zaterdag 16 januari 2021

Koud tot op het bot in februari 1917

 

- door Sef Derkx -

Het gaat sneeuwen, het KNMI waarschuwt voor gladheid en heeft code geel uitgegeven voor het hele land. Of het zo koud wordt, dat de Maas dichtvriest, is onwaarschijnlijk. Koud tot op het bot was het echter wel in 1917. Het vroor lang en hard. Zo lang en zo hard, dat De Maas dichtvroor en je over het ijs van Venlo naar Blerick heen en terug kon schuifelen.

Nieuwe Venlosche Courant van maandag 5 februari 1917 (gevonden met www.delpher.nl)


 
Limburgsch Dagblad van dinsdag 6 februari 1917  (gevonden met www.delpher.nl)

Koning Winter wist van geen wijken begin 1917, het vroor bijna drie maanden aan een stuk. Tussen 1 en 10 februari zakte de thermometer tot -19 graden Celsius. Iedereen klaagde steen en been, vooral over de stagneerde aanvoer van voedsel en brandstof. De Eerste Wereldoorlog was in volle gang. Nederland was weliswaar neutraal, maar voelde toch de gevolgen van het haperend handelsverkeer.

Er was ijsgang op de Maas. Op zondag 4 februari 1917 probeerden enkel durfals over te steken. Ze keerden terug op hun schreden, want het ijs was nog niet sterk genoeg. Twee andere inwoners gingen kopje onder en raakten onderkoeld. Ze werden aan de kant geholpen door toeschouwers. ‘Met een nat pak en den schrik kwamen ze er gelukkig af,’ berichtte de Limburger Koerier. 

Limburger Koerier van dinsdag 7 februari 1917 (gevonden met www.delpher.nl)

Aan de Havenkade werd die nacht een Duits meisje aangetroffen met bevriezingsverschijnselen. Omstanders hadden het tijdig ontdekt en naar het huis van de weduwe Bontamps gebracht. Dokter Janssen die direct werd gewaarschuwd achtte het noodzakelijk het kind zo spoedig mogelijk naar het Gasthuis te brengen aan de Begijnengang te brengen. 

Bevroren Maas, 1917 (foto Atelier Linders/collectie Gemeentearchief Venlo)

Maandag 5 februari 1917 brak aan. Door Venlo ging als lopend vuurtje het nieuws: ‘De Maas zit!’. Velen waagden zich voorzichtig op het ijs om de oversteek te maken of een rondje te schaatsen. De iconische foto van de dichtgevroren Maas is gemaakt door fotograaf Linders. Hij stond op de Blerickse oever. Op de achtergrond is een deel  van de Maaskade te zien, rechts onder meer De Luif en erachter de torentjes van het stadhuis en de slanke spits van de Sint-Nicolaaskerk. Op de rechterrand is een deel gekomen van de indrukwekkende gevel van de enveloppenfabriek Bontamps.

Bevroren Maas, 1917 (foto Atelier Linders/collectie Gemeentearchief Venlo) 

In de eerste druk van Venlo in oude ansichten uit 1969 is nog een tweede foto van Linders opgenomen. We hebben ze zo goed en kwaad als het ging gescand. Deze opname was een van de lievelingsfoto’s van mijn eerste afdelingschef bij het Goltziusmuseum en Gemeentearchief, stadsarchivaris Wim Hendriks.

Gezelschap bij café Zaeijen, thans hotel-restaurant Valuas (collectie Theo van Rensen) 

Op deze historische dag is ter hoogte van het café De Roeije van Zaeijen door Linders nog een prachtig groepsportret gemaakt op het ijs. Het meisje links is Stien Zaeijen, ernaast (met glas bier) staat haar vader kastelein Handri Zaeijen. De overige heren zijn waarschijnlijk leden van de beugelclub of de visvereniging, die in het café lokaal hielden. 

De geportretteerden zullen in de verste verte niet hebben kunnen bevroeden, dat wij anno 2021 nog van deze prachtfoto kunnen genieten. 

 

Limburger Koerier van zaterdag 10 februari 1917 (gevonden met wwww.delpher.nl)

Een oversteek over het ijs van de Maas geschiedde in die februaridagen ook in Belfeld, Tegelen, Velden, Lomm en Arcen.

Reageren? Herinneringen aan winters dat de Maas dicht zat? 

Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.     

Kees Smit en de rainbow kick - Herinneringen aan Ajax in De Kraal

- door Gerrit van der Vorst -  

Kees Smit (Haarlem, 25 februari 1940) speelde drie maal met Ajax in De Kraal. De laatste keer op zaterdag 21 april 1962, toen Victor Janssen de wedstrijd besliste met 1 van de 2 goals die hij ooit voor VVV maakte. Een andere herinnering aan die wedstrijd is dat VVV-keeper Frans Swinkels met een magistrale safe een klein zwart keffertje ving, waarvoor de wedstrijd stilgelegd was. Een dik jaar eerder, op zondag 15 januari 1961, hadden de VVV-supporters bij de (eind)stand 2-0 voor VVV in een pre-Carnavalsstemming gezongen: ‘Och, waas Ajax maar beej mooder thoesgebleve.’ Ja, dat waren nog eens tijden.

Ajax-aanvaller Henk Groot schiet op het VVV-doel tijdens de wedstrijd op 15 januari 1961. Harie Steegh komt te laat.

Mij gaat het om de eerste wedstrijd van Kees Smit in De Kraal, op zondag 20 maart 1960. Ajax brak die dag het thuisrecord van VVV, door met 1-2 te winnen. Smit was linksback, een gebruinde macho die niet zozeer door zijn spel indruk op mij maakte, maar vooral door zijn verschijning. Zo wilde ik ook wel de blits maken, liefst op een Kreidler Florett, in plaats van mijn onbeduidende brommertje.

Cornelis Johannes Vincentius Smit als Ajax-speler (Nationaal Archief, Wim van Rossem/Anefo).

In 1964 ging Kees Smit na vijf Ajax-seizoenen voetballen voor FC Zaanstreek. Het was een onafhankelijke persoon die bij Ajax een fikse boete had opgelopen wegens zijn ongeoorloofde deelname aan de Friese Elfstedentocht. En bij FC Zaanstreek kwam Smit (25) in 1966 na een conflict zelfs op non-actief te staan. De bekende Ajacied Ko Prins haalde hem over om een vierjarig contract te tekenen voor de nieuwe club Pittsburgh Phantoms in de VS.

Ko Prins met Pierre Kerkhoffs in 1965 (Nationaal Archief, Anefo).

Avonturiers als Ko Prins, Cees Groot, Theo Laseroms en dus Kees Smit kwamen in weelde terecht: mooie huizen met zwembad, sleeën voor de deur en riante salarissen. ‘Stel je voor’, vertelde Ko Prins opgetogen aan een verslaggever van Het Parool, ‘Ik heb zes verschillende soorten ijs in de frigidaire staan.’ Het land van de onbegrensde mogelijkheden, nietwaar? Prins had ook meteen maar een Chevrolet Camaro van 3.000 dollar gekocht.

Een Chevrolet Camaro-sportwagen uit de periode 1966-1967.

Volgens medespelers was Kees Smit al gauw niet meer van de partij. Phantoms-aanvoerder Ko Prins: ‘In het trainingskamp heeft Kees Smit zich niet aan de voorschriften gestoord. Hij kwam ‘s avonds niet op tijd terug, omdat hij aan de zwier was geweest en hij staat nu niet meer op de spelerslijst.’ Theo Laseroms verklaarde dat Kees Smit naar huis was gestuurd.

Theo ‘de tank’ Laseroms vervolgde later zijn carrière bij Feyenoord, waar hij met Rinus Israëls een gevreesd duo vormde (Nationaal Archief, Jac. De Nijs/Anefo).

De competitie van de ‘wilde’ National Professional Soccer League, begonnen in het voorjaar van 1967, was toen al een flop gebleken. Amerika was nog niet rijp voor voetbal. De doorsnee-Amerikaan had geen flauw benul van voetbal en de hoge toegangsprijzen hielpen ook al niet. Aan het eind van de competitie werd Pittsburgh Phantoms opgedoekt en ging de NPSL op in een nieuwe bond.

Het logo van de National Professional Soccer League 1967 (Wikiwand).

De levenslange KNVB-schorsingen bleken boterzacht. De spelers gingen gewoon weer aan de slag in het Nederlandse betaalde voetbal. Op één na: Kees Smit. Eind december 1970 interviewde Harry Vermeegen hem, bij gelegenheid van een bezoek van Smit aan zijn ouders in Haarlem. Onder de kop ‘De man die bleef’ verscheen het interview in de grote dagbladen. Smit vertelde hoe het een puinhoop was geworden bij de NPSL. Te veel spelers, grote onderlinge irritaties, spelers die niet met geld konden omgaan, onzekerheid over betalingen enzovoorts. Hij was op zoek gegaan naar ander emplooi. Dankzij zijn talenkennis had hij banen gekregen als directeur van een sportschool en voetbalcoach op een universiteit. Nu was hij in de paardenhandel gegaan en tussen de bedrijven door speelde hij American football bij de Pittsburgh Steelers (volgens hem voor 30.000 dollar per seizoen).

‘Billy the Kid even terug’, schreef De Tijd op 28 december 1970 op de voorpagina.

Op zeker moment stelde Vermeegen de vraag: ‘Het schijnt dat je daar ontzettend de playboy hebt uitgehangen?’ Smit: ‘Dat hebben de jongens zeker verteld. Ze waren jaloers omdat ik het best Engels sprak. Overal moest ik het elftal vertegenwoordigen. Ik heb daar heus wel een meisje versierd. Maar laten ze niks over mij zeggen. Anders moet ik zulke vervelende dingen over hen zeggen en dat doe ik liever niet.’

Sportjournalist en programmamaker Harry Vermeegen (Archief Beeld en Geluid).

Tja, zullen lezers denken, maar wat heeft dat nou allemaal ook met Venlo te maken? Dit is wel Floddergatsblog. Oké, terug naar zondag 20 maart 1960. Tijdens de warming up liet Kees Smit een truc zien, die vooral de jonge toeschouwers geweldig imponeerde. Hij stapte over de bal heen, wipte die met zijn hakken iets omhoog en tikte ‘m vervolgens met een boogje over zijn hoofd tot voor zijn voeten. Moeiteloos. Dat hadden we nog nooit gezien. Het leek een volstrekt nutteloze truc, maar die moest en zou ik (13) ook leren!

Eerst nu, begin 2021, lees ik op internet dat de beweging de rainbow kick heet. Een instructie is te vinden op nl.wikihow.com/De-rainbow-kick-leren: ‘De rainbow kick is een snelle voetbaltruc waarmee je indruk kunt maken en wat daarnaast ook nog gebruikt kan worden als aanvalswapen.’

De rainbow kick.

Die instructie was er in 1961 nog niet. Meteen na de wedstrijd begon ik enthousiast te oefenen in de gats achter ons huis aan de voet van de Kaldenkerkerberg. En ik bleef oefenen. ‘Het is niet een gemakkelijke techniek, door de opeenvolgende, snelle voetbewegingen, maar als je het eenmaal hebt geleerd, dan zal je merken dat het alle inspanningen zeker de moeite waard maakt.’ Dat het geen gemakkelijke truc was, heb ik ruimschoots ondervonden, maar niet dat mijn inspanningen de moeite rechtvaardigden. Ik zal niet uitweiden over mijn 60 jaar durende queeste. Hoe het maar niet lukken wilde, ook niet op het strand, toch een ideale ondergrond voor zo’n struikel-act. Hoe mijn echtgenote me vaak uitlachte. Hoe het me eens lukte, toen ze net niet keek. Mijn boodschap in deze blog: ik geef het op.

Kees Smit, waar je ook moge zijn, je wordt bedankt! En fijn dat er in die tijd geen Ronaldinho in De Kraal te zien was.

Ronaldinho (onder meer FC Barcelona) was een geweldige balkunstenaar (Wikipedia).

Reageren? Stuur een e-mail naar Gerrit van der Vorst: gp.vandervorst@xs4all.nl.

vrijdag 15 januari 2021

Koud tot op het bot in februari 1954

 - door Sef Derkx –

Er is winters weer voorspeld, het KNMI waarschuwt voor code geel in het hele land. Of het zo koud wordt, dat de Maas dichtvriest, betwijfelen we sterk.  Koud tot op het bot was het echter wel in 1954. Zo koud, dat je over de Maas van Venlo naar Blerick heen en terug kon wandelen.

Jongen en meisje op bevroren Maas in 1954 (particuliere collectie)

De bovenstaande foto dateert van februari 1954. De jongen is Herman Zweijpfenning, het meisje naast hem is zijn nichtje Marie-Thérèse van Gool. De opname is in noordelijke richting gemaakt. Links is de Blerickse Maasoever. We kijken tegen de spoorbrug en Baileybrug aan. Laatstgenoemde verkeersbrug, die velen van u nog in herinnering zullen hebben, is op 4 december 1947 in gebruik genomen en bleef dat tot 1957.

Maar nu naar 1954. Na een aanloop met zacht weer zette op 22 januari van dat jaar de winter in. En hoe! Een week later was het IJsselmeer al praktisch dicht gevroren. Velen gingen vanaf dat moment naar de ijsgang op de Maas kijken, want Koning Winter zou met strenge hand blijven regeren, werd gezegd door meteorologen. Op woensdag 3 februari 1954 ging de Elfstedentocht van start. Een dag later zat de Maas bij Venlo bijna dicht. Van een veilige oversteek was evenwel nog geen sprake.

Bevroren Maas, februari 1954 (collectie Gemeentearchief Venlo)

Enkele stoutmoedigen die een poging waagden op het vervaarlijk krakende ijs, keerden schielijk op hun schreden terug. De volgende dag was het zover en vond de eerste overgang van Venlo naar Blerick plaats. Het was een waagstuk, want de Maas zat nog niet helemaal dicht. Tussen de schollen waren nog plekken met een verraderlijk dun laagje ijs. Kinderen die het ook wilden proberen, werden door de politie tegengehouden omdat het nog te gevaarlijk was. Zij werden verwezen naar de haven die stevig dicht zat en waar naar hartenlust kon worden geschaatst en gegleden.

Weer een dag later, op zaterdag 6 februari 1954, is vermoedelijk de foto gemaakt met Herman en Marie-Thérèse. De beide kinderen staan niet zo heel ver van de kant. Op de achtergrond rechts zien we een jongen die de dikte van het ijs eerst test, voordat hij zich verder waagt. De oversteek was niet zonder risico’s, zoals blijkt uit een huiveringwekkend berichten die we aantroffen in verschillende kranten van 8 en 9 februari. 

Limburgsch Dagblad van maandag 8 februari 1954 (gevonden via www.delpher.nl) 

Vanaf de veilige Maasoever kijken mensen naar iemand die een poging waagt de Maas over te steken, februari 1954 (collectie Gemeentearchief Venlo)

Reageren? Herinneringen aan winters dat de Maas dicht zat? 

Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all

Van nul tot nu van woensdag 13 januari 2021 - Jan van Venlo wist van klok en klepel

- door Albert Lamberts -  

Detail carillon in de toren van de Sint-Martinusbasiliek (collectie Stichting Het Venloos Carillon)

Venlo enveloppenstad, Venlo peperkoekenstad, Venlo transportstad, Venlo stad van de tuinders. Noem maar op. In dat rijtje hoort toch ook wel een beetje Venlo klokkenstad. Niet van de allure van Aarle Rixtel, waar Petit en Fritsen het ambacht van klokkengieter vanaf einde zeventiende eeuw uitoefende. Sinds 2015 trouwens onder de gezamenlijke paraplu met Koninklijke Eijsbouts in Asten, waar nog een alleraardigst klokkenmusuem is gevestigd. Bescheidenheid is een schone deugd, maar Venlo mag ook best trots zijn op zijn ‘klokkenverleden’, waarin ene Jan van Venlo zelfs ruim twee en een halve eeuw eerder dan Petit en Fritsen al van de klok en de klepel wist. 

De huidige Sint-Martinusbasiliek wordt op de stadsplattegrond van J. Blaeu uit 1649 de Groote Kerck genoemd (collectie Gemeentearchief Venlo.

Op deze prent uit 1596 zien we de imposante Venlose stadstoren. In de schaduw daarvan staat de Sint Martinuskerk met oudere kerktoren. De stadstoren was tot 1766 een opvallend element op de skyline van Venlo. Omdat de Martinustoren mogelijk een te geringe hoogte had, werd rond 1410 besloten een grote stadstoren te bouwen. Deze had een oppervlak van 18 bij 18 meter en verrees recht voor de oude kerktoren van de Martinuskerk die als het ware letterlijk daardoor in de schaduw van dit bouwwerk kwam te staan (bron: Gemeentearchief Venlo)

De geschiedenis van klokken in Venlo gaat nóg verder terug, want de oudste (voormalige) luidklok in de toren van de Martinuskerk dateerde uit 1373. Welke klokkengieter deze klok heeft gegoten is niet bekend. In die tijd was klokken gieten over het algemeen een individuele bezigheid. Ateliers waren van later datum. Het mag niet worden uitgesloten, dat de klok voor de Martinuskerk in Venlo is gegoten om de transportlijn zo kort mogelijk te houden; dat was toen vrij gebruikelijk.

Jan van Venlo, portretreliëf in frontgevel stadhuis, eind negentiende eeuw. Het kunstwerk is ontsproten aan de fantasie van de steenhouwer, er is namelijk geen portret van Jan van Venlo overgeleverd (foto MeerWolff) 

In het blad De Maasgouw (Weekblad voor Limburgsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde) van augustus 1881 lezen we, dat Venlo in de laatste jaren van de veertiende eeuw een bronsgieter kende in de persoon van Arnoldus de Wilde. Diens dochter trouwde met ene Jan van Venlo, in de vijftiende eeuw de grondlegger van het klokkengietersatelier Jan van Venlo. Daar werden ruim honderd jaar klokken gegoten voor vele kerken in het bisdom Luik en de hertogdommen Gulik en Gelre.

In het boek Pronkstukken van Venlo (1993) schrijft Wim Truyen: Het is niet bekend of we de naam van het atelier Van Venlo als een familienaam moeten duiden of dat er sprake was van een vernoeming naar de plaats van herkomst. Voor de vijftiende eeuwse ambachtsman was deze vraag echter volstrekt onbelangrijk; de gieters voorzagen hun klokken van uiteenlopende signaturen: Ian, Iohan clockgietere, Jan van Venlo en Jan clockgietere Van Venlo zijn waarschijnlijk namen die door één en dezelfde gieter werden gebruikt. Volgens Truyen konden overeenkomsten in typische versieringen en/of lettertypen op een klok overtuigende argumenten zijn om ondanks verschil in schrijfwijze van de naam te concluderen, dat het om één bepaalde gieter ging.

Roof van de klokken uit de Sint-Martinuskerk in 1942 (collectie parochie Sint-Martinus)

De door de bezetter geroofde klokken uit Noord-Limburg werden verzameld op het terrein van een transportbedrijf aan de Straelseweg. Het stond onder de bevolking bekend als het klokkenkerkhof en lag vanuit de stad gezien aan de rechterkant van de straat, even voor de Rozenkransstraat (collectie Jan van Pol)

Goed, terug naar die oude klok, anno Domini MCCCLXXIII (1373). Deze klok weegt maar liefst 1750 kilo en het opschrift luidt, uit het Latijn vertaald: Martinus, ik zing een loflied God waardig. Ik ween bij een dode. Ik weer het kwade af. Ik geef een teken bij oorlog. En verder: Que facis Ivvo Venle benignvm (Ik help Venlo welwillend).  En er is nog een heel bijzonder opschrift en wel bij de kroon. Daar staat REP. R.D.M. 1949. Dit opschrift is aangebracht 576 jaar na het gieten van de klok. Dit opschrift betekent: hersteld door de Rotterdamse Droogdok Mij. In 1949.



Sint-Martinuskerk gefotografeerd vanuit de Kleine Kerkstraat, voor de Tweede Wereldoorlog (met dank aan Piet Braem)

Ongeveer hetzelfde standpunt als hierboven, kort na de bevrijding. Het restant van de toren zou tijdens een novemberstorm in 1945 instorten (foto Nachtsheim/collectie Sef Derkx)

Hoe dat zo? Wel, de zware luidklok overleefde de klokkenroof door de Duitse bezetter op 3 november 1942, omdat zij was voorzien van een wit geschilderde letter M. Dat hield in dat ze onder de monumentale klokken was gerangschikt en dat werd gelukkig door de Duitsers gerespecteerd. De klok overleefde ook de brand in de toren in november 1944 als gevolg van een van de geallieerde bombardementen op Venlo, die beoogden de Maasbruggen te vernielen, zodat de Duitsers geen materieel en troepen meer over de Maas konden brengen. Zelfs in de hevig beschadigde toren bleef de klok op zijn plek, maar bij een westerstorm in het najaar van 1945 stortte de uitgebrande toren in en kwam ook de klok naar beneden. Herstel van de beschadigde klok bleek mogelijk en dat gebeurde door de Rotterdamse Droogdok Mij. Vandaar dus het opschrift. In 1949 kwam de klok terug in Venlo, maar kon niet in de toren worden geplaatst, want die was nog in aanbouw.  Pas in oktober 1952 kreeg de klok zijn plek in de klokkenstoel in de nog onvoltooide toren, evenals twee nieuwe luidklokken, De Willibrordusklok, genoemd naar de geloofsverkondiger, en de Mathiasklok, vernoemd naar de toenmalige deken Mathieu Strijkers. Die klokken, zoals ook later de klokken voor het  carillon, werden gegoten bij Petit en Fritsen in Aarle Rixtel. 

Overal werden in de jaren vijftig nieuwe klokken voor Venlose kerken ingezegend. Op de foto: deken Mathieu Strijkers (midden) zegent op palmzondag 1954 een nieuwe klok voor de Familiekerk in Venlo. Links pastoor Alphons Delsing (collectie Albert Lamberts)

Nee, Venlo heeft al lang geen klokkengieter meer. Tot aan het einde van de vijftiende eeuw waren nog drie gieters uit het atelier Van Venlo actief.  Van daarna is niets over klokkenmakers in Venlo bekend.

Herinneringen aan Venloos klokkenverleden zijn er nog wel: bijvoorbeeld de Klokkengieterstraat in Venlo-Noord, een Jan van Venlo-straat, een medaillon van klokkengieter Jan van Venlo op de voorgevel van het Venlose stadhuis en vanzelfsprekend strooien vele klokken nog dagelijks hun gelui over de stad. De luidklokken uit 1952 zijn overigens al lang niet meer alleen. Sinds 1959 beschikt Venlo over een groot carillon, dat nu in totaal maar liefst 53 klokken telt. O, en de grote klok uit 1373? Die begaf het weer en moest in 1959 alsnog plaats maken en staat nu in het Limburgs museum.

Volgende week meer over het carillon.

Reageren? 

Stuur Albert Lamberts een e-mail: albertlamberts@home.nl. 


donderdag 14 januari 2021

De Halte XL van woensdag 13 januari 20201 - Het graf van Eugène Dubois

 - door Sef Derkx - 

Detail graf Eugène Dubois (foto MeerWolff)

Op deze grijze en miezerige winterdag is de Algemene Begraafplaats ons reisdoel, we zijn daarom uitgestapt bij halte VieCuri. We willen het graf van Eugène Dubois (1858-1940) bezoeken. Waar ligt de getroebleerde wetenschapper te wachten op de Jongste Dag? Als je de begraafplaats oploopt, sla je linksaf. Op het einde van het pad ga je naar rechts. Bij de voormalige zijingang aan de Wittendijkweg is het. 

Om maar meteen een misverstand uit de wereld te helpen, het is niet het graf van de legendarische Venlose huisarts Victor Dubois. De man die in de volksmond D'n Dub werd genoemd, die praktijk hield in de Houtstraat en over wie mooie verhalen rondgingen. Nee, het is het graf van zijn familielid Eugène Dubois, een misschien wel té briljante wetenschapper.  

Eugène Dubois in zijn studententijd (bron: Canon van Limburg)

Eugène Dubois was een geleerde met een missie: hij zocht de ontbrekende schakel tussen aap en mens. In 1887 gaf hij zijn wetenschappelijke carrière aan de universiteit van Amsterdam op. Hij ging in dienst als officier gezondheid tweede klas bij het KNIL en vertrok met vrouw en pasgeboren dochtertje naar het toenmalige Nederlands-Indië. 

Echtpaar Dubois voor vertrek naar Nederlands Indië (bron: Wikipedia)

Op Java vond hij in 1891 en 1892 een kies, een dijbeen en schedeldak van een wezen, groter dan een aap en kleiner dan een mens. Hij was er rotsvast van overtuigd the missing link te hebben gevonden. Eeuwige roem zou zijn deel worden. Dat hoopte en dacht Dubois. Maar hij kreeg te maken met jaloezie, hoon en scepsis. Uiteindelijk bleek zijn stelling wetenschappelijk ook niet houdbaar. Het was niet de ontbrekende schakel, maar een voorloper van de huidige mens. Na zijn dood zou hij er wereldberoemd mee worden. 

Tekening van Dubois’ vondsten: dijbenen, schedeldak en kiezen (bron: Wikipedia)

Terug in Nederland begon hij een ongelijke strijd om eerherstel. Hij struinde de Tegelse kleiafgravingen af, op zoek naar meer bewijzen. Die vond hij niet. Maar hij legde wel een grote collectie fossielen aan, op basis waarvan we ons een voorstelling kunnen maken van de dieren en planten in het Tiglien, twee miljoen jaar geleden. Het merendeel van deze fossielen wordt bewaard in het Teylers Museum in Haarlem.  In 1899 werd Dubois de nieuwe conservator van het paleontologisch-mineralogisch kabinet van Teylers Museum. Ook werd hij professor in de kristallografie, mineralogie, geologie en paleontologie te Amsterdam. 

In het voormalige Goltziusmuseum hadden we een wandvullende tekening in zwart-wit van de flora en fauna van het Tiglien.  Als educator  vond ik het leuk om onder een museumles kinderen de verschillende dieren te laten ontdekken. Vooral de Aap van Tegelen werd door de jeugd als bijzonder ervaren. Dat er in Tegelen ooit in het wild een aap had geleefd, dat was een openbaring.  Maar ja, ik praat nu over veertig jaar geleden.

Goltziusmuseum in 1975 (bron: Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed)

In de Botanische Tuim Jochumhof op Steyl is een Tiglientuin. Die is gebaseerd op onderzoek van het biologenechtpaar Reid. Ze maakten een overzicht van alle plantensoorten die in het Tiglien voorkwamen en nu nog bestaan. De lijst van 120 plantensoorten vormt de basis voor de Tiglientuin. Vanuit de hele wereld zijn planten en zaden aangevoerd om een plantencollectie uit het Tiglien te vormen. Doordat het klimaat van toen erg veel lijkt op het klimaat van tegenwoordig, kunnen de verschillende planten overleven. De soorten die hier zijn te vinden, zijn onder meer de: winterlinde, pimpernoot, hulst en vleugelnoot.

Tiglientuin Jochumhof, Steyl (bron: Jochumhof) 

Terug naar Eugène Dubois. Wetenschappelijke erkenning van zijn vondsten als dé schakel tussen aap en mens bleef uit. Dubois werd verbitterd en wantrouwig, leefde als een kluizenaar op landgoed De Bedelaar in Haelen en bewaarde de fossielen van Java naar verluidt onder de studeerkamervloer. Het leven van Dubois en zijn complexe persoon doemen prachtig op uit de biografie De ontbrekende schakel van Pat Shipman, die verscheen bij uitgeverij Vorroux. Zo snel mogelijk gaan lezen. Een meeslepend boek in tijden van corona. 

Eugène Dubois in 1902 (bron: Wikimedia Commens)

Het graf van Eugène Dubois op de Venlose begraafplaats ligt in ongewijde aarde. Het gedeelte dat vroeger bestemd was voor godloochenaars en zelfmoordenaars, de laatste rustplaats voor de rustlozen van geest. Hoe dat kan? Eugène Dubois had als student het katholicisme afgezworen. Tot ontzetting van zijn diepgelovige familie. Hij vond dat wetenschap en geloof principieel niet samen konden gaan. Overeenkomstig zijn wens werd hij daarom niet tussen katholieken of protestanten begraven. Op de grafplaat van Dubois staan ook geen christelijke symbolen. De familie liet de steenhouwer zijn grootste vondsten vereeuwigen: het schedeldak en twee gekruiste dijbeenderen. Dubois had op Java slechts één dijbeen gevonden. 

Met één dijbeen kon de steenhouwer echter niet uit de voeten, hij vereeuwigde er twee. Twee gekruiste beenderen vormen een symbool uit de christelijke cultuur, dat verwijst naar de sterfelijkheid.   

Graf van Eugène Dubois (foto MeerWolff)

De Limburgse literatoren Wiel Kusters en Huub Beurskens hebben in 1983 een serie gedichten aan Dubois gewijd. Het uitgangspunt in deze ‘dubbelbundel’ is het stormachtige leven van de omstreden geleerde.  De twee delen van deze bundel zijn gescheiden gebonden, maar vormen samen toch één geheel. Huub Beurskens maakte voor elk van beide delen een linosnede.(zie: https://www.atalantapers.nl/bibliografie/boekuitgaven/1112/?skeywords=Dubois).

 


Dubbelbundel 'Het graf van Dubois' (uitgave Atalanta Pers/met dank aan Huub Beurskens) 

Over het bewogen leven van Eugène Dubois is zelfs een stripverhaal gemaakt. Reden genoeg kortom om zijn graf in Venlo een rijksmonumentale status te geven.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.

 



 

 

 

 

dinsdag 12 januari 2021

Piet Braem vindt foto's van Inval op 10 mei 1940 (Aanvullingen)

Afgelopen week publiceerden we een aantal tot nu toe onbekende foto's van de inval door de Duitsers op 10 mei 1940  (https://sefderkx.blogspot.com/2021/01/piet-braem-vindt-fotos-van-de-inval.html.)  Ze werden door beeldresearcher Piet Braem aangetroffen op een veilingsite. Piet is het Fotografische Geheugen van Venlo en bovendien Meesterrechercheur op Internet.

Slapende Duitse soldaat in waarschijnlijk Nedinsco

Van een aantal foto's wisten we niet precies waar de fotograaf had gestaan op deze voor Nederland zo treurige dag. Een locatie is nu bekend dankzij de oplettendheid van Will Janssen. De opname is gemaakt vanaf de Leutherberg.

Het is bovenstaande foto, de huizen rechts hebben er nog lang tot na de Tweede Wereldoorlog gestaan. We zijn aan het vergelijken geslagen. Hieronder een foto van de Leutherweg in minder benarde tijden voor de Tweede Wereldoorlog. Een vredig tafereeltje met zelfs jongens die op straat zitten en een heer die aan komt gekuierd.


Duidelijk zichtbaar is fameuze parochiezaal Copacabana, tevens hulpkerk. Degene die deze foto maakte, heeft zijn toestel ietsje verder de berg af opgesteld. Nu weer de foto van de inval.


Het lijdt geen twijfel: het is de Leutherweg. Als herkenning hebben we een pijltje gezet boven Copacabana.

Marcel Hogenhuis heeft zich eveneens over de foto's gebogen, waarvan de exacte locatie niet bekend was. De opname hierboven is gemaakt op de Leutherweg. 

Marcel Hogenhuis : 'Dit is inderdaad de Leutherweg, laatste vlakke stukje voor de kruising met de Casinoweg. Het hek links gaf toegang tot VOS-terrein (nu Venlose Boys), op het bord staat Vooruitgang Ons Streven. Het rijtje puntdakjes aan de linkerzijde van de Leutherweg komt overeen met het aantal puntdakjes op oude luchtfoto's.' 
 

Met dank aan Marcel Hogenhuis, Will Janssen en Piet Braem.

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.

 



maandag 11 januari 2021

Mikanostalgia (3) | Foggia

- door Wim Moorman - 

Een jaar geleden overleed mijn oom Theo Vincken, als sportjournalist van het Dagblad voor Noord-Limburg en Dagblad De Limburger tientallen jaren lang VVV-volger. Uit zijn nalatenschap ontving ik een prachtige collectie VVV-foto’s. Ik zorg ervoor dat die op de juiste plaats terechtkomt. Maar niet nadat ik een aantal herinneringen heb opgehaald, telkens aan de hand van één foto, telkens in precies tweehonderd woorden.

Met het oog op het WK in Argentinië eindigden de competities in 1978 in veel Europese landen al begin mei. Ter overbrugging van de lange voetballoze periode werd een reeks internationale wedstrijden georganiseerd, de zogeheten Europese Zomercompetitie. Een aantal Nederlandse clubs uit het tweede echelon nam deel. Waaronder VVV, dat in een poule met Foggia, Olympique Lyon en een combinatieteam van Ferencvaros en Vasas als derde eindigde. Van de drie thuiswedstrijden staat alleen die tegen Foggia me nog bij. En dan vooral de verwensingen aan het adres van de Italiaanse spelers vanaf de matig gevulde tribunes. Een gevolg van het feit dat de Foggiani bepaald niet zachtzinnig te werk gingen. Hoe langhariger de speler hoe grover de verwensingen die hij naar zijn hoofd kreeg geslingerd. De nummer 3, waarvan ik vermoed dat het Renato Sali was (Wilbert, correct me if I’m wrong), had het het zwaarst te verduren. De verdediger werd onder meer uitgemaakt voor lid van de Rode Brigades, een Italiaanse terreurorganisatie. Bedenk daarbij dat de wedstrijd werd gespeeld op 13 mei 1978. Vier dagen eerder was in Rome het lijk gevonden van Aldo Moro, een voormalige Italiaanse minister-president. Moro was op 16 maart ontvoerd door de Rode Brigades.

Gepost door Wim Moorman

zondag 10 januari 2021

'Mooder Maas kwaam Niejaor winse'

- door Sef Derkx - 



Peilstenen naast de toegangsdeur van café De Witte aan de Parade, 2020 (foto Sef Derkx)

Rechts naast de toegangsdeur van café De Witte aan de Parade zijn vier peilstenen ingemetseld, die herinneren aan de wateroverlast in vervlogen jaren. De tweede van boven geeft het waterpeil aan dat in januari 1926 werd bereikt. In de vroege ochtend van nieuwjaarsdag 1926 sloeg Mooder Maas toe. In enkele uren tijd kwam het grootste gedeelte van de binnenstad blank te staan. Wie na een uitbundige viering van oud op nieuw nog met droge voeten was thuisgekomen, moet na het ontwaken aan zijn waarnemingsvermogen zijn gaan twijfelen. Toch was het geen zinsbegoocheling, maar werkelijkheid. Drie vierde van de binnenstad stond onder water. ‘De Maas kwaam Niejaor winse’ werd een gevleugelde uitdrukking vijfennegentig jaar geleden.


Nieuwe Venlosche Courant van 30 december 1925 (gevonden via www.delpher.nl)

Niets wees er voor Kerstmis 1925 op dat weldra een ramp Venlo zou treffen. De Maas stond wel hoog door de aanhoudende regen, maar och dat stond de nog niet gekanaliseerde rivier ieder jaar. Wateroverlast in de lagere gedeelten van de binnenstad was ook niets bijzonders. Eigenlijk was het een soort van attractie. Er waren drie punten waar mensen gingen kijken naar het schouwspel van opkomend water uit rioolputten: aan de Geldersepoort, op de Parade ter hoogte van de Lohofstraat en bij het Romerhuis aan de Jodenstraat. Daags voor Kerstmis 1925 kwam de geruststellende melding dat het peil van de Maas spoedig zou zakken. Vijf dagen later echter zagen bewoners van de Maasstraat dat hun straat onder water liep. De regen hield aan, het kwam er met bakken uit. De riolen konden het hemelwater niet afvoeren, waardoor het alsmaar natter werd op de Maaskade, ‘t Hetje, de Geldersepoort en Lomstraat.

Oudejaarsdag 1925 bracht opnieuw regen en verontrustende verhalen van de Parade, waar in allerijl kelders waren ontruimd. Met het waterpeil, steeg de spanning. De sfeer van die avond is inlevend weergegeven in een artikel dat de op de laatste dag van het jaar in de Nieuwe Venlose Courant stond: “Terwijl we dit schrijven gutst de regen voortgezweept door huilende stormvlagen tegen de ruiten, flikkert de bliksem en rolt een geweldige donderslag door ’t luchtruim. ’t Lijkt of alle elementen samenspannen om de hoog-water-periode die we thans doormaken, zoo vreeselijk mogelijk te maken. Op oudejaarsdag bleef de situatie stabiel. Brandweer en politie stonden paraat. In de volle cafés die vergunning hadden om tot twee uur open te mogen blijven, werd feest gevierd en om middernacht zalig nieuwjaar gewenst.


Picardie gefotografeerd in de richting van de Parade, links de torenspits van de Sint-Nicolaaskerk (foto J. Forceville/collectie familie Michels)

Tussen vier en vijf uur in de ochtend, Venlo lag op een oor, sloeg de Maas toe. In korte tijd stroomde het centrum en Venlo-zuid vol. Hetzelfde lot trof de andere kernen van het huidige Venlo. In de stad waren de mensen veroordeeld om op de eerste etage te bivakkeren. Vooral de bewoners van de Jodenstraat en Havenkade en de tussenliggende steegjes zaten in een precaire situatie. In de woonkamers stond het water tot aan het plafond. Toiletten waren onbereikbaar. Men huisde in de kou op piepkleine slaapkamers. Alle overheidsdiensten waren in touw om de nood te lenigen. In de Mostardschoeël, het tegenwoordige Kunstencentrum, was een noodopvang ingericht voor de zwaarst getroffen gezinnen. De zusters van de Vakschool voor Meisjes - de hoèshaldschoeël in de volksmond - bereidden aan de lopende band warme maaltijden. Tegen de gevels van de huizen plaatste de gemeente schragen en bokken, waarop planken werden gelegd. Vanaf deze noodbruggetjes werden planken geleid door de gangen naar de trappen, zodat  bewoners van ondergelopen huizen zonder natte voeten in en uit konden gaan. Met bootjes en geïmproviseerde vlotten werden de geïsoleerde bewoners voorzien van het hoogstnodige. Tussen Vleesstraat en brug was geïmproviseerd openbaar vervoer in de vorm van paard en platte wagen.


Nieuwe Venlosche Courant van 4 januari 1926 (gevonden via www.delpher.nl)  

Tot overmaat van ramp liep op deze nieuwjaarsdag de stokerij van de gasfabriek onder, waardoor de gasvoorziening moest worden gestaakt. Gekookt werd er op petroleumstelletjes. Wie nog kaarsen over had van het kerstfeest, mocht zich gelukkig prijzen want de volgende dag viel ook de elektriciteit uit. Venlo was gehuld in het donker. Een noodkabel, getrokken vanaf Echt, zorgde ervoor dat de straatlantaarns weer gingen branden. Zonder drinkwater zat men gelukkig niet. In het gebouw van de waterleiding stond een oude stoommachine die terstond in bedrijf werd genomen nadat de stroom was uitgevallen. Het hoogste peil werd bereikt in de nacht van 2 op 3 januari 1926 tussen twee en vier uur. 

Foto vanaf de Maasbrug in noordelijke richting, in het midden De Staay (foto J. Forceville/collectie familie Michels)

De peilschaal bij de brug wees 18,84 meter boven NAP aan. Het zou de hoogste stand van de Maas in de twintigste eeuw worden. De Nieuwe Venlosche Courant kwam ondanks alles toch uit en daarin stond te lezen: “Nog nooit bij mensen heugenis heeft het water in de stad zoodanig huisgehouden als thans. Men kan gerust stellen dat Venlo voor vier-vijfde overstroomd is. Zulk een ramp heeft Venlo de laatste eeuw niet getroffen. Het verkeer in de stad is bijna geheel onmogelijk geworden. Hele stadsdeelen zijn onbereikbaar. Maasschriksel, Helschriksel enzovoorts, die zeer hoog liggen en dus droog zijn, zijn geheel van diep water omgeven. Men kan er niet in of uit.” In dezelfde krant waarschuwde de burgemeester winkeliers, bakkers en slagers om niet van de nood misbruik te maken door de prijzen te verhogen. Het politiepersoneel liep op zijn tandvlees. Het korps kreeg daarom versterking van militairen en rijksveldwachters.

Kleine Kerkstraat gefotografeerd in de richting van de Geldersepoort, de schoorsteen op de achtergrond is die van de Electrische Centrale (foto J. Forceville/collectie familie Michels)

Electrische Centrale en Gasfabriek (foto J. Forceville/collectie familie Michels)

Op zondagmorgen 2 januari om half negen kwamen koningin Wilhelmina en prins Hendrik zich op de hoogte stellen van de omvang van de watersnood. In de Spoorstraat was een aanlegsteiger waar het gezelschap plaatsnam in boten bemand met mariniers. Het eerste gedeelte van de tocht bracht de koninklijke gasten naar de Roermondsestraat en Tegelseweg. Door de sterke stroming botste de boot met het koninklijk paar tegen de boot waar de wethouders in zaten. Ter hoogte van de Mariastraat werd rechtsomkeer gemaakt. Na een bezoek aan de Vleesstraat en de Grote Beekstraat werd terug geroeid naar de aanlegsteiger. Op dat moment kwam de Venlose sigarenmaker en kastelein Sjeng Schreurs op een vlot aanpeddelen. Plots sprong hij in het water, nam zijn hoed af en vroeg op luide toon gratie aan de koningin voor een straf die hem was opgelegd vanwege een schietpartij. Wilhelmina vroeg burgemeester Berger naar de achtergrond. Schreurs kreeg te horen dat hij de officiële weg diende te bewandelen. De kastelein deed dat en zijn verzoek werd inderdaad in 1927 ingewilligd.

Kastelein Schreurs vraagt koningin Wilhelmina om gratie (foto Gemeentearchief Venlo)

Op 6 januari 1926 begon het water te vallen en enkele dagen later waren de straten droog. Wat achterbleef was een enorme ravage. Veel huisraad was onherstelbaar beschadigd. Maandenlang hing in de getroffen woningen een muffe geur. In de zomer volgend op de watersnood waren overal huisschilders bezig met verven en behangen. De directe schade voor Venlo bedroeg een miljoen gulden. Uit landelijke fondsen werd geld aan de gedupeerden uitgekeerd. Het Plaatselijk Watersnoodcomité bracht met uiteenlopende acties meer dan twintigduizend gulden bijeen. 

Na de watersnood kwam de grote schoonmaak. Een zeepfabrikant zag zijn kans schoon en bracht een speciaal 'Watersnood-Waschpoeder' op de markt, Nieuwe Venlosche Courant 15 januari 1926 (gevonden via www.delpher.nl)

http://www.soree.info/digi-albums/watersnood-1926/mobile/index.html#p=1

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.