woensdag 12 augustus 2020

Het einde van de 'vrolijke' Veldense brandweer

- door Pieter Duijf - 

Ooit telde zowel Schandelo als Velden-Dorp ieder een eigen (vrijwillig) brandweerkorps. Ze waren er om huisbranden en bos- en heidebranden te blussen met brandspuiten. De mannen deden stierlijk hun best om zich van hun zware en verantwoordelijke taak te kwijten. Kleine vuurhaarden waren doorgaans geen probleem, maar als er echt stront aan de knikker was, dan moesten ze op spitsroeden lopen. Gebrekkige communicatie, een tekort aan voldoende en adequaat, onderlinge rivaliteit en deels onbekwame vrijwilligers wilden nog weleens de grootste vijand van het vuur zijn. Ook ontbrak het soms aan een tractor of ander voertuig om de brandspuit naar de plek des onheils te brengen. Dit was ook beslist het geval bij een fikse schuurbrand in Schandelo in augustus 1952. De krantenberichten spraken toentertijd boekdelen.
Ik raakte nieuwsgierig omtrent de vreemde gang van zaken rondom deze brand en dook in het Venlose gemeentearchief. Ook werd de Kiëskop grondig nageplozen op zoek naar naoorlogse branden. Lees en huiver. Het vurige incident kreeg ook aandacht in de landelijke pers.


Heerenveensche Koerier, 18 augustus 1952


Leeuwarder Courant, 22 augustus 1952

Locoburgemeester zond naburige brandweer weg.
BRANDWEER TERUGGEKEERD.
VENLO. — Vrijdagavond heeft zich een ongewoon incident voorgedaan te Velden. Nadat de commandant van dc plaatselijke brandweer en een raadslid uit Velden de Venlose brandweer hadden ontboden om assistentie te verlenen bij het blussen van een brand in een landbouwschuur te Schandelo, waarin de bliksem was geslagen, rukte de Venlose brandweer terstond uit. Ter plaatse aangekomen kreeg het Venlose corps echter, zo verneemt het A.N.P. van Venlose zijde, een verbod van de locoburgemeester van Arcen en Velden, wethouder Van der Venne. Om het blussingswerk mede ter hand te nemen. Deze wethouder was van oordeel, dat de plaatselijke brandweer het karwei alleen wel aan kon. De Venlose brandweer kon onverrichter zake huiswaarts keren. Op dat moment was het Veldense corps, aldus de Venlose zijde, nog steeds niet met de blussing begonnen. De schuur, waarin een grote hoeveelheid hooi en stro opgetast lag, is geheel uitgebrand. De burgemeester van Arcen en Velden zal een onderzoek naar de toedracht van deze gebeurtenis instellen.
(Uit: Gereformeerd Gezinsblad,19 augustus 1952)

Velden's vrolijke brandweer
„Ja jongens, hier is niets voor jullie te verdienen"
VELDEN, 21 Aug. (Limb. pers). Enige dagen geleden brandde te Velden, In Noord-Llmburg, een schuur af. Toen de brandweer van Venlo verscheen, om bij het blussen te helpen, werd zij, zoals wij reeds hebben gemeld, door de locoburgemeester van Velden teruggestuurd met de mededeling: „Dat knappen we zelf wel op!" De Veldense brandweer verscheen echter niet of In elk geval veel te laat. De schuur ging in vlammen op. Deze kwestie, welke in Noord- Limburg veel deining heeft verwekt, is Woensdagavond uitvoerig besproken in een raadsvergadering der gemeente Arcen en Velden. Medegedeeld werd, dat een „onbevoegde" de hulp van de Venlose brandweer had ingeroepen. Toen deze verscheen, was volgens de locoburgemeester wethouder v. d. Venne, de brand reeds over zijn hoogtepunt heen en de schuur niet meer te redden. Daarom had hij de Venlose spuitgasten weggestuurd met de woorden: „Ja jongens, hier is niets meer voor jullie te verdienen". De Venlose brandweercommandant zou toen hebben geantwoord: „Als wij ook niet spuiten, jullie komen toch aan het betalen". Dat de brandweer uit Velden verstek liet gaan, had een merkwaardige oorzaak. Deze plaatselijke brandweer was tijdig genoeg gealarmeerd. Maar de wagen, waarop de spuit vervoerd moest worden, was „toevallig" weg. Toen was de brandweercommandant van Velden op de flets naar de brand gaan kijken. Niet om te blussen, maar om te onderzoeken of er water was, indien de spuit wellicht toch nog zou komen opdagen. Terecht werd opgemerkt: „Het was belangrijker dat de spuit eerder kwam dan hij zelf".
(Uit Limburgsch Dagblad, 22 augustus 1952)

De onverschrokken brandweercommandant Bér Brueren

In het door brandweercommandant Bér Brueren (vader overigens van kapelaan Lei Brueren zaliger) opgemaakt rapport wordt melding gemaakt dat er door blikseminslag in de late namiddag van vrijdag 15 augustus 1952 een felle schuurbrand woedde bij de boerderij van Frans Thiesen (1884-1954) op het adres Schandelo C.233 op ’t Hetje. De boerderij staat er nog steeds. Het tegenwoordige adres is Schandelo 89. In tegenstelling tot wat er in de krant stond, beweert Bér Brueren, dat de Venlose brandweer was opgebeld door onbevoegden en in ieder geval niet door hemzelf. Het korps uit de ‘stad’ werd onverrichterzake door wethouder, annex locoburgemeester Piet (‘van Wils’) van de Venne heengezonden, omdat de schuur met inhoud niet meer te redden viel en er bovendien geen gevaar bestond voor de directe omgeving. Ook vond de gezagsdrager de hulp vanuit Venlo te duur, blijkens de brand in maart van hetzelfde jaar bij de onderverzekerde J. Verspaij. Dit ‘grapje’ had de gemeente maar liefst 570 gulden gekost.

Recherchewerk leverde de navolgende reconstructie van de brand bij de boerderij van Frans Thiesen en diens vrouw Hubertina Thiesen-Hovens (1884-1962) op. Als neutrale bron nemen we het proces-verbaal en het rapport van het op last van burgemeester Gubbels van Arcen en Velden verricht onderzoek ter inzage. Beide verslagen zijn gemaakt door Joannes Mathijs Backus, opperwachtmeester bij de rijkspolitie en tevens onbezoldigd rijks rechercheur. Hij hoort verschillende getuigen. 

Burgemeester Gubbels

In chronologische volgorde gebeurde het volgende:
Bér Brueren, 65 jaar, landbouwer en dan al naar eigen zeggen 25 jaar commandant van de Veldense brandweer, wordt om 16.45 uur die bewuste middag opgebeld door wethouder Piet van de Venne met de mededeling dat er brand is bij Frans Thiesen in Schandelo. 
Van de Venne en Brueren wonen beiden aan de Schandeloseweg op slechts enkele honderden meters van elkaar. 


Wethouder Piet van de Venne

Bér Brueren hult zich terstond in zijn uniform en gebiedt zijn 25-jarige dochter Lies om alvast de andere leden van het Veldense vrijwillige plattelandsbrandweerkorps en de politie telefonisch te waarschuwen. Even voor 17.00 uur komt hij per fiets op de plek des onheils aan. Onderweg raast de corpulente brandweercommandant nog de wethouder (ook op de fiets) in sneltreinvaart voorbij. Enkele omwonenden proberen dan om met behulp van een motor-boomsproeier te redden wat er te redden valt, maar de schuur staat op dat moment al in lichterlaaie. Toon, de zoon van Frans Thiesen, doet nog een poging om een dorsmachine uit het vuur te trekken. De vlammen slaan echter al metershoog uit het dak. Even later arriveren nog zes leden van het korps, maar zonder brandspuit

Oorzaak is dat de auto’s van W. Smits en Pierre in ’t Zandt, waarmee het benodigde materieel normaal gesproken vervoerd wordt, niet beschikbaar zijn. De brandspuit was zoals gebruikelijk gestald bij W. Smits. Bér Brueren vraagt daarop aan de aanwezige Louis Engels om met zijn tractor de brandspuit in het dorp te gaan ophalen. Om 17.15 uur is ineens ook de Venlose brandweer met volle tankwagen en spuit ter plaatse. De Venlose commandant Haarman beweert dat hij door Lies Brueren en Henriette Geurts-Coppes (44) is gebeld. Lies denkt dat deze ontbieding van haar vader komt. Henriëtte heeft zich dit kennelijk laten influisteren door haar man, de 50-jarige melkhandelaar Henricus Geurts. Het ook aanwezige raadslid Jac Geurts, de broer van Henricus, vraagt zich hardop af waar de het Veldense blusmaterieel blijft.  Jac Geurts is trouwens ondercommandant van de Veldense brandweer, maar ook commandant van de Schandelose brandweer, die vooral gespecialiseerd is in het bestrijden van bos- en heidebranden. De Schandelose brandspuit stond bij wijze van spreken om de hoek gestald, maar men piekerde er niet over om deze te gaan halen. 

Rivaliteit? 

Wie zal het zeggen. Als Lies Brueren de loeiende sirene van de Venlose brandweerauto hoort, spoedt ze zich naar buiten om deze de juiste weg naar de brand te wijzen. De wethouder zegt echter meteen dat de Venlose brandweerlieden niet hoeven te assisteren. Tevergeefs heeft men nog geprobeerd het Venlose brandweerkorps af te bestellen. De aanwezige Veldense spuitgasten, te weten Bér Brueren junior, Herman Clabbers, W. Smits, Joep Peters (Piëters Joep, de kolenboer), Hay Clabbers, Thei Rieter met niet te vergeten hun onverschrokken aanvoerder Bér Brueren zouden het karwei wel alleen kunnen klaren. Bovendien zou het volgens de 49-jarige locoburgemeester de gemeente onnodig op kosten jagen. 

Commandant Bér Brueren stemt hiermee in en vindt het evenmin nodig dat het Venlose korps in actie komt. Ook raadslid Geurts is het hiermee eens. Zijn broer Henricus toont evenwel enig verzet tegen deze eigengereide beslissing. Vreemd genoeg kunnen de Veldense brandweerlieden op dat moment slechts toekijken naar de vlammenzee, die de schuur teistert. Pas omstreeks 17.30 uur, drie kwartier na de melding, komt Louis Engels vanuit het dorp op zijn tractor aan tuffen. Gelukkig heeft hij de brandspuit daar kunnen aankoppelen en kan begonnen worden met de bluswerkzaamheden, maar dat duurt nog een poos, want er moet eerst nog een slang met een lengte van 350 meter worden uitgerold naar de dichtstbijzijnde beek. Pas om 18.00 uur kan daardoor pas gestart worden met het blussen. Er wordt gewerkt met twee stralen water onder een druk van 3 atmosfeer. De mondstukken van de straalpijpen hebben een doorsnee van 20 mm. Er wordt die avond nog tot middernacht gespoten. In de ochtend van 16 augustus wordt om 7.00 uur begonnen met de nablussingswerkzaamheden. Deze duren uiteindelijk tot 11.00 uur. In totaal bemoeien zich 11 vrijwillige brandweerlieden met het vuur. In totaal zijn hiermee 100 manuren gemoeid. De loonkosten worden geschat op 133 gulden en vijftig cent.

Boerderij van Frans Thiesen in Schandelo; op vrijdag 15 augustus 1952 ontstond door blikseminslag een felle brand in een naastgelegen schuur

De totale schade aan de schuur met inhoud (hooi, stro en dorsmachine) bedraagt ruw geschat 10.000 gulden. Frans Thiesen is gelukkig ruimschoots verzekerd.

De commandant van de Venlose brandweer Haarmans was allesbehalve amused met de hele gang van zaken rondom de afwikkeling. Uit het onderzoeksrapport trekt burgemeester Gubbels de conclusie, dat wethouder Piet van de Venne geen enkele blaam treft en dat deze goed heeft gehandeld. Veel kritiek is er wel op het klungelachtige optreden van de Veldense brandweer. Er wordt gegniffeld in het dorp en er vallen harde woorden in de gemeenteraad. In de pers wordt lacherig gedaan over het falen van de dorpse hulpverleners.

Er komt meteen een discussie op gang om de brandweertaken binnen de gemeente Arcen en Velden te laten overnemen door het beter uitgeruste beroepskorps van Venlo. De reputatie van de goedwillende vrijwillige plattelandsbrandweer is al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog twijfelachtig. Het ingrijpen wordt geregeld als ‘niet-effectief’ gezien. De benodigde manschappen kunnen niet altijd bijtijds aanwezig zijn en ook het materieel wil nog weleens haperen. In de Kiëskop van 30 april 1947 lezen we het volgende bericht:

“Een hevige brand woedde in de afgelopen week in een vrijstaande schuur van Jean Geelen te Schandelo. De stalling brandde knap af en helaas 150 kuikens kwamen in de vlammen om. De Venlose brandweer, welke zeer kort na het uitbreken van de brand aanwezig was, keerde verder gevaar en toen onze Veldense spuitgasten op de proppen kwamen, was het vuur geblust. Pech gehad.”

In 1953 wordt de correspondentiewisseling met de gemeente Venlo geïntensiveerd en worden er conceptovereenkomsten opgesteld. In 1952 bedroegen de brandweerkosten van Arcen, Lomm en Velden 3369,71 gulden. Hiertoe behoorden ook de preventieve taken en adviezen. Twee jaar eerder was dat nog 1877,45.


Lohofstraat in Venlo met rechts Brandweerkazerne, eind jaren vijftig

Venlo vraagt voor de verzorging van een vakkundige bestrijding van branden een jaarlijkse bijdrage van 4000 gulden. Een verzoek aan de Onderlinge Verzekeringsmaatschappij van de Limburgse Land- en Tuinbouwbond en de Katholieke Arbeidersbeweging om een bijdrage in deze kosten wordt onder andere om het voorkomen van precedentschepping afgewezen. Per 1 januari 1954 worden deze afspraken officieel beklonken. Het contract tussen beide gemeenten wordt op 20 januari van dat jaar met terugwerkende kracht getekend. In 1966 wordt de financiële bijdrage voor de gemeente Arcen en Velden bepaald op 6000 gulden. Dat komt neer op nog geen één gulden per inwoner.



Brandspuithuisje in Schandelo bij splitsing Lingsendijk

Naschrift: Het enige wat nog herinnert aan de eigen blusclubjes in Schandelo en Velden is het brandspuithuisje 

Reageren? Stuur een e-mail naar Pieter Duijf: piedu12@yahoo.com.

dinsdag 11 augustus 2020

Niet zomaar een café in de Floddergats (1)


Logo De Keizerin, ontwerp Ton Clout

Afgelopen zaterdag ging café De Keizerin in de Floddergats open. Wij wensen Mary Stolker en Roos Brink, de nieuwe exploitanten, heel veel succes. De beide dames schrijven een nieuw hoofdstuk in en pand met een interessante geschiedenis. In de jaren zestig van de vorige eeuw was hier café Bonaparte gevestigd, dé plek voor de jeugd van Venlo en omgeving. Velen, velen koesteren bijzondere herinneringen aan het café.

Roos Brink (l) en Mary Stolker (foto facebook De Keizerin)

- door Sef Derkx -

Café Bonaparte in de Floddergats was eind jaren zestig een waar eldorado. De mare dat er in hartje Venlo een kroeg zou komen voor jongeren, verspreidde zich in 1967 viraal. Het was te mooi om waar te zijn. Een eigen honk. Zouden de door Bob Dylan geprofeteerde en door Boudewijn de Groot in vertaling bezongen ‘andere tijden’ alsnog aanbreken? In Venlo nog wel, wie had dat kunnen dromen? 

Uitnodiging opening Bonaparte, vrijdag 4 augustus 1967 (collectie Sef Derkx)

Bonaparte van Dick Stout was van meet af aan een succes. ‘t Höfde zich er, om het op zijn Venloos te zeggen. Als ‘s morgens de zaak openging, stonden de jongeren al ongeduldig voor de deur te wachten. Stef Kleijn, een Maastrichtse journalist en kroegtijger, schreef er onder zijn pseudoniem Rommedoe een column over in het Limburgs Dagblad van donderdag 31 augustus 1967. 


Limburgs Dagblad 31 augustus 1967 (collectie John Keulartz)

Bonaparte, dat gevestigd is in een voormalige smidse, is in enkele weken tijd het drukste café van Venlo geworden, lezen we: “Het genoeglijke en met veel smaak gecreëerde interieur, waarbij men ernaar gestreefd heeft het beeld van de oude smidse te handhaven, is de vrucht van een respectabele vrijetijdsbesteding. Dick Stout heet de man, die onder dit werk met enkele vrienden zijn schouders zette, met meer jeugdig enthousiasme dan financiële hulpmiddelen. Hij heeft zijn eigen café onder zijn eigen handen zien groeien. Er zit veel oud hout in en een stenen vloer, een schilderachtig zelf ontworpen en uitgevoerd buffet en het wonder is zo geslaagd, dat de maker van dit café er geheel en terecht trots op is.” Voor de door de wol geverfde cafébezoeker Stef Kleijn is Bonaparte een kleine openbaring. Geen wonder dat hij zijn lezers uit Maastricht en omgeving adviseert: “Als U eens in Venlo komt, en u wilt er opnieuw wat leuks ontdekken, moet u daar eens gaan kijken. In de Floddergats. Heerlijke naam. Zo iets kan alleen Venlo uitvinden.”


bouwing tot café Bonaparte, 1967 (foto's Hans Snijdewind/collectie John Keulartz)

Stef Kleijn wijdt uit over de geschiedenis van de locatie waar hij met plezier heeft vertoefd. Hij legt een relatie met de welbekende stadslegende over het bezoek van Napoleon aan Venlo op 12 september 1804 en met het hoefijzer dat het paard van de keizer die dag verloren zou hebben. Als we Kleijn mogen geloven is de schimmel van Napoleon in de smidse in de Floddergats opnieuw beslagen. Volgens het volksgeloof brengt een hoefijzer geluk en zo is maar net, gelet op het overrompelende succes van café Bonaparte, aldus Kleijn. Hij schrijft een en ander op gezag van zijn Venlose gids die hem meegetroond heeft naar café Bonaparte.

Napoleon Bonaparte, detail uit een schilderij van Joseph Chabord

Er is een nooit bevestigd verhaal, dat echter te smeuïg om niet doorverteld te worden. Het werpt een ietwat scabreus licht op het keizerlijk oponthoud in de Floddergats. Het steegje was Venlo's roze buurt. De onverwachte doorkomst van Napoleon door hun straatje zorgde voor veel enthousiasme. De prostituees kwamen naar buiten. Des keizers oog viel op een van hen. Hij steeg van zijn paard en de rest is geschiedenis. Een geschiedenis waarover de gegoede burgerij zich geneerde. Er moest dus iets worden  verzonnen over de passage door de Floddergats en zo werd het verhaal van het hoefijzer van de Keizer geboren.  

Mijn vader is in 1905 geboren aan de Parade. Als kind speelde hij in de Floddergats. Bij verschillende gelegenheden vertelde hij dat het pand waarin Bonaparte zat (later café De Keizer, nu De Keizerin) een stalling was voor rijtuigen en koetsen. Vooral de statige rouwkoets maakte grote indruk. Het ligt voor de hand dat in de stalling ook paarden hebben gestaan. 

Aan het werk in de OBI (collectie Ed Weckx)

Van Ed Weckx uit Schandelo hoorde ik dat zijn vader en een compagnon op deze schilderachtig plek in de jaren vijftig een fabriekje hadden. In de OBI - een afkorting die stond voor Ons Beider Ideaal - werden onder meer kruisbeelden, wijwatervaatjes, hang- en sluitwerk en deurbeslag vervaardigd. De productie is later voortgezet in een werkplaats die lag tussen Stalbergweg en Burgemeester Bloemartsstraat. Voor zover ik weet. had het pand lang leeg gestaan voordat Dick Stout er met enkele vrienden aan de slag ging.

Interieur Bonaparte, 1967 (foto Martin Collin/collectie John Keulartz)

Ik schreef dat Bonaparte een eldorado was. Dat is het café natuurlijk vooral in de vele verhalen die nog steeds de ronde doen. Het geheugen zet de jaren van onze jeugd in een gouden lijst. Zonder dat we het ons bewust zijn, selecteren we onze herinneringen. Negatieve ervaringen stoppen we weg. Lukt dat niet, slijpen we de scherpste kantjes eraf. Vooral het positieve uit het verleden blijft ons bij. In Bonaparte is veel gebeurd. In de komende afleveringen van de Floddergatsblog keren we terug naar het café. Graag word ik geïnspireerd door uw herinneringen aan Bonaparte (wordt vervolgd).

Reageren?  Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.   



vrijdag 7 augustus 2020

Een merkwaardig 'raadsel'

- door Ragdy van der Hoek - 



Ald Weishoes, 1927 (Beeldbank Cultureel Erfgoed)

In 1979 publiceerde de Burgerlijke Godshuizen Venlo een boek over de eigen geschiedenis. De publicatie staat sindsdien bij mij in de kast. Het is zo’n boek waar je zo nu en dan eens doorheen bladert om je geheugen op te frissen. Toen ik dat een tijdje geleden deed, viel mijn oog op een opmerkelijke passage. Daarin beschrijven de samenstellers, archivaris W. Hendriks en journalist G. Bertels, de bouw van twee bejaardenhuizen in Venlo: Huize Beerendonck en de Meeuwbeemd. Op het eerste gezicht niks aan de hand, maar dan volgt op pagina 66 een merkwaardige mededeling.



“Het is nog altijd een raadsel, hoe het mogelijk is geweest dat men van elkanders plannen niets afwist”. Voor de duidelijkheid: Huize Beerendonck werd door de Burgerlijke Godshuizen gebouwd, De Meeuwbeemd door de organisatie Katholiek Venlo. Toen ik de geciteerde passage las, dacht ik in eerste instantie “dat is inderdaad vreemd”. Wat zou hiervoor een verklaring kunnen zijn? Werd er in het grootste geheim aan de plannen gewerkt? En als dat het geval was, waarom gebeurde dat dan? En hoe kon men zoiets in het kleine Venlo geheim houden? Ik vond het vreemd, maar daar bleef het bij.

Ruim een jaar geleden kreeg ik dat enigma weer op mijn netvlies toen het bestuur van de Burgerlijke Godshuizen mij vroeg een nieuw boek samen te stellen over de liefdadige stichting. De tijd was er inmiddels - veertig jaar na het verschijnen van de eerder genoemde uitgave - rijp voor. Er was in de tussentijd ook heel wat gebeurd. De dames en heren bestuurders vonden dat een nieuw onderzoek moest leiden tot een prettig leesbaar boek met bronvermeldingen (die ontbraken namelijk in de oude uitgave). 
Al met al een mooie opdracht, die mij de kans bood nog eens te kijken naar dat ‘raadsel’ van die twee bejaardenhuizen.



Omslag nieuwe boek Ragdy van der Hoek, dat verschijnt op 15 oktober 2020

Laat ik beginnen met kort iets te vertellen over de Burgerlijke Godshuizen, de Venlose stichting die achter de schermen allerlei goede doelen steunt binnen onze gemeente. Dat doet De Godshuizen al lang, zoals blijkt uit de titel van het boek uit 1979: “Uit de historie van vier eeuwen Burgerlijke Godshuizen Venlo”.  

Ald Weishoes vanaf toren Sint-Martinuskerk

De auteurs hadden 1577 als uitgangspunt genomen, het jaar waarin een Venloos echtpaar een schenking doet, waarmee in Venlo een weeshuis kon worden gebouwd. De geschiedenis van de stichting gaat echter verder terug dan de zestiende eeuw. Voor zover ik heb kunnen nagaan, ligt het begin in 1299, als voor het eerst melding wordt gemaakt van een gasthuis op de hoek van de huidige Vleesstraat en de Heilige Geeststraat, waar Hunckemöller nu lingerie verkoopt. Dat gasthuis, later genoemd naar Sint Jacobus, ging in de Franse tijd met het Sint-Jorisgasthuis aan de huidige Gasthuisstraat en het weeshuis aan de Grote Kerkstraat op in één organisatie. Aan die samenvoeging kwam na het vertrek van de Fransen geen einde. Wel kreeg de instelling een nieuwe naam: RC Burgerlijke Godshuizen Venlo. Tot zover de tijdslijn.


Ontwerp voor de verbouwing van het R.K. Weeshuis, 1925 


Venlose weeskinderen, jaren dertig


Uit Nieuwe Venlosche Courant, 11 juni 1940

De Burgerlijke Godshuizen en zijn voorgangers hebben zich tot ver in de twintigste eeuw bekommerd om arme ouderen, weeskinderen. Dat gebeurde lang vanuit de twee gasthuizen en het in 1577 gestichte weeshuis. Let wel: dit was niet het Ald Weishoès, maar het ernaast gelegen pand waarin zich de drukkerij van Wolters van Wylick bevond en dat nu fraai is verbouwd tot een appartementencomplex. In 1820 kwamen ouderen en weeskinderen na een ingrijpende verbouwing op één locatie aan de Grote Kerkstraat, waaraan later het thans Ald Weishoès genoemde pand werd toegevoegd.

Ouderen en weeskinderen kwam in één complex, maar leefden wel strikt gescheiden van elkaar. Bovendien was er een scheiding naar sekse. Die gold ook voor verweesde broertjes en zusjes en zelfs voor bejaarde echtparen. Zijn bed stond in de mannenslaapzaal en dat van haar in de vrouwenzaal. Ingehuurde weesvaders en -moeders en vanaf 1853 zusters van Liefde uit Tilburg hielden toezicht.

In de jaren zestig van de vorige eeuw ging het roer om, niet alleen in Venlo, maar in heel Nederland. Aan de centrale opvang van weeskinderen was na de Tweede Wereldoorlog al een einde gekomen en de zorg voor ouderen werd hierna steeds meer een taak van “ons allemaal”, van de overheid en van maatschappelijke organisaties.


Prentbriefkaart Meeuwbeemd, jaren zestig

Het ging nadien ook niet meer alleen om armlastige ouderen, maar om alle ouderen, dat wil zeggen iedereen die de 65 was gepasseerd. Destijds een magische grens.
In het hele land verrezen in de jaren zestig bejaardencentra. De wederopbouw was nagenoeg voltooid en Nederland belandde in een welvaartsfase, zeker na de vondst van aardgasvelden. Ouderen hoefden niet langer bij de kinderen in te wonen (of andersom!). Er kwam nu voor iedereen een plekje in zo’n modern centrum met een eigen voordeur die desgewenst voor privacy zorgde. De arme oudjes die vanuit de Kerkstraat naar het Julianapark trokken, wisten niet wat hen overkwam. Het moet een cultuurschok zijn geweest. 


Prentbriefkaart Julianapark en Beerendonck, jaren zestig


Plattegrond tweepersoonskamer Beerendonck, 1961

Terug naar ons ‘raadsel’. Laat ik maar met de deur in huis vallen: niks raadsel, grote onzin! De toenmalige bestuurders van de Burgerlijke Godshuizen waren al jaren voor de bouw van de Meeuwbeemd op de hoogte van de plannen. Uit geraadpleegde archiefstukken blijkt dat de hoofdingenieur-directeur van de Volkshuisvesting, ir. Ch. Kluiters, eind 1954 het bestuur van de Godshuizen al heeft gevraagd bij een verbouwing van de Grote Kerkstraat rekening te houden met plannen die in voorbereiding zijn om in Venlo een nieuw bejaardencentrum te stichten. En Venloos burgemeester Charles van Rooy adviseert de heren zelfs contact op te nemen met de commissie van Katholiek Venlo, waarin hij zelf zitting heeft, om te voorkomen dat beide clubs naast elkaar zouden werken. Schrappen dus die passage op pagina 66!

Het is echter wel nog steeds een raadsel waarom de samenstellers van het Godshuizenboek dat in 1979 zo stellig beweerden. Wie het weet, mag het zeggen!


Het nieuwe boek over de Burgerlijke Godshuizen Venlo is getiteld Een Helpende hand en verschijnt op 15 oktober.


'Frits van de Pos' en tante Nelly


- tekst en foto's Pieter Duijf -

'Frits van de Pos' met echtgenote in 1961

Tussen 1947 en 1961 emigreerden ruim een half miljoen Nederlanders naar verre overzeese oorden. Woningnood en werkloosheid waren de voornaamste motieven om te vertrekken uit het volle, natte en koude kikkerlandje. Australië, Canada en Nieuw-Zeeland waren de favoriete bestemmingen. Ook mijn tante Nelly ging met haar man Leo Kandelaars een ongewisse toekomst tegemoet. Australië heette hun nieuwe beloofde land. Na een lange vliegreis werden ze ondergebracht in een opvangkamp, een soort AZC. Dit stond in schril contrast met wat ze op allerlei wervingsfilms hadden gezien. Mooie grote huizen, een fantastisch klimaat, een prachtige zee en elke avond feest rondom een roodgloeiende barbecue. Aanvankelijk niets van dat alles, behalve dan dat warme, zonnige weer. Met vallen en opstaan wisten ze in Adelaide een goed draaiend schildersbedrijf van de grond te tillen. Samen kregen ze vier zoons ‘Down Under’. 

Par avion, luchtpost uit Velden, 1954 

In de zomer van 2012 was de toen 83-jarige tante Nelly voor het laatst in haar geboortedorp Velden. Ze was alleen, want Ome Leo was elf jaar eerder overleden. Ze logeerde in het tot gastenverblijf verbouwde voormalige breiatelier van Alex Könisser aan de Kloosterstraat (hoek Schipholweg). Ik ontmoette haar daar op een zwoele zomeravond. Ze griste meteen een luchtpostbrief uit haar koffer en overhandigde die aan mij. Het was een brief van mijn moeder aan haar. Gedateerd: 17 december 1954. De brief, geschreven in een pietepeuterig handschrift gaat grotendeels over mijn geboorte, twaalf dagen eerder. De brief hangt nu ingelijst bij mij in de woonkamer. Tante Nelly voerde in die dagen uitgebreide correspondentie met haar familie in Velden. Alle binnenkomende brieven bewaarde ze zorgvuldig, keurig op datum gesorteerd. Het schrijven van brieven was de enige vorm van communicatie. Natuurlijk was er ook telefoon, maar dat was veel te duur. Voor drie dubbeltjes kon je immers een ‘aerogramme’ naar de andere kant van de wereld sturen.

Met postzegel voorbedrukte aerogramme 

Die ‘aerogrammes’ waren voorgefrankeerde blauw gekleurde luchtpostbladen van flinterdun papier, vergelijkbaar met sigarettenvloeitjes. Je kon ze aan beide zijden beschrijven en daarna dichtvouwen. Er zat een gomrand aan, waarmee je hem kon dichtplakken. Deze ‘aerogrammes’ kon je alleen maar krijgen bij het postkantoor aan de Markt (nu: Cosmos Bloemsierkunst). Directeur van het plaatselijke postkantoor was Frits. Frits zat achter een glazen loket, omgeven door talloze formulieren, postzegels en andere onduidelijke paperassen. Op de achtergrond zag je de postbodes brieven en andere poststukken sorteren. Frits was immer gehuld in een grijsblauwe stofjas. Hij had het uiterlijk van een Muppet-personage. 

Hij moet in zijn carrière miljoenen postzegels hebben gelikt en geplakt. Op zijn bureau stond ook een molentje met stempels, stempels van hout en rubber. En stempelen, dat kon Frits als geen ander. Hij deed dit met een mathematische precisie en met veel ingetogen geweld. Voor hij een stempel zette, hield hij hem ongeveer een halve meter boven de te stempelen envelop, briefkaart of ander belangwekkend document. Met de snelheid van een guillotine liet hij vervolgens zijn hand vallen. Ruiten, stoelen en tafels trilden door deze klap secondenlang. Het was iedere keer een dreun met de kracht van 3.1 op de Schaal van Richter. Maar de stempelafdruk stond exact op de plek waar Frits hem wilde hebben. Het was gewoon drukwerkkwaliteit die afgestudeerd stempelaar Frits leverde.

Het postkantoor van Frits was een belangrijke plek in het dorp. Frits was de onmisbare schakel tussen de lokale bevolking en de rest van de wereld. Je kon er brieven posten, telegrammen versturen en je kon er ook bellen in een tot telefooncel omgebouwde brandkast. Door Frits werd het zware leven van de naoorlogse emigranten een stuk draaglijker. Ze keken vele tienduizenden kilometers verwijderd van hun geboortegrond uit naar de ‘aerogrammes’ uit Velden.

Dorpspomp Roden, een blijvende herinnering aan de evacuatie

Nog even terug naar tante Nelly. Begin dit jaar vierde ze haar 91e verjaardag. Na de oorlog behoorde ze tot het Veldense toneelclubje, dat in deze zware opbouwtijd voor het nodige vertier in het dorp zorgde. Op 26 februari 1946 voerden Veldense evacuees een toneelstuk op in het Drentse Roden. Ruim 2500 Veldenaren maakten op 14 januari 1945 de noodgedwongen verhuizing naar de noordelijke provincies mee, eerst te voet door de sneeuw naar Straelen, waarna de reis werd voortgezet in goederen- en veewagons.

Een dag later zou Velden daar aan de plaatselijke bevolking een dorpspomp als herinneringsmonument aanbieden. Dit als dank voor de opvang een jaar eerder gedurende de evacuatietijd. Tante Nelly was een van de actrices. Destijds was ze ook een van de meest bevallige meisjes in Velden.

Nelly schreef aan mijn nicht Annie: “Wat betreft het toneel in Roden, daar speelde ik in mee! Zeer waarschijnlijk heette het stuk ‘Sterren stralen overal’, dat pas was opgevoerd voor de fanfare in Velden. Als ik me goed herinner ging de fanfare ook mee. We gingen met de vrachtwagen (waarschijnlijk een tweedehands legertruck, pd) van Simons Wullem. Herman in ’t Zandt was de regisseur.” Het moet dus zondermeer een Spartaanse expeditie voor de meereizende acteurs en muzikanten zijn geweest.

Het wagenpark van Simons Wullem 

Op een dag kreeg ik in alle vroegte een telefoontje van tante Nelly. Ze vertelde nog dat het tijdens de repetities vaak ijskoud was in De Blokhut, omdat de exploitant Hem Kessels weigerde de zaal warm te stoken. Nelly verontschuldigde zich en passant voor de vage herinnering. “Het is al zo lang geleden. Er zit al bijna 74 jaar tussen. Daarom weet ik niet meer wie er verder nog in het stuk meespeelde.”

Nelly Kandelaars-Duijf

Tante Nelly trouwde op 27 juli 1951 met Leo Kandelaars (1921-2001). Twee maanden later emigreerden Leo en Nelly naar Australië, dit aanvankelijk tot groot ongenoegen van Nelly’s moeder, mijn oma dus. De echtelieden ontmoetten elkaar bij de Pope, waar beiden na de oorlog werkten.

Het voormalige Popegebouw voor de afbraak (collectie Gemeentarchief Venlo) 

Reageren? Stuur een e-mail naar Pieter Duijf: piedu12@yahoo.com. 


donderdag 6 augustus 2020

Het plantaardig bewind (2) - De Halte XL van woensdag 5 augustus 2020

- door Sef Derkx -

Een botanische stoepkrijter heeft 'onkruid' op straat een naam gegeven en daarmee ook betekenis (particulire collectie)

Voor de een is het onkruid, voor de ander interessante stadsflora. Stedelijke planten zijn lang veronachtzaamd, maar vanuit Frankrijk is een bijzonder fenomeen overgewaaid: het botanische stoepkrijten. Liefhebbers gaan de stad in om planten  een naam te geven. Op stoepen worden plantennamen gekrijt. Steden zijn bolwerken van biodiversiteit, de kunst is om het te zien. Een praktische hulp is het boek Stadsflora van de Lage Landen van ecoloog Ton Denters. Hij beschrijft achthonderd urbane plantensoorten. In steden groeit twee-derde van de flora die in Nederland voorkomt. Wat dat betreft kan de stad wedijveren met de natuur. Als stadsmens klinkt het laatste mij als muziek in oren. Een wandeling naar mijn stamcafé aan de Parade kan voortaan geschaard worden onder de noemer plantenexcursie.

Onze gids tijdens de plantenexcursie naar...

ons stamcafé Take Five (foto Fontaine Uitgevers en Venlo Verwelkomt) 


Met Edmond Staal van het Limburgs Landschap is van cafébezoek echter geen sprake. We speuren onderweg alleen naar planten. Het vertrekpunt is het Maasschriksel, een eldorado van stadsflora constateerden we de vorige week. We ontdekken er de schijfkamille, een plant die rond het einde van de negentiende eeuw opduikt in Nederland. In Venlo is het op jaar gedocumenteerd, 1899. De soort is vanuit Oost-Azië met houttransporten verspreid geraakt. Stadsflora is botanisch erfgoed. 

Schijfkamille (uit: J. Kops - Flora Batavia, 1898)

We lopen verder. Op het Helschriksel gaat Edmond Staal demonstratief op een plantje staan. Een wrede daad? Nee het is brede weegbree, een zogenaamde tredplant. Dit zijn soorten met een elastisch weefsel en groot herstelvermogen. Brede weegbree is stresstolerant en onverschillig voor milieufactoren. Verder, naar twee braakliggende terreinen vlak voor de Lomstraat. We ontdekken net zo’n taaie rakker als brede weegbree. Het is een grassoort met de Jocus-vriendelijke naam, Europese hanenpoot. Op akkers wordt het bestreden, in steden kan het vrijuit groeien. Vogelmuur is ook een overlever, die bijna niets nodig heeft. De oliehoudende zaden dienen als voedselbron voor allerlei vogels, vandaar de naam.

Europese Hanenpoot (www.wildeplanten.nl)  

De teunisbloem met de prachtige gele kelkbloemen duikt ook op aan het Helschriksel. Het is een plant die altijd in beweging is. Als andere vegetatie opdringt, neemt ze de wijk naar elders. We kunnen niet alle ontdekkingen noemen van beide Schriksels. We hebben in een uurtje determineren meer dan zestig namen opgeschreven. Maar één plantje moet nog vermeld worden. Vanaf dit jaar is het bezig aan een onstuitbare opmars. De bruinpaarse klaverzuring duikt opeens overal op en is hét stadsplantje van 2020.

Klaverzuring (www.wildeplanten.nl)

Reageren? Stuur een e-mail naar Sef Derkx: floddergats@xs4all.nl.          

woensdag 5 augustus 2020

Van nul tot nu - Waarom een Professor Gelissensingel?


 - door Albert Lamberts -

Dagelijks rijden honderden auto’s over de naar hem vernoemde singel, de Professor Gelissensingel in Venlo. Het zou mij niks verbazen als in Venlo nog nauwelijks iemand kan vertellen waarom we in Venlo een singel hebben met die naam. Wellicht had ik het óók niet geweten als niet vroeger een mevrouw Gelissen naast ons woonde op de Goltziusstraat. Zij was een zus van de fameuze professor. Ik herinner mij, dat juffrouw Gelissen elk voorjaar onze moeder een groot boeket seringen uit eigen achtertuintje gaf. En ik herinner mij ook hoe zij heel gebogen, maar zonder stok, haar vrijwel dagelijkse gang heen en terug naar de Martinuskerk maakte.

Prof. Dr. Ir. Gelissen, naar wie in Venlo een singel is genoemd

Goed, Professor Dr. Ir. Gelissen. Een van de grotere Venlonaren, te scharen in het rijtje met bijvoorbeeld Nolens en van verder terug Puteanus. Op Monseigneur Willem Nolens komen we later nog wel eens terug. Vandaag een bijdrage over Prof. Gelissen.
Henri Caspar Joseph Hubert werd in Venlo geboren op 15 mei 1895. Voorouders woonden al in de Franse tijd in Venlo, anderen kwamen uit Straelen, het Zuidlimburgse Gronsveld en Brabant. Van moederszijde zat er Belgisch (Mechelen) bloed in de familie. De professor overleed in Wassenaar in 1982, vijf dagen na zijn 87ste verjaardag. Over de levensloop van Gelissen kunnen we hier kort zijn, want dat is allemaal na te lezen op internet. De hooggeleerde scheikundige was ondernemer, hoogleraar en korte tijd minister in het tweede kabinet Colijn, dit overigens tot ongenoegen van zijn confraters in de Rooms Katholieke Staats Partij, de voorloper van de naoorlogse Katholieke Volks Partij, die op haar beurt opging in het huidige CDA. Gelissen was tevens directeur van de Limburgse elektriciteitsmaatschappij en voorzitter van de Algemene Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer. De Venlonaar genoot een grote mate van bekendheid en waardering.

Daarvan getuigde onder andere een Liber Amicorum dat Gelissen kreeg aangeboden door zijn vele vrienden bij gelegenheid van zijn 70ste verjaardag. Een speciaal huldigingscomité was benoemd met daarin niet de minsten: Minister Dr. Veldkamp, Venlo’s burgemeester Mr. Dr. De Gou, gouverneur Mr. Dr. Charles van Rooy, Mr. Baron Michiels van Kessenich en nog een tiental andere geleerde heren. In een Ten Geleide schreef de redactie onder andere: Ook bij het bereiken van zijn 70e verjaardag willen zij niet nalaten hem een bijzonder huldeblijk te geven, omdat zij allen nogmaals van hun bijzondere erkentelijkheid willen doen getuigen voor de wijze waarop hij steeds zijn vriendschap tot hen betoont

Niemand minder dan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernard – foto met de onafscheidelijke anjer in het knoopsgat – schreef de feesteling vanuit Soestdijk. Hooggeachte Professor, Met deze bijzondere verjaardag stuur ik U van ganser harte mijn allerbeste wensen en ik hoop dat U nog vele jaren met hetzelfde enthousiasme en succes voor ons land Uw activiteiten zult kunnen voortzetten in goede gezondheid. Altijd denk ik dankbaar terug aan alles wat U voor mij deed. Met hartelijke groeten, Uw Bernard

Beider wegen zullen zich ongetwijfeld meermaals hebben gekruist gezien hun inzet voor ’s lands economie. Gelissens verdiensten waren niet enkel in Limburg, maar in heel Nederland en zelfs daarbuiten bepaald niet onopgemerkt gebleven. Premier Marijnen loofde de Venlonaar met name om diens oprichting van een maatschappij voor de Industriefinanciering. Industrie was toch wel het sleutelwoord in Gelissens loopbaan, want vanuit Frankrijk, Duitsland en België werden de bijdragen voor het Liber Amoricum geleverd, die alle getuigde voor de enorme waardering, die de inzenders hadden voor Gelissens arbeid en inzet voor de industrie. Maar mogelijk de fijnste woorden kwamen van de toenmalige Bundeskanzler Ludwig Erhard:  Ich weiβ, wie sehr es Ihrem persönlichen Einsatz zu verdanken ist, daβ schon bald nach dem Ende des letzten Krieges zunächst ein erträgliches und später ein freundschaftliches Verhältnis zwischen unseren beiden Länders entstehen konnte.


Professoren onder elkaar: Bundeskanzler Ludwig Erhard (2e van links en Gelissen rechts naast hem.


(Foto’s uit Liber Amoricum) 

Reageren? Stuur een e-mail naar Albert Lambert: albertlamberts@home.nl.