woensdag 22 juli 2020

Supermarkt Kijk-Grijp staat in brand!


- tekst Piet Braem / foto's collectie Piet Braem, tenzij anders vermeld -


Supermarkt Kijk-Grijp op de hoek van Vleesstraat en Houtstraat

Vrijdagavond 7 juni 1963, Supermarkt Kijk-Grijp was al gesloten. Met chef-groente Dick Trap en bedrijfsleider Van Eden was ik nog aan het overwerken. De heren wilden op zeker moment een kopje koffie gaan drinken bij cafe Braem, het latere café De Handboog aan de Houtstraat. Ze vroegen mij of ik meeging. Omdat ik die avond van plan was om naar de bioscoop te gaan, zei ik dat ik door wilde werken en het een ander in de winkel zou klaar maken. Ik was er dus alleen, de jongste bediende van zestien jaar, over wie het Dagblad voor Noord-Limburg in het verslag over de brand later schreef.

'De brand werd ontdekt door de jongste bediende' ... door Piet Braem

Tegen zeven uur werd geklopt op de zijdeur van de Kijk-Grijp aan de Houtstraat. Het was de baas van modewinkel Truyen-Langenhoff, die op de andere hoek van de Vleesstraat en de Houtstraat lag. Hij waarschuwde dat er rook kwam uit het dak. Ik vloog  naar het café om de bedrijfsleider te waarschuwen. We waren goed en wel terug, toen de vlammen al uit het dak sloegen. De schrik sloeg me om het hart, het was een grote brand.

De dag erna kreeg ik te horen, dat ik mij de volgende maandag moest melden op het politiebureau, bij rechercheur Tusch. Dat vond ik spannend. Hij vroeg mij wat ik gedaan had rond zes uur, het tijdstip dat de brand was uitgebroken. Ik was overigens geen verdachte. Later bleek dat een brandende sigaret, achtergelaten in de damesgarderobe, de oorzaak was geweest. De garderobe was op de derde etage en bijna alles op die afdeling was van hout. Veel medewerksters van de Kijk-Grijp woonden op de dorpen en moesten rond half zeven  de bus halen bij de halte bij C&A. Hoe ging het dus? Snel nog een sigaretje, vervolgens de schort af en dan weg. 




Na de eerste brand werden producten met geen of weinig schade voor stuntprijzen buiten verkocht, de belangstelling ervoor was groot


Verkoop buiten in de Vleesstraat (Collectie H. Theuerzeit)

Toen ik terugkwam van het politiebureau, vroeg mijn chef mij of ik geen zin had om met hem in Ede te gaan werken. We zouden er  in de kost gaan. De familie Groenewoudt, de eigenaar van de Kijk-Grijp, had er een  grote en drukbeklante vestiging. Daar had ik wel oren naar, dus kocht ik een koffertje bij de Hema en verhuisde naar Ede. In de twee jaren die volgden heb ik respectievelijk in Ede, Zeist, Bussum en Almelo gewerkt.




25 april 1968 - Weer is er brand in Supermarkt Kijk-Grijp. De heer in witte schortjas die aan komt snellen is slager Rob Weerensteyn. Piet Braem: 'Hij stond in het portiek van de Kijk-Grijp toen een etalageruit door de hitte knapte. Rob reageerde direct en trok een meisje weg, een groot stuk glas viel op de plek waar het meisje had gestaan.'

De media deden uitgebreid verslag van de brand 

Na een jaar bij een andere werkgever in dienst geweest te zijn, kwam ik in 1967 terug bij de Kijk-Grijp in Venlo. En wat gebeurt er in 1968? Weer brand de zaak af. Dit keer hoefde ik niet naar de politie. Kortsluiting in een meterkast, waar de ovens van de bakkerij op aangesloten waren, was de oorzaak geweest. Er stond een stelling met verpakkingsmateriaal in de buurt en die had vlam gevat. De brand brak uit op donderdagmorgen 25 april 1968 rond half twaalf.



25 april 1968 - Bluswerkzaamheden (collectie Jos Symons)

25 april 1968 - Publiek op Markt bekijkt het blussen van de brand (foto Jack Klaber)




De schade van de brand van 25 april 1968 was groot

Ook na die tweede brand volgde het opruimen. Ik moest met twee slagers de halve koeien en varkens uit de koelcel halen. Maar die twee waren rouwdouwers. Ze wierpen de kadavers achter het trappenhuis van de lift met als gevolg… heel, heel veel vliegen. Door de brand werd ik gedwongen te kiezeN: óf ontslag óf werken in een andere filiaal. Het werd het laatste, ik ging naar Renkum en kreeg er een woning. Tot 1975 heb ik door heel Nederland voor Groenwoudt gewerkt. In Breda, Tilburg, Eindhoven, Son, Enschede, Veenendaal, Utrecht, Zeist, Apeldoorn en Barneveld - overal helpen bij de opstart van nieuwe filialen.

Het was een mooie tijd. Het is misschien en beetje vreemd om zo te zeggen, maar   als de branden in Venlo er niet waren geweest, had ik nooit zoveel ervaring kunnen opdoen. In Barneveld werd er in 1974 in een kantoorpand een grote ruimte ingericht met winkelstellingen. Daar begon men daar met de samenstelling van het assortiment voor een nieuwe winkel: Kruitvat. Het was een gouden greep, want de supermarkten hadden het toen moeilijk. Een aantal jaren geleden heeft de familie de  rond vierhonderd filialen van Kruidvat verkocht aan Chinese investeerders voor 1,5 miljard. O ja, de kleinkinderen van de oorspronkelijke eigenaren van de Kijk-Grijp en Kruidvat staan in de Quote 500 met een vermogen van 2,2 miljard. Daaraan heb ik een steentje bijgedragen.

zondag 19 juli 2020

Us Abe – Ôzze Grieze 4-7


- door Gerrit van der Vorst -

Dit jaar zou het voetbalfenomeen Abe Lenstra 100 jaar zijn geworden. In de Heerenveen-special van mijn lijfblad Voetbal International lees ik dat er een vernieuwde en verbeterde biografie is verschenen van de Friese legende. Een boek ‘van zeldzame klasse.’
De cover van de verbeterde versie van ‘Abe, de biografie’.


Abe Lenstra kwam tijdens zijn voetbalcarrière enkele malen in Venlo, zoals medio maart 1956, toen het Nederlands elftal zich in het geheim voorbereidde op de eerste naoorlogse interland tegen Duitsland. Het gezelschap verbleef in Hotel Wilhelmina en trainde in De Kraal, waar nog een oefenwedstrijdje werd gespeeld tussen het beoogde elftal en een combinatie van reserves en VVV’ers. De interland bracht Nederland in vervoering, dankzij twee treffers van de toen al weer 34-jarige Lenstra: 1-2 voor Nederland.

Het Nederlands elftal dat op zondag 14 maart 1956 in Düsseldorf Duitsland versloeg (Nationaal Archief/Joop van Bilsen, Anefo). Gehurkt links Abe Lenstra. Tweede van links staand VVV’er Coy Koopal die debuteerde.

Maar, dat allemaal terzijde. Deze blog gaat over een wedstrijd op 8 mei 1938. Een pas 17-jarige Lenstra had toen al weer twee seizoenen in het eerste van Heerenveen gespeeld, waardoor die club een jaar eerder eindelijk naar het hoogste niveau gepromoveerd was. Jaloersmakend, want VVV had zich opnieuw niet kunnen ontworstelen aan de tweede klasse. Helmond had uit het seizoen 1937/1938 twee punten meer gepeurd.

Het elftal van VVV in 1937, met onder meer de gebroeders Heger (gebukt, middelste rij).

Het bekertoernooi deed er indertijd minder toe, maar VVV was hierin wel ijzersterk begonnen. Drie Heerlense tweedeklassers – ze bestaan anno 2020 alle drie niet meer – waren aan de Venlose zegekar gebonden. In de periode van 10 april tot en met 1 mei had VVV thuis SV Heerlen (2-0) verslagen, uit Palemig (2-3) en weer thuis Maurits (6-2).

Het elftal van SV Maurits dat in 1950 meedeed om het landskampioenschap (Wikipedia). Het elftal eindigde op de derde plaats, na Limburgia en Blauw-Wit.

Een of andere stagiaire bij de KNVB moet gedacht hebben dat Heer-len en Heer-enveen vast dicht bij elkaar lagen. Hoe anders te verklaren dat VVV in de vierde ronde opeens van het diepe Zuiden naar het hoge Noorden moest? Daar was in Venlo helemaal geen geld voor, zodat VVV zich terug moest trekken uit het bekertoernooi. Nadat de Friezen zich bereid verklaarden om een belangrijk deel van de reiskosten te betalen, besloot VVV alsnog om de verre reis naar het ‘Friese Haagje’ te ondernemen. De club verscheen op zondag 8 mei 1938 in het veld met Niessen in het doel; achter Simons (toen ook speler van het Limburgs elftal) en Everaerts; midden Grossfeldt,  Van der Horst en Schreurs (idem); voor Bouten, Jans (idem), Hofstede, Jan Heger en Holthuijsen (idem).
Heerenveen was ook compleet, met de gebroeders Jan en Abe Lenstra, wier achternaam door de Nieuwe Venlosche Courant hardnekkig als ‘Lemstra’ werd geschreven.

‘A. Lemstra’ in die jaren.

Zeker, linksbinnen Abe Lenstra was veruit de beste Heerenveen-speler. Maar VVV had op die positie Jan Heger, een van vier broers die allen het eerste van VVV hadden gehaald. Er werd in Venlo soms flink genaöld over het gepingel van de ‘Grieze’, maar dat was vaak juist de attractie van een wedstrijd. Hoe groter de faam van tegenstanders, hoe erger de Grieze ze in hun hemd zette, om vervolgens nog even kwajongensachtig achterom te kijken. Behalve een surplus aan techniek had deze rasvoetballer een fameus schot, strafschoppen placht hij bijvoorbeeld in de bovenhoek te schieten.

De Grieze in het kampioenselftal van VVV in het seizoen 1932/1933.

De Grieze was misschien al weer enigszins in zijn nadagen, maar op 8 mei 1938 was hij als zwervende linksbinnen geweldig op dreef. Met de sterke wind in de rug sloot VVV de eerste helft af met een 1-3-stand. De belangrijke derde VVV-goal werd kort voor rust gescoord door de Grieze, met een onverwachte pegel van 30 meter afstand. De tweede helft werd lastig voor VVV. Maar bij de stand 3-4, en tijdens een Heerenveen-offensief, leidde de Grieze een prachtaanval in. Na een dribbel leverde hij een perfecte voorzet op rechtsbuiten Bouten die de bal hoog voor het Heerenveen-doel zette, waar Holthuijzen met een magnifieke kopstoot VVV net op tijd ademruimte verschafte: 3-5. Dat gaf de Venlose burger weer moed en 20 minuten voor tijd stond zelfs 3-7 op het scorebord. Een laatste tegengoal kon de Venlose pret niet drukken. Eersteklasser Heerenveen met ‘Lemstra’ was totaal overvleugeld door tweedeklasser VVV met de Grieze.

Een van de andere, dragende spelers bij VVV was linkshalf (later linksback) Bèrke Schreurs, een fenomenale kopper.

In deze vorm spelend, zag de sportjournalist van de Nieuwe Venlosche Courant VVV voorlopig niet uitgebekerd. De spelers mochten naar Nederland - Schotland als ze de kwartfinale zouden bereiken. Twee weken later werd dat douceurtje ze echter door de neus geboord. Helmondia – in de competitie 12 punten minder – speelde zich ten koste van VVV met een 6-3 thuiszege in de kwartfinale van het bekertoernooi. Een beter VVV verzuimde na een 0-2 voorsprong door te drukken en morste veel kansen.
Wat bleef, was toch die prachtige overwinning in het hoge Noorden: Us Abe – Ôzze Grieze 4-7. Pas tien jaar nadien, in 1948, stopte Jan Heger als 38-jarige veteraan, na bijna 20 VVV-seizoenen.

Abe Lenstra terecht een mooie biografie, maar de Grieze deze blog.
VVV werd in 1944 weer eens kampioen. Rechts in de middelste rij de vaak ernstig kijkende Grieze, met staand daarnaast zijn oudere broer Mondje, zo mogelijk nog een betere voetballer.

Jan Heger, de Grieze.

Reageren? Stuur een e-mail naar Gerrit van der Vorst: gp.vandervorst@xs4all.nl.

zaterdag 18 juli 2020

Forellen bij de Bovenste Molen - Paul Lap

We ontvingen een leuke reactie van Paul Lap op een blog over de Bovenste Molen (https://floddergatsblog.wordpress.com/2020/04/04/bovenste-molen-i/):


Geboren en getogen in de hoek rond de Vierpaardjes kende ik de omgeving van de Bovenste Molen op mijn duimpje. Met mijn vrienden struinden we elke vrije middag de omgeving af. Niet wars van avontuur leidde dat een enkele keer tot verboden visactiviteiten in de vijver van hotelier Leenders. En dan niet het ‘eendjeswater’ maar het bassin direct naast het hotelterras. 



Van onze oudere broers wisten we dat dit regelmatig gevuld werd met een lading verse regenboogforellen die dienden ter consumptie voor de hotelgasten. Niet met professioneel vistuig maar met een geprepareerde omgebogen naald, een klosje ijzergaren en een snee mik werd in de schemering menig forelletje verschalkt en thuis verorberd. Wel bij mijn vrienden. Bij ons kon ik niet met een portie vis in de avond aankomen. 


Op een van deze missies ergens in de vroege jaren zestig werden we betrapt door een oplettende ober die bezig was klanten op het nabijgelegen terras te bedienen. Op de vlucht dook ik onder een gat in de haag door en verwondde me ernstig aan mijn handpalm aan het glas van kapotgeslagen flessen dat daar lag om indringers buiten te houden. 




Met de fiets van de Bovenste Molen naar het Sint-Josephziekenhuis op de Hogeweg is een heel eind wanneer je een flink bloedende wond heb. Daar werd de zaak gehecht. Het verhaal dat ik van de fiets was gevallen in een stuk glas, werd geloofd. Ook thuis gelukkig. Het litteken brengt deze herinnering soms weer dichtbij. Wat er met de forellen die al waren verschalkt is gebeurd blijft iets waar ik nooit meer achter zal komen.

Dank aan Paul Lap

donderdag 16 juli 2020

De Halte XL van woensdag 15 juli 2020 - Fort Hazepoot


- door Sef Derkx -

Fort Hazepoot (foto Henk Heijligers/Limburgs Landschap)

Er zijn plekken waar je de geschiedenis onmiddellijk voelt. Bij de grensovergang aan de Lingsforterweg in Arcen ligt Fort Hazepoot. Het bestaat uit twee steile heuvels, die door een diepe insnijding van elkaar gescheiden zijn. Het landschapsmonument doet denken aan een piramide van de Maya’s. Vergeet dat, het dubbelfort is een herinnering aan de Tachtigjarige Oorlog, de opstand van de Nederlanders tegen de Spaanse bezettingsmacht. Om de handel van de Nederlanders te treffen, begonnen de Spanjaarden in 1626 met de aanleg van een kanaal dat Schelde, Maas en Rijn zou moeten gaan verbinden. 

Fossa Eugeniana op een kaart van J.Blaeu, 1645 (particuliere collectie)

Fossa Eugeniana op recente kaart (bron: Wikipedia)
  
Een waterbouwkundig project van ongekende omvang in het toenmalige Europa. Het geplande kanaal kreeg de naam Fossa Eugeniana en was vernoemd naar de koningsdochter Clara Isabella Eugenia. Ze vertegenwoordigde de kroon in deze betwiste contreien. Zo’n achtduizend arbeiders waren bij de onderneming betrokken. Het was zwaar werk, de gravers stonden regelmatig tot hun knieën in het water. Ze werden beschermd door tweeduizend soldaten. De totale kosten waren geraamd op tweehonderdduizend gouden schilden. Een duizelingwekkend bedrag. In 1627 inspecteerde Isabella in hoogst eigen persoon het traject tussen Venlo en Geldern van het naar har genoemde kanaal. 

Portret landvoogdes Isabella Clara Eugenia, atelier Frans Pourbus de Jongere (collectie Noordbrabants Museum)  

Het idee voor het kanaal was in eerste instantie afkomstig van een zekere Gerrit Haesenvoet. Volgens een legende hing er een pootje van een haas als een amulet om zijn hals. Vandaar de volksnaam Fort Hazepoot. In de eerste fase van dit megalomane project zou het kanaal worden gegraven van Rheinberg aan de Rijn naar Venlo aan de Maas. In een later stadium wilden de Spanjaarden de waterloop  verlengen naar de Schelde. Op deze wijze kon de hele Rijnhandel naar het zuiden worden verplaatst. De havens van Amsterdam en Rotterdam zouden hun betekenis verliezen. Het kanaal kon ook dienst doen als verdedigingswal. Op regelmatige afstanden aan de zuidzijde van het kanaal waren 23 schansen en forten gepland. Daarvoor werd onder meer de afgegraven grond gebruikt.  In 1629 werden de werkzaamheden aan de Fossa Eugeniana stilgelegd. Er waren technische problemen, de bodem van de schatkist kwam in zicht en Nederlandse troepen rukten vaker op.

 Fort Hazepoot (foto Henk Heijligers/Limburgs Landschap)

Fort Hazepoot is het enige dubbelfort van de Fossa Eugeniana, dat op beide oevers van het kanaal lag. Het verdedigingswerk is nagenoeg compleet behouden gebleven. Enkele jaren geleden zijn bomen en struiken, die het verdedigingswerk overwoekerden, gedeeltelijk gerooid. Een deel van de waterloop is teruggebracht. Daarmee is dit indrukwekkende monument van de Tachtigjarige Oorlog weer duidelijk zichtbaar geworden. Ga er beslist eens kijken.

Het begin van de aanleg van de Fossa Eugeniana, ets toegeschreven aan Wolfgang Kilian, 1626 (collectie Rijksmuseum Amsterdam)

Detail ets Kilian, F is Fort Hazepoot ook Lingsfort genoemd (collectie Rijksmuseum Amsterdam)

Reageren? Stuur een e-mail naar Sef Derkx: floddergats@xs4all.nl.

woensdag 15 juli 2020

Burgemeester Bernard Berger had ook wat uit te leggen (1)


- door Gerrit van der Vorst -

Op zondag 14 januari 1945 wekte de socialistische minister Jaap Burger van Binnenlandse Zaken grote ophef. In een toespraak voor radio ‘Herrijzend Nederland’ vond de minister het geen cruciaal probleem als goedwillende en -bedoelende Nederlanders niet altijd de juiste houding hadden aangenomen tegenover de vijand en of ze daarbij achteraf ook door henzelf betreurde fouten hadden gemaakt. Een volk bestond nu eenmaal niet uitsluitend uit helden, noch uit diplomaten. Er moest naar de mening van Burger niet gezocht worden naar fouten, maar naar hen, die ‘fout’ waren geweest.’


Minister mr. J.A.W. Burger van Binnenlandse zaken.

Volgens dat, voor die tijd genuanceerde, standpunt hoorde Jo Zanders niet thuis in Kamp Steyl. Het oordeel van de politieke recherche was immers dat hij als burgemeester van Venlo fouten gemaakt had, maar dat hij niet ‘fout’ (geweest) was.

Onder meer werd Jo Zanders de plaatsing van deze advertentie in de Nieuwe Venlosche Courant van 13 december 1941 verweten (www.delpher.nl).

Begin 1945 was zo’n genuanceerd standpunt volstrekt niet houdbaar. Minister Burger moest een paar dagen later aftreden. Minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy vond dat Burger zijn boekje lelijk te buiten was gegaan. De interprovinciale vergadering van de Gemeenschap Oud-Illegale Werkers Nederland vond dat ook. Er waren nou eenmaal zaken waarin slechts één houding mogelijk was geweest: ‘die van verzet, verzet, hard en meedogenloos verzet, wat ook de gevolgen ervan zouden zijn.’

Ministerpresident Pieter Sjoerds Gerbrandy in 1941 in Engeland (Nationaal Archief).

Door geen ‘hard en meedogenloos verzet’ te plegen tegen de Arbeitseinsatz, hadden burgemeesters en fabrikanten volgens de voormalige illegale werkers bijgedragen aan de vergroting van Duitslands oorlogspotentieel. Ook Jo Zanders dus, maar die stelde op zijn beurt dat hij wat dat betreft conform het regeringsbeleid had geopereerd, door het leed zo veel mogelijk te verzachten. Bijvoorbeeld door pogingen om Venlonaren zo dicht mogelijk bij huis geplaatst te krijgen, in plaats van ver weg, en door regelmatig poolshoogte te nemen van hun omstandigheden.

Van 1938 tot 1945 zetten de Duitsers 7,7 miljoen buitenlandse arbeidskrachten in. Onderduiken was de enige mogelijkheid om hier aan te ontkomen, zoals deze spotprent weergeeft.

Hard en meedogenloos verzet was er ook niet gepleegd door Limburgse burgemeesters die in 1941 wèl waren aangebleven, zoals de burgemeesters van Eijsden, Heerlen en Schinveld. Het is altijd een gevoelige kwestie gebleven, het onderwerp burgemeester in oorlogstijd. In 2013 ontstond er nog een felle polemiek over de houding van burgemeester Marcel van Grunsven van Heerlen tijdens de bezetting. Toen de journalist Joep Dohmen in zijn boek ‘De geur van kolen’ zware kritiek uitte op het opereren van Van Grunsven tijdens de bezetting, kreeg hij fel weerwoord van de historici Fred Cammaert en Marcel Put die in 2014 het boek ‘Eindelijk ‘n echte burgemeester’ publiceerden. Hoe dan ook, de carrière van de burgemeester van Heerlen had na de bevrijding een mooi vervolg gekregen.

De tweede dag van een koninklijk bezoek aan Limburg, op 25 april 1950 (Nationaal Archief/J.D. Noske, Anefo). Koningin Juliana en prins Bernhard verlaten het stadhuis van Heerlen, uitgeleide gedaan door burgemeester Van Grunsven.

‘De bezwaren tegen mijn komen, zijn die tegen uw aanblijven’, had Zanders tijdens de installatieplechtigheid tegen de volle zaal gezegd. Wat was in 1941 het verschil tussen het aanblijven van Limburgse burgemeesters als Van Grunsven en het als locoburgemeester naar voren stappen van Jo Zanders?
Maar er is nog een pikantere vraag. Als medewerking aan de Arbeitseinsatz een belangrijke bijdrage was aan de vergroting van Duitslands oorlogspotentieel, hoe zat het dan met medewerking aan de bouw van het vliegveld Fliegerhorst in de periode november 1940 tot en met maart 1941? Onder burgemeester Bernard Berger was er geen sprake geweest van ‘verzet, verzet, hard en meedogenloos verzet’ tegen die bouw. Het Venlose gemeentebestuur – inclusief overigens wethouder Jo Zanders – had onder meer verantwoordelijkheid genomen voor de huisvesting van de ruim 15.000 arbeiders. (Zanders stelde later dat hij de Venlonaren veel ellende had bespaard, door zo veel mogelijk vliegveldarbeiders in barakken en zalen te huisvesten, hetgeen Venlo circa 150-200.000 gulden had gekost.)

Oproep van burgemeester B. Berger in de Nieuwe Venlosche Courant van 13 december 1940 (www.delpher.nl).


Negen van de 15.000 arbeiders op het vliegveld Fliegerhorst in aanbouw (met dank aan Marcel Hogenhuis).

Daar werd in 1945 al op gewezen door VVV-voorzitter Jo van Daalen die korte tijd geïnterneerd was in Kamp Steyl, omdat hij hulp zou hebben verleend aan de vijand door arbeiders te vervoeren naar Fliegerhorst. In zijn verweren wees Van Daalen expliciet naar burgemeester Berger. In een rekest van 7 juni 1948 aan de Hoge Autoriteit stelde hij bijvoorbeeld dat de burgemeester van Venlo, nota bene gedecoreerd vanwege zijn uitstekende principiële houding gedurende de bezetting, net als andere burgemeesters in de omstreken, burgers had opgeroepen om arbeiders te huisvesten, die werkten aan de aanleg van het vliegveld. Veel van die arbeiders werden gedwongen, omdat ze anders hun steun zouden verliezen. Van Daalen had alleen maar gezorgd voor prettig vervoer.

Jo van Daalen (Gemeentearchief Venlo).

Dagblad Het Parool besteedde op 23 juni 1990 aandacht aan die kwestie. Tegen de bouw van Fliegerhorst (betaald met 62 miljoen gulden uit de Nederlandse schatkist) in het Nederlands-Duitse grensgebied was stevig – maar vruchteloos – geprotesteerd door de Rijnlandse Regierungspräsident. Voor de lijdzame en coöperatieve houding van het Venlose gemeentebestuur had de Bauleitung echter niets dan lof. Op last van de bezetter waren honderden percelen gevorderd. Tientallen Limburgse tuinders waren van hun grond verdreven en de aanwezigheid van Fliegerhorst Venlo zou Noord-Limburg en Oost-Brabant vervolgens jarenlang veel bittere ellende bezorgen. Medewerking aan de bouw van Fliegerhorst Venlo was een bijdrage in optima forma aan vergroting van Duitslands oorlogspotentieel!

Op 23 maart 1945 vloog Koningin Wilhelmina, op de foto met achter haar prins Bernhard, vanaf Fliegerhorst Venlo terug naar Londen (Nationaal Archief/ Willem van de Poll, Anefo).

Bernard Berger had in 1941 zijn ontslag genomen als burgemeester en zijn zoon Fons had het leven verloren als gevolg van illegaal werk. Berger was dus niet iemand om na de bevrijding hard aan te pakken. Maar waar men dat met Jo Zanders deed, had Bernard Berger ook wel wat uit te leggen over zijn burgemeestersbeleid in de periode van 10 mei 1940 tot en met 20 september 1941. En niet alleen wat betreft de medewerking aan vergroting van Duitslands oorlogspotentieel, er was meer.


Vooraan Jo Zanders (tweede van links) en Bernard Berger (midden) op 30 oktober 1940, bij gelegenheid van de eerste gemeenteraadsvergadering na de annexatie van Blerick door Venlo (Gemeentearchief Venlo).

Reageren? Stuur een e-mail naar Gerrit van der Vorst: gp.vandervorst@xs4all.nl. 

vrijdag 10 juli 2020

'Groote brand' in Venlo-Zuid bij J.P. Janssen

In 1989 bracht het Dagblad voor Noord-Limburg een speciale krant uit ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van JP Janssen. De redactie bestond uit Albert Lamberts (journalist bij het Dagblad en E3-Journaal en Pieter Duijf (destijds medewerker JP Janssen).

Het bedrijf werd in 1839 opgericht door bakker Jan Peter Janssen. 
De eerste vestiging was hoogstwaarschijnlijk in de Lomstraat. Met paard en wagen hobbelde hij over karrensporen en kasseien. Op de voerkar prijkten de letters J.P. Janssens Expeditiebokken.

Prentbriefkaart Parade, rechts kantoorpand J.P. Janssen Expediteur

Vrachtauto J.P. Janssen Expeditie- & Veembedrijf

Begin van de vorige eeuw was het kantoor gevestigd op de Parade, de loodsen lagen lange tijd achter het station. In 1976 verhuisde de hoofdzetel naar een groot nieuwbouwcomplex bij grensovergang De Keulse Barrière. Het bedrijf had vestigingen in Brussel (Ternat), Zaventem, Rotterdam, Amsterdam, Schiphol, Alphen aan de Rijn, Meppel, Parijs en Nettetal (Kaldenkrichen). JP Janssen was pionier op het gebied van hangend vervoer van kleding. In de jaren ’80 was het een van de grotere werkgevers van Venlo en omgeving. In die tijd was JP Janssen bovendien de eerste shirtsponsor van VVV. Er volgden roerige jaren met diverse reorganisaties en fusies, totdat de onderneming werd opgeslokt door DHL. De gebouwen aan de Keulse Barrière zijn enkele jaren geleden gesloopt.

Piet Camps was huiscartoonist van het personeelsblad van J.P. Janssen; collega-blogger Pieter Duijf was de redacteur (zie foto hieronder)





Luchtfoto J.P. Janssen aan de Expediteursweg
 *******
Onderstaand het relaas van de historische brand uit 1922.

'Groote brand' in Venlo-Zuid bij P.J. Janssen
- door Pieter Duijf -
Op maandag 27 maart 1922 maakte de Nieuwe Venlosche Courant melding van een ‘groote brand’, die op zaterdag 25 maart had gewoed in de gebouwen en stalling van de firma J.P. Janssen aan de Roermondschepoort (Slooterbeekstraat). Op de gewraakte ochtend was de schilder S. om ongeveer half twaalf bezig geweest met het afbranden van een zogeheten spiegelkast op een der grote verhuiswagens. Wat hij niet wist, was dat deze kast nog stro bevatte. Het laat zich raden. Het stro vatte spoedig vlam en onze arme schilder restte niets anders dan wat paniekerige bluspogingen te ondernemen. Deze inspanningen liepen echter op niets uit. Wel liep hij ernstige brandwonden aan hoofd en handen op.
Intussen had het personeel van de aangrenzende Venlosche Veiling Vereeniging de brandweer gebeld. Deze was snel ter plekke, maar aanvankelijk met veel te weinig mankracht. Een fikse geelrood gloeiende vuurzee ontstond. Zelfs politieautoriteiten onder leiding van inspecteur Smeets hielpen vol overgave mee. Het personeel van de Veiling Vereeniging spoot vanaf het dak van het veilinggebouw, dat slechts op 1 meter van het vuur stond.



“Bovenmenschelijke krachten werden hier aangewend, zelfs het raadslid de heer Driessen nam ijverig aan het blusschingswerk deel.”
Het gehele pand was inmiddels aangetast en de 14 grote wagens bleken een lastig te bestrijden vuurhaard. De geweldige hitte en de enorme rookontwikkeling bemoeilijkten het werk van de brandweer, die onderwijl op volle sterkte was komen opdraven. Ook de wind speelde in het begin danig parten, dat men zowaar vreesde voor de achterliggende huizen. Om 1 uur was men de brand meester. De manschappen van opperbrandmeester Struben hadden hun werk gedaan.
Wat ging er verloren? Dat waren 14 grote vierwielige wagens (waaronder 4 grote transportwagens en de lading (75 balen tabak, 5000 paar schoenen, poetsdoeken, graan, enzovoorts). Van de stalling bleef weinig meer over dan wat zwartgeblakerde muurresten. Een tweetal vaten benzine wist men bijtijds te verwijderen. 6000 pond hooi, dat zich boven de paardenstallen bevond, verbrandde gedeeltelijk, het andere gedeelte werd door de opgelopen waterschade onbruikbaar. De paarden waren gelukkig allemaal aan het werk en ook een grote voorraad dynamo’s kon worden gered. Het had erger kunnen zijn in deze dichtbebouwde buurt.


Na de brand in 1922

De verslaggever van de Nieuwe Venlosche Courant sloot zijn omvangrijke bericht af met een kritische noot. Het moest hem van het hart “dat weer is gebleken, dat er aan de organisatie iets hapert. Zeker, de eerste slangenwagen was vrij spoedig aanwezig, doch met veel te weinig personeel. Ware het niet dat verschillende buitenstaanders in den aanvang krachtig hadden aangepakt, het zou zoo niet zijn afgelopen.” Er volgde warempel een politieke discussie op gemeentelijk niveau over het functioneren van de Vrijwillige Venlosche Brandweer. Men riep steeds feller om een korps van beroepskrachten met voldoende materieel. Een stad als Venlo behoorde toch de beschikking te hebben over zeker 55 brandkranen. Een rapport van de Arnhemse opperbrandmeester Hidding uit 1921(en destijds voorgelegd aan de gemeenteraad) werd uit het stof gehaald. (De oprichting van een beroepskorps liet echter nog tot 1942 op zich wachten, pd).
In de weken na de brand dongen allerhande aannemers en leveranciers van bouwmaterialen naar de gunsten van de heren Leygraaf, immers eigenaren van de firma J.P. Janssen. Een opkoper van oud ijzer toonde per brief belangstelling voor het overgebleven schroot en bood de hoogste prijzen voor het vernielde wagenpark. Uiteindelijk kreeg de Heerlense architect Joseph Seelen opdracht tot het maken van bouwtekeningen. Hij ontwierp ook al het kantoorpand met woning aan de Parade 45 in 1912(nu Calico Jack, pd). Dit deed hij toentertijd klaarblijkelijk tot volle tevredenheid. Als aannemer wordt P. Delsing uit Venlo aangenomen. Om erger in de toekomst te voorkomen liet men uit voorzorg een eigen brandblusinstallatie plaatsen.
Henri Leygraaf trad op 23 december 1923 uit de N.V. Hij was op dat moment 72 jaar oud. Zijn aandelen werden geschat op 150 procent van de oorspronkelijke waarde.

(Uit jubileumkrant ‘JP Janssen in beeld’ uit 1989. Uitgever was Dagblad voor Noord-Limburg


Cartoon Piet Camps uit De Träöt


Bestelbus

Reageren? Stuur een e-mail naar Pieter Duijf: piedu12@yahoo.com.