restaureren en te gaan gebruiken als streekmuseum. De oorlog gooide echter roet in het eten.

De geschiedenis begint eigenlijk aan de Gasthuisstraat die in de veertiende eeuw nog Steynenstraeten werd genoemd samen met de huidige Steenstraat. Na de aanleg van de Markt in de zestiende eeuw werden het gescheiden straten en werd het gedeelte bij het gasthuis Gasthuisstraat genoemd. Dat gasthuis werd gebouwd in 1375 en later uitgebreid met een kapel: de huidige Sint Joriskerk. Deze kwam in 1702 in handen van de Hervormde kerk. Reden waarom de zorg voor de burgers van Venlo en vreemden werd verplaatst naar het in 1626 gebouwde pand aan wat toen de Sint Chrispijnstraat of Sint Chrispinusstraat heette. Pas later werd de straat als Looihofstraat en later Lohofstraat vernoemd naar het gilde van de schoenmakers en de leerlooiers.



De drukkerij van de krant heeft niet lang stand gehouden. Eind jaren tachtig werd het gesloopt en sindsdien ligt de grond braak. Een eerste nieuwbouwproject met appartementen mislukte. Momenteel ontwikkelt woningcorporatie Antares een nieuwbouwproject, waarbij hopelijk rekening wordt gehouden met de historie van het gebied.
Ook hier geldt dat met enige doorzetting en een gezonde visie op cultureel erfgoed het pand behouden had kunnen blijven. Zeker in dit gebied dat toch al afscheid heeft moeten nemen van veel erfgoed, zoals onder meer de kazerne, het arsenaal, de stadmuur en de looimolen.


Reageren? Stuur Jan Kessels een e-mail: jgmmkessels@ziggo.nl