woensdag 7 juli 2021

Pannenkletsers VII - Zoet, zoeter, zoetst

In 2010 publiceerde onze collega-blogger Willem Kurstjens de verhalenbundel Pannenkletsers. Het boek bevat elf fictieve verhalen over inwoners van Tegelen in de eerste helft van de vorige eeuw. Sommige verhalen gaan terug op ware episodes uit de geschiedenis. 

In zo'n geval was feit inspiratie voor de schrijver voor fictie. In aanloop naar de Hondsdagen zullen we enkele verhalen uit Pannenkletsers als Floddergatsblogs plaatsen. We presenteren vandaag de aflevering Zoet, zoeter, zoetst.

Het gezin met de bijnaam Die van de Zoete had een porseleinwinkel in de dorpskern. Alle gezinsleden, vader, moeder en vijf kinderen, van wie twee jongens en drie meisjes, stonden erom bekend dat ze uitermate gedienstig en voorkomend waren. Als De Zoete en zijn vrouw iemand door de etalageruit een blik op hun spullen zag werpen, dan liepen ze terstond naar buiten en zeiden: ‘Kom toch naar binnen. Binnen kunt u het veel beter zien.’ Ook pluisden ze alle rubrieken in de krant en het kerkklokje na op zoek naar heuglijke gebeurtenissen: geen geboorte, verloving of huwelijk ontsnapte aan hun aandacht. Nog diezelfde avond viel er bij de gelukkigen een folder op de deurmat met de laatste aanbiedingen voor eet- en koffieserviezen. Via de groente- en melkboer, die toen nog langs de deuren gingen, kwamen ze de rest te weten: dingen waarover je niet kunt spreken, maar evenmin zwijgen, pikante en scabreuze nieuwtjes. Wie zijn vrouw een blauw oog had geslagen, welke buurvrouwen elkaar voor rotte vis hadden uitgemaakt, wie de kat in het duister kneep en/of op het punt van scheiden stond. Al die weetjes disten ze quasi terloops en met een hemelse glimlach aan hun klanten op, als een ober dampende krieltjes in een porseleinen schaal. Het was moeilijk te zeggen wat er mooier was: hun glimlach, de krieltjes of de schaal.

Waar ze ook heel bedreven in waren, was hun kinderen stiekem op te hemelen. Zo beschikte de oudste van de jongens als lid van het knapenkoor over een prachtig sopraantje waarmee hij al jong soleerde en over een even prachtige tenor, toen hij ouder werd. Zijn jongere broer was een gedreven toneelspeler en debuteerde als jeune premier in een toneelgezelschap in de stad, wat hem tot in lengte van dagen verzekerde van een hoofdrol. Van de meisjes schreef de oudste geestige verhalen en versjes en haalde daarmee steeds de voorpagina van de dorpskrant. De middelste, die dwarsfluit speelde in het plaatselijke symfonieorkest, viel op door haar loepzuivere en maatvaste solo’s, terwijl de jongste, die hartstochtelijk boetseerde, zich toelegde op het maken van Kerst- en Hummelbeeldjes, die een ereplaats in de winkel kregen.

Met zulke talenten kon het niet uitblijven of er verschenen lovende recensies in de pers. De ouders knipten ze uit, onderstreepten de namen van hun kinderen en plakten ze met cellotape aan de binnenkant van het etalageraam naast de winkeldeur. Zo waren de klanten al bij voorbaat op het juiste been gezet en hoefden De Zoete en zijn vrouw er niet zelf over te beginnen. Natuurlijk kwam het snel genoeg ter sprake en dan lichtten ze een tipje van de sluier op over de problemen die de opvoeding van zulke getalenteerde snuiters, die het liefst alleen maar met hun hobby bezig waren, met zich meebracht, een klein tipje maar, zodat men niet zou gaan denken dat het geen feest was ze te hebben, want dat was het, een feest! Zeker als ze op zondagmiddag samen muziek maakten, toneel speelden en gedichten voordroegen. En dan lachten ze weer, ze lachten de klant met zijn aankoop de deur uit.

Zo ging het ook op zondag tijdens de hoogmis in de kerk. Ze hadden gepachte plaatsen in de bank achter de industriële elite en waren steeds tien minuten voor het begin van de mis aanwezig, de jongens naast de vader en de meisjes naast de moeder. Iedereen zag er op zijn paasbest uit, de gladgeschoren vader De Zoete met een stijf gestreken boord en pochetdoekje en moeder De Zoete met een kek hoedje, terwijl de kinderen glommen als nieuw, de jongens met brillantine in hun haar en de meisjes met opspringende krullen, alsof ze die net nog hadden gewassen. In die tien minuten glimlachten en knikten ze onophoudelijk om zich heen, maar vooral naar wie vóór hen zat. Ze kwamen lachrimpels te kort.

Toen de oorlog uitbrak, werden de twee jongens lid van de Nederlandsche Unie. Ze knokten tegen het schorriemorrie van de NSB en doken onder toen de Duitsers met hun razzia’s begonnen. Kennelijk vonden ze hun weg door Europa naar Engeland, want na de oorlog kwamen ze in het kielzog van de geallieerden terug in het dorp, wat hen een heldenstatus bezorgde.

Dat vrijwaarde hen niet van het dorpse gemonkel. Toen de oudste jongen trouwde, lieten zijn ouders een uitnodiging op geschept papier de deur uitgaan met de aanhef: ‘Hierbij voelen we de behoefte u mee te delen ….

Het volk liet er geen gras over groeien.

‘Die van De Zoete voelen de behoefte,’ ging het rond. ‘Waarom niet: “Wij hebben de aandrang om …” of “Wij moeten hoognodig ….”?’

Het was een huwelijk volgens het boekje, met alles erop en eraan. Kosten noch moeite waren gespaard om het op een sprookje te laten lijken. Voor de ingang van de kerk kwam een met bloemen versierde calèche voorrijden die het bruidspaar en hun ouders naar het sjiekste restaurant van het dorp bracht, waar ’s middags eerst de receptie plaatsvond en ’s avonds het diner.

De menukaart werd een verzamelaarsitem in het dorp, want er stonden zes gangen op, twee meer dan gewoonlijk, en dat in een Frans dat daverde van gezwollenheid. Kennelijk was dat de jongens bijgebleven van hun omzwervingen tijdens de oorlog. Het begon met het woord ‘amuse-gueules’, toen nog geen gangbaar begrip in Nederland, dat voorzien was van het bijvoeglijk naamwoord ‘differents’, waarna die één voor één werden opgenoemd. De dorpskomieken maakten er in de cafés gehakt van: hun toehoorders lachten zich te pletter.
Maar kennelijk drong niet van dat alles door tot het gezin De Zoete. Of misschien drong het wel door, maar dan deden ze het af als plat volksvermaak. Hun gedienstigheid in de winkel werd er in elk geval niet minder om, en aan het culturele front weken de kinderen niet uit de voorhoede. Ze bleven het in alle opzichten goed doen en stelden hun ouders nooit teleur.

Maar toen stak er een nieuwe wind in de wereld op. Overal braken opstanden uit tegen het gezag. Het schip van het geloof sloeg los van zijn ankers en begon te dobberen op de zee van het geweten. Meer en meer moest iedereen zijn eigen keuzes maken.

In zo’n geval is het zaak het hoofd koel te houden en met beide benen op de grond te blijven staan, maar vreemd genoeg bleek niemand van de kinderen van De Zoete over zulk hoofd en zulke benen te beschikken. In een niet te bevatten reeks grote en kleine rampen voltrok zich hun noodlot.   

Het begon ermee dat de oudste jongen, die ogenschijnlijk gelukkig getrouwd was, op zijn kantoor een verhouding kreeg met de typiste. Dat bleef niet onopgemerkt, waarop de baas hem ontsloeg en hij zonder werk kwam te zitten. Zijn vrouw ging van hem af en de typiste wilde hem ook niet meer hebben, omdat ze haar oog had laten vallen op een ander. Daarop hing hij zich op.

Zijn jongere broer, die zich graag omringde met dure spullen, pleegde fraude bij de bank waar hij werkte, werd veroordeeld en moest twee jaar het gevang in. Toen hij vrijkwam, vond hij nergens meer werk. Hij verveelde zich suf en raakte aan de drank. Uiteindelijk werd hij opgenomen in een verslavingskliniek, waar men constateerde dat hij aan het Korsakow-syndroom leed. Hij kwijnde in eenzaamheid weg.

De oudste dochter, die als secretaresse op kantoor werkte, raakte verstrikt in een affaire met haar baas, die haar aan het lijntje hield, totdat hij haar aan de kant zette voor een ander die meegaander was. Ze kwam de klap niet te boven en raakte overspannen, waarna ze terechtkwam in een psychiatrische inrichting. Ze verslikte zich in een visgraat en stikte.

De middelste trouwde en kreeg drie kinderen, toen ze zich realiseerde dat ze lesbisch was en haar gezin in de steek liet. Ze ging samen met haar vriendin in een stad in het westen wonen. Toen ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, liep ze het water in.  

De jongste dochter nam de winkel over en overleefde iedereen. Ze zorgde voor haar ouders en begroef ze toen hun tijd gekomen was, maar kon ook geen weerstand bieden aan de drank en evenmin aan de tabak en de chocola. Ze kreeg diabetes en raakte een been kwijt, maar hield als enige contact met al haar broers en zussen. Telkens als er een stierf, stond ze tijdens de afscheidsdienst leunend op haar kruk achter het spreekgestoelte en vertelde op plechtstatige toon uit wat voor een fijn gezin ze kwamen, hoe gezellig ze het vroeger samen hadden en met wat voor een overgave ze de schone kunsten beoefenden. Zoet, zoeter, zoetst. Niemand van de aanwezigen die het gezin hadden gekend, begreep hoe het zo had kunnen eindigen, en zij zelf nog het minst.

dinsdag 6 juli 2021

Waar haalde Zeip Joseph zijn zeep?

- door Sef Derkx/met dank aan Jo Strijbosch - 

De Venlose binnenstad is in 1842 uiterst gedetailleerd in kaart gebracht. Elk huis, schuurtje, hofje, stukje stadsmuur of bedrijfje staat nauwkeurig ingetekend. Het  bijbehorende register draagt de wijdlopige titel Oorspronkelijke en suppletoire aanwijzende tafel der grondeigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen benevens van derzelver inhoudsgrootte, klasseering en belastbaar inkomen


Detail van een van de kaarten vervaardigd in 1842, pijl wijst naar de zoutziederij en latere zeepfabriek met een ingang aan het Helschriksel (collectie Gemeentearchief Venlo)

Register en kaarten vormen een schier onuitputtelijke bron voor iedere geïnteresseerde. Ze prikkelen de fantasie en geven ons dé mogelijk tot inleving in de sfeer, de geur, de geluiden, kortom de adem van de stad Venlo even voor het midden van de negentiende eeuw. Deze pre-kadastrale kaarten en het register waren de basis voor mijn onderzoek naar Venlose bierbrouwerijen in de periode 1842 tot en met 1944.

In het oorlogsjaar 1944, dat zoveel rampzalige bombardementen bracht, ging de laatste brouwerij in vlammen op.

De vorige week plaatsten we een Floddergatsblog over Zeip Joseph, Joseph Brandes voor de burgerlijke stand (klik hier: Floddergatsblog over Zeip Joseph). Die opvallende bijnaam kreeg hij, omdat hij met een handkar langs de deuren trok om groene zeep te verkopen. 





Een bekende prentbriefkaart van de Oostsingel (heden ten dage Burgemeester van Rijnsingel), uit 1927, met pontificaal in het midden Zeip Joseph en zijn handkarretje, waarmee hij langs de deuren ging (met dank aan Piet Braem) 

Zijn glibberige handelswaar betrok hij van de Zeepfabriek J.L. Wolters aan het Helschriksel. Het steegje achter De Commissaris herinnert aan deze nijverheid van weleer. Bij de Zeepzieder is te bereiken vanaf de Kwietheuvel. 


Straatnaambordje Bij de Zeepzieder (screenshot van Google Streetview) 

Naar aanleiding van de blog ontvingen we informatie van Jo Strijbosch over de zeepfabriek van Wolters. Waarvoor onze welgemeende dank.

Op deze plek in de binnenstad was aanvankelijk de zoutziederij gevestigd van Hubert Ignatius Seijdlitz (1802-1869). Een synoniem voor zieden is droog koken, dit terzijde.













Omslag van brief bestemd voor Hubert Ignatius Seijdlitz (van website Mestreech Online)

De van origine uit Keulen afkomstige Hubert Ignatius Seijdlitz en zijn vrouw Jeannette Merken worden in 1824 in Venlo ingeschreven. Ze gaan wonen aan Lomstraat, direct naast de Geldersepoort. Seijdlitz - soms komen we de spellingsvariant Seydlitz tegen - had van meet af aan een prima verstandhouding met Venlose ondernemersfamilies. Zakenpartners waren onder meer Charles Bontamps, Hendrik Goossens, Jan Willem Schmasen en Jan Willem Cazaux. Heren van aanzien en stand in het vestingstadje Venlo en invloedrijke rijke kennissen voor Hubert Ingnatius.


De panden met de nummers
 15, 16, 17 en 34 waren eigendom van H.I. Seijdlitz. In 1848 zijn 15 en 6 samengevoegd en is een nieuw huis gebouwd. Het grote pand met nummer 34 was de zoutziederij van Seijdlitz, later de zeepziederij van J. L.  Wolters (aantekeningen van Jo Strijbosch)

Wanneer hij drie jaar in Venlo woont, koopt hij uit een faillissement twee zoutziederijen. Een lag er op de hoek van Heilige Geeststraat en de Vleesstraat. Waarschijnlijk werd deze aangekocht vanwege de machinerieën. Zoutziederij twee, met woonhuis gelegen op het Helschriksel, had een toegang bij huisnummer 14. Het bedrijf kwam aan de achterzijde uit op de Kwietheuvel.


Detail van een prentbriefkaart van het Helschriksel, gefotografeerd in de richting van de Lomstraat, voor de Tweede Wereldoorlog. Ter hoogte van de dame is links de ingang van de zeepfabriek van Wolters (collectie Peter Vostermans)

In 1829 verhuist het gezin Seijdlitz naar Maastricht. Hubert Ignatius laat zijn bedrijfsleider en rechterhand Pieter Johann Lienders de honneurs waarnemen. De bedrijfsleider neemt in 1865 de zoutziederij over. 

Venloosch Weekblad, 19 mei 1866 (gevonden via www.delpher.nl)

Drie jaar later gaat het pand over naar L.J. Wolters, die er een zeepziederij in begint. Een van de klanten Wolters is het bekende stadsfiguur Zeip Joseph.

Henri  Uyttenbroeck schrijft hierover in zijn fameuze boek De straten te Venlo:

‘Van de Lomstraat af gezien rechts na het derde huis ligt de slop ’t Rozendahl, twee deuren verder is de oprit naar de zeepfabriek van de firma J.L. Wolters, wonende aan de Kleine Markt, te voren zoutziederij van H.I. Seijdlitz  te Maastricht, uitkomende op de Kwijtheuvel’

Venloosch Nieuwsblad, 13 augustus 1904 (gevonden via www.delpher.nl)

Tekenaar Albert Kiefer heeft in het verleden een digitale maquette vervaardigd van de panden die hebben gestaan in het huidige Q4. Zie hieronder:

Reageren? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.




Pannenkletsers VI - Dubois Betaalt

 

In 2010 publiceerde onze collega-blogger Willem Kurstjens de verhalenbundel Pannenkletsers. Het boek bevat elf fictieve verhalen over inwoners van Tegelen in de eerste helft van de vorige eeuw. Sommige verhalen gaan terug op ware episodes uit de geschiedenis. 

In zo'n geval was feit inspiratie voor de schrijver voor fictie. In aanloop naar de Hondsdagen zullen we enkele verhalen uit Pannenkletsers als Floddergatsblogs plaatsen. We presenteren vandaag als vierde aflevering het verhaal Dubois betaalt.

Van de mannen die in de kleigroeve van Canoy in Egypte werkten, wist niemand van het bestaan van Eugène Dubois af. Alleen zijn familienaam klonk hun bekend in de oren. Er woonde in Venlo een dokter die zo heette en getrouwd was met een dochter van Canoy, hun baas.

‘Nee toch, dat kan niet waar zijn, hebben jullie nooit van professor Eugène Dubois gehoord?’ riep Stijns verbaasd uit.

Laurens Stijns was een jonge student in de medicijnen uit Leiden, die van Canoy toestemming had gekregen om te snuffelen tussen de oude botten die zij in de klei hadden aangetroffen en voor oud vuil aan de rand van de groeve op een hoop hadden gegooid. Het was hun een raadsel waarom iemand dat wilde, maar als het van Canoy mocht, was het hun best. Hij mocht ze wat hen betreft ook allemaal meenemen.

‘Dubois?’ zei De Schele, die voorman was. ‘Ik niet, jullie?’

Hij keek zijn collega’s aan, die één voor één hun hoofd schudden.

‘Zijn broer is dokter en woont in Venlo,’ zei Stijns.

‘Al sla je me dood,’ zei De Schele.

‘Hij komt uit Eijsden en is één van de knapste koppen van onze tijd, een genie,’ meende Stijns.

‘Toe maar,’ zei De Schele. ‘En dat voor iemand uit Eijsden...’

Om hem heen werd gegrinnikt, maar Stijns werd er niet door van zijn stuk gebracht.

‘Een paar maanden geleden is hij teruggekomen uit Indië, waar hij vijf jaar lang opgravingen heeft verricht, en nu is hij professor in Amsterdam en directeur van de Teijldersstichting in Haarlem. Zijn naam gaat de hele wereld over. Dankzij hem hebben we een geweldige sprong voorwaarts gemaakt in de bestudering van de

ontstaansgeschiedenis van de menselijke soort, want aan de hand van de botten die hij in Indië heeft ontdekt, kon hij aantonen dat de mens van de aap afstamt.’

‘Wat een onzin,’ zei De Roek, die zich nu niet meer kon inhouden. Als lid van de katholieke propagandaclub Credo Pugno, die de beginselen van het rooms-katholieke geloof uitdroeg onder het werkvolk, wist hij alles van de evolutieleer van Darwin, die daar meer dan eens door de mangel was gehaald.

‘Wie gelooft er nu zoiets?’

‘Juist,’ zei De Schele. ‘Alleen ketters geloven dat.’

‘Atheïsten.’

Ze priemden hun blik in die van Stijns, die zich ongemakkelijk begon te voelen.

‘Ben jij zo’n ketter, meneer?’

De Schele spoog een klodder pruimsap voor de voeten van de student, die geschrokken een stap achteruit zette.

‘Ja,’ zei De Roek. ‘Geloof je soms in die onzin?’

‘Ik weet het niet precies,’ hakkelde de jongeman. ‘Ik sta pas aan het begin van mijn carrière, ik studeer nog.’

‘In dat geval... ’ zei De Schele.

‘Zalig zij die niet weten,’ viel De Roek hem bij.

Ze deden een stap opzij en lieten hem bij de hoop met botten, die de jongeman aan een minutieus onderzoek onderwierp, terwijl zij verder gingen met werken. Een uur later vertrok hij met een jutezak vol.

Ze hoorden of zagen er niets meer van en waren de hele zaak al bijna vergeten, toen Dubois zich enkele weken later zelf aandiende. Daar stonden ze dan, oog in oog met de antichrist, die het in navolging van Darwin had gewaagd het scheppingsverhaal ter discussie te stellen.

‘Dubois, Eugène Dubois is de naam, professor.’

Er was niemand die daaraan twijfelde, want hij zag er in zijn lakense pak en met zijn felle, priemende blik precies zo uit als een geleerde er in hun ogen uit moest zien. Daarbij liet hij zich vergezellen door twee, uit de kluiten gewassen jongelui die zijn assistenten konden zijn. Ze gingen net als hij gekleed, geknipt en geschoren als heren van stand en letten erop steeds een stap bij hem achter te blijven. Met hun jasje over hun arm vanwege de hitte waren ze komen aanlopen uit de richting van Venlo.

‘Misschien hebben jullie weleens van mij gehoord. Ik ben professor in Amsterdam.’

Hij diepte uit zijn broekzak een zakdoek op en wiste zich het zweet van zijn voorhoofd.

‘Dubois?’ vroeg De Schele langs zijn neus weg. ‘Bent u niet die geleerde uit Eijsden die in ons Indië onderzoek heeft gedaan.’

‘Dat klopt,’ zei Dubois tevreden, ‘Ik heb daar de schakel tussen aap en mens gevonden, de Pithecantropus erectus. Dat is Latijn voor rechtop lopende aapmens.’

Ze deden of hun neus bloedde.

‘En ziet u,’ ging hij onverstoorbaar verder, ‘ik was met deze twee jongelieden hier op weg naar Maastricht om in de St. Pietersberg opgravingen te doen, toen ik dacht: laten we eens een kijkje gaan nemen in Tegelen, waar die Stijns is geweest. Jullie hebben hem machtig interessante botten meegegeven, weten jullie dat wel?’

‘We hebben er niets meer over gehoord,’ zei De Schele.

‘Dat spijt me geweldig,’ zei Dubois. ‘Maar hebben jullie niet nog meer van die fossielen?’

De Schele was klaar om de strijd met de antichrist aan te gaan en rechtte zijn rug, terwijl De Roek nog twijfelde en zijn handpalmen afzocht naar oneffenheden.

‘Nou?’ vroeg Dubois.

‘Ons geloof verbiedt ons u te helpen,’ zei De Schele.

‘Ach nee,’ zei Dubois, ‘wat u niet zegt. Mag ik vragen: bent u hier soms de baas?’

‘Ik? De baas? Nee, hoor,’ zei De Schele. ‘De baas zit ginds op kantoor.’

Hij wees naar het westen waar de fabriek van Canoy lag.

Dubois lachte, zette zijn benen uit elkaar en stak zijn duimen in zijn vestzakjes.

‘U wilt me toch niet gaan zeggen, beste man, dat we eerst naar die fabriek moeten gaan om aan de heer Canoy toestemming te vragen om een stapel waardeloze botten te bekijken?’ schamperde Dubois. ‘Als u het graag wilt weten: de heer Canoy en ik, wij kennen elkaar, wij zijn geparenteerd.’

‘Ge - wat?’ zei De Schele, die niets moest hebben van de neerbuigende houding van de man. ‘Is dat soms ook Latijn?’

‘Zijn vrouw is verwant aan mijn schoonbroer.’

‘Dan nog, al was hij uw tweelingbroer, het is de gebruikelijke weg,’ zei De Roek, die voor De Schele in de bres sprong. Net zoals hij kon hij het eigengereide toontje van Dubois niet uitstaan. Wat verbeeldde die vent zich wel? ‘De heer Stijns heeft het ook gedaan, dus waarom u niet?’

‘Maar ik ben professor, geen student,’ zei Dubois, die rood aanliep. ‘Professor! Weet u wel wat dat betekent! Mijn naam gaat de hele wereld over. Ik word gekend in London, Brussel en Parijs. Ik eis respect, respect.’

‘Respect kunt u krijgen,’ zei De Schele, ‘maar van die botten blijft u godverdomme af!’

Hij sloef een kruis om de vloek te neutraliseren.

De andere kleidelvers in de groeve, die in de gaten kregen dat er iets niet helemaal in de haak was, kwamen schoorvoetend met hun schoppen dichterbij, terwijl de twee studenten zich achter Dubois schaarden.

Amechtig van woede keek de professor de aardworm voor hem aan.

‘Zo’n kop als die van jou ontbreekt nog in mijn verzameling,’ snauwde hij hem toe.

‘Dan zult u toch nog even moeten wachten,’ zei De Schele.

Onder zijn collega’s werd besmuikt gelachen.

Prompt zette Dubois een stap in de richting van de hoop met botten. De Schele en De Roek bedachten zich geen moment, gingen er met hun schop voor staan en trokken hun grimmigste gezicht.

Daar had Dubois niet van terug.

‘Vooruit dan,’ zei hij. ‘Zoals jullie wensen. Ik zal doen wat jullie is opgedragen. Ik ga naar de heer Canoy en vraag hem of jullie mij die botten mogen geven. Akkoord?’

‘Hij is de eigenaar van de grond,’ zei De Schele.

‘Zoals jullie willen,’ zei Dubois. ‘Maar als hij het goed vindt, kom ik terug en doe ik ermee wat ik wil.’

‘Als ze er dan nog zijn,’ zei De Schele droog.

‘Hoe bedoelt u?’ vroeg Dubois.

‘Wat ik zeg,’ zei De Schele. ‘Wij weten nog precies waar we ze gevonden hebben. Daar lagen ze goed en daar kunnen we ze ook weer terugleggen.’

‘Zo is het,’ zei De Roek, die haarfijn aanvoelde waar De Schele heen wilde.

Hun collega’s die het gesprek met de hand op de schop lachend gadesloegen, knikten.

‘Maar wat willen jullie dan?’ riep Dubois geagiteerd. Hij was niet gewend tegengesproken te worden, zeker niet door mensen die hij als zijn minderen beschouwde.

‘Vindersloon,’ zei De Schele. ‘Voor wat hoort wat. Zo is het toch?’

Hij draaide zich weer naar zijn collega’s toe, die volmondig knikten.

‘Dat zullen we nog weleens zien.’ zei Dubois. ‘Jullie horen er nog van. Kom…’

Hij wenkte zijn secondanten achter zich aan en ze gingen op weg naar de fabriek van Canoy.

De mannen kwamen om De Roek en De Schele heen staan.

‘Wat doen we?’ zei De Roek.

‘Wat De Schele zegt,’ zei de oudste van hen, die De Prikker werd genoemd. ‘Voor niks gaat de zon op.’

Iedereen knikte.

‘Laat hem maar betalen,’ zei de een.

‘Wie geld heeft om naar Indië te gaan, heeft geld genoeg,’ zei een ander.

Gespannen keken ze naar het westen waar de fabriek lag. In de verte zagen ze Dubois en zijn assistenten de weg aflopen en het kantoor binnengaan. Het duurde niet lang of de heren waren weer terug.

‘Julie je zin,’ zei Dubois tegen De Schele en De Roek.

Hij was met Canoy overeengekomen dat ze in de toekomst voor elk fossiel dat ze vonden, van hem een gulden kregen, die hun door Canoy werd uitbetaald. Een gulden stond in die tijd gelijk met een dag werken.

De Schele en De Roek knikten.

‘Mogen we ze dan nu pakken?’ vroeg hij.

‘Eerst betalen,’ zei De Schele.

Hij liep naar de stapel botten en stak er een in de lucht.

‘Wie heeft dit gevonden?’ vroeg hij.

Iemand stak zijn hand op.

‘Alsjeblieft,’ zei De Schele, terwijl hij het bot aan de man gaf, en tot Dubois: ‘Boter bij de vis.’

Dubois pakte zijn portemonnee en betaalde de man zijn gulden.

Zo ging het door, totdat er geen bot meer overbleef.

‘Hebben jullie geen zak om de spullen in te doen?’ vroeg Dubois.

‘Een kwartje,’ zei De Schele zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.

Toen Dubois en zijn twee helpers vertrokken en uit het zicht verdwenen waren schaterden ze het uit. Ze feliciteerden elkaar en legden van het geld dat ze hadden gekregen, een bedrag bijeen om in het dorp een kruikje jenever te kopen. Die dag werd er niet meer gewerkt, alleen nog maar gedronken en gelachen. Ze verkneukelden zich: zo hadden ze toch nog voordeel en plezier van iets waaraan ze als goede katholieken part noch deel wilden hebben.

Eugene Dubois (foto Wikimedia)

 

 

zondag 4 juli 2021

Pannenkletsers V - De Gelukkige

In 2010 publiceerde onze collega-blogger Willem Kurstjens de verhalenbundel Pannenkletsers. Het boek bevat elf fictieve verhalen over inwoners van Tegelen in de eerste helft van de vorige eeuw. Sommige verhalen gaan terug op ware episodes uit de geschiedenis. 

In zo'n geval was feit inspiratie voor fictie. In aanloop naar de Hondsdagen zullen we enkele verhalen uit Pannenkletsers als Floddergatsblogs plaatsen. We presenteren vandaag als vijfde aflevering een nagekomen Pannenkletser, het verhaal De Gelukkige.


Dit is het verhaal van Bernie, de Gelukkige, die altijd geluk had.
Tenminste, dat werd er over haar gezegd en daarom kreeg ze deze bijnaam.

Steeds als er in het dorp een loterij werd georganiseerd, viel ze in de prijzen. Bij het kienen idem dito. Werd er gekaart, dan won ze de meeste potjes. Als een magneet trok ze het geluk aan. Er werd gezegd dat sommige mensen wachtten met het inleveren van hun lottoformulier totdat zij was geweest en ze stiekem haar getallen op hun formulier konden overnemen. Dat is natuurlijk onzin, er is geen lottoverkoper die aan zoiets meewerkt, maar het tekent wel hoe er over haar werd gedacht.

Ook met haar man en kinderen had ze geluk. Een mooie knappe man, gezonde aardige kinderen, nooit geen ziekten of ongelukken in het gezin. Het geluk lachte haar toe.

Totdat er op een dag kanker bij haar man werd geconstateerd. De kinderen waren al de deur uit en ze stond er helemaal alleen voor. Binnen een paar weken was hij dood. Zomaar opeens had ze pech. Ze begreep er niets van en raakte de kluts kwijt. In een opwelling deed ze alles wat haar aan haar man herinnerde, weg. De schoenen in de schoenencontainer, de kleren in klerencontainer en zijn boeken naar Boeken Steunen Mensen.

Totdat ze erachter kwam dat daar ergens tussen die spullen een winnend staatslot moest zitten. Haar man had het nummer op een papiertje geschreven dat hij in la van het nachtkastje had gestopt, waar zij het had gevonden bij het opruimen, maar het lot zelf was nergens te bekennen.

Ze belde stad en land af om het te vinden, maar de schoenen en kleren waren naar het buitenland verscheept, waar ze de rekken van kringloopwinkels vulden, en de boeken over tweedehandsboekenwinkeltjes in het land verspreid.
En dat terwijl ze dat geld van het winnende lot juist nu zo goed kon gebruiken, want de uitvaart van haar man had haar op hoge kosten gejaagd.

Maar zie, op een dag ging de bel en er stond een knappe man voor de deur. Hij sprak gebrekkig Duits en zei dat hij uit Hongarije kwam. Hij tastte in zijn binnenzak en haalde er een dubbelgevouwen blauwe belastingenveloppe uit met het adres van haar man erop. Daar zat het winnende staatslot in. De envelop was in de voering van het oude colbertjasje geschoten dat haar man altijd aandeed als hij ging vissen. De Hongaar liet de rekening van de kringloopwinkel zien waar hij het had gekocht. 

Toen hij het lot vond, had hij op internet nagezocht of het nog geldig was, en toen dat het geval bleek, had hij het niet over zijn hart kunnen verkrijgen het voor zichzelf te houden en besloten het haar te gaan  brengen.
Zo kreeg Bernie haar staatslot terug, met een knappe vurige Hongaar erbij.

Over geluk gesproken.


zaterdag 3 juli 2021

'Aevel XL' van zaterdag 3 juli 2021 - Hónger wies ònder de erm

 

Hoe zou het komen, dat je bijna nooit meer de dialectuitdrukking hónger wies ònder de erm hoort? Er werd echte honger mee bedoeld, niet zo maar een beetje trek dus. 
Ik kreeg afgelopen week twee keer hónger wies onder de erm. VVV werkte zondagmorgen de eerste training af. Marco Bogers stipte het aan bij VVV LIVE op Omroep Venlo. Wat had ik er te zoeken? Na het ontbijt zondag stak het ineens de kop op. Koelhónger. Pats. Boem. Hoe lang geleden was het, dat ik er stond op mijn vaste plaats? Ik kon me de laatste thuiswedstrijd voor corona nHoe zou het komen, dat je bijna nooit meer de dialectuitdrukking hónger wies ònder de erm hoort? Er werd echte honger mee bedoeld, niet zo maar een beetje trek dus. 
Ik kreeg afgelopen week twee keer hónger wies onder de erm.iet meer herinneren. Laat staan de uitslag. De Koelhónger werd groter, kroop wies ònder de erm. De zekerheid dat VVV in de training in ieder geval geen tegengoal kon krijgen, trok me definitief over de streep.
De Trap Aller Trappen

Joost Smeets en zijn onafscheidelijke 'microfoon', die L1 jaren geleden heeft uitgedeeld tijdens de Boètegewoeëne Boètezitting

Er waren niet zoveel supporters. Iedereen kreeg een ijsje tegen de hitte. Hoe het was om terug te zijn? De Koel is geruststellend vertrouwd. Toch was het bijzonder om er weer te lopen. Het is een plek met historie. Voetbalgeschiedenis die we delen met elkaar en die generaties overstijgt. De aandoenlijke krakkemikkigheid van De Koel is een verademing, vergeleken met de poenerige glamour van Poeha-Arena’s. Maar goed, we hadden het over de training. Wat kan ik erover zeggen? Het was fijn om te zien dat met de selectiespelers, ook jeugdspelers uit de regio mee trainden.
Het adembenemend mooie decor van het hoofdpodium heeft carnaval in Venetië tot onderwerp en wordt gerealiseerd door de Wagenbouwers Genootschap Boeit Neet 

De festivalnaam, met de N op de kop, als locatie voor selfies

De tweede honger was Parkhónger. Na alle jaren Zomerparkfeest maakt elke activiteit, die het park transformeert tot festivalterrein, hongerig. Zeker nu, omdat het er zo lang stil is geweest. Onherbergzaam stil. Ook de Parkhónger was uit de categorie wies ònder de erm. Eergisteren was ik uitgenodigd om de opbouwsfeer te komen proeven.
Drie weken geleden kreeg de organisatie groen licht van de gemeente. Glièk begon een onwaarschijnlijke race tegen de klok. Wat is er veel werk verzet. Petje aaf voor iedereen. Het terrein is prachtig aangekleed. Vooral de podia zijn plaetjes geworden. Met als thema carnaval in Venetië en Mexico en vastelaovend in Venlo. Het is de elfde editie van het festival, vandaar.
Na de rondleiding dronken we koffie in de vrijwilligerstent. Het zat vol, want het was lunchtijd. Niet alleen vrijwilligers waren aangeschoven. Enthousiasme en saamhorigheid zaten mee aan de tafels. Ik sprak met Suus, verpleegkundige op de afdeling intensive care van ’t gashoès. Deze editie van Stereo Sunday is voor haar het bevrijdingsfestival na de uitputtende strijd tegen corona.
’t Stedje staat in het teken van Stereo Sunday. Een festival dat voor verbinding zorgt en gedragen wordt door vrijwilligers. We wensen hen alle succes, het komt ze toe.
Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx

vrijdag 2 juli 2021

Pannenkletsers IV - De Schrijver

In 2010 publiceerde onze collega-blogger Willem Kurstjens de verhalenbundel Pannenkletsers. Het boek bevat elf fictieve verhalen over inwoners van Tegelen in de eerste helft van de vorige eeuw. Sommige verhalen gaan terug op ware episodes uit de geschiedenis. 

In zo'n geval was feit inspiratie voor de schrijver voor fictie. In aanloop naar de Hondsdagen zullen we enkele verhalen uit Pannenkletsers als Floddergatsblogs plaatsen. We presenteren vandaag als vierde aflevering het verhaal De Schrijver.

Heel vroeger waren er in ons dorp maar weinig mensen die konden lezen en schrijven, laat staan schoonschrijven: precies op de regel, met lange uithalen, grote lussen en weelderige krullen. Een van hen was de man die men De Schrijver noemde. Hij was de jongste in een gezin van acht kinderen. Net als zijn vader werkten zijn drie oudere broers in een steenfabriek, terwijl zijn zusters het huishouden deden bij rijke families. Samen brachten ze het geld binnen waarvan het gezin kon rondkomen en hij, de benjamin, naar school kon gaan. Die school was niet meer dan een groot lokaal in een oud gebouw, waar kinderen van alle leeftijden kriskras door elkaar zaten. De meesten leerden er weinig en slechts een paar waren de schrijfkunst machtig als ze de school verlieten.

Zo iemand was De Schrijver, die met de pen leek te zijn geboren. Hij combineerde talent met veel en hard oefenen en ging er zo in op dat hij alles om zich heen vergat. Dat kon je zien aan het puntje van zijn tong. Als dat meebewoog tijdens het schrijven, kon je er donder op zeggen dat het geschrevene niets voorstelde: de letters lagen erbij als de bladeren van een verwelkte krop sla op het land. Maar stond het stil en beet hij het bijna af, dan kwam er iets magnifieks onder zijn pen vandaan, als het handschrift van een middeleeuwse monnik.

Jammer genoeg hadden ze thuis geen geld om hem verder te laten leren, zodat er voor hem niets anders op zat dan net als zijn vader en broers in een fabriek te gaan werken.

Omdat hij graag met zijn handen werkte, werd hij sigarenmaker. Hij was zo vlug met zijn vingers dat hij op een dag bijna twee keer zoveel sigaren maakte als zijn collega’s. Hij hield zelfs tijd over om brieven te schrijven voor de directie van het bedrijf. Nu eens moest hij een offerte schrijven, dan weer een brief aan een tabaksverkoper. Van elk epistel maakte hij een kunstwerkje, dat je in een lijstje aan de muur kon hangen.

Zijn grootste passie bleef echter het schrijven van liefdesbrieven, waarin hij zichzelf overtrof. Nooit had De Schrijver mooiere brieven geschreven dan toen hij verliefd was op zijn latere vrouw. Ze woonde maar een paar straten bij hem vandaan, maar hij schreef alsof ze aan de overkant van de oceaan woonde, met een hartstocht die de ene na de andere gedurfde beeldspraak aan zijn pen ontlokte.

Sommige van de zinnen die hij toen schreef, bleven hem zijn hele leven bij.

 

‘Wieg me in je ogen,

laat me slapen onder je tong,

koester me in je dromen,

totdat ik bij je kom.’

Toen hij getrouwd was, dacht hij er vaak met weemoed aan terug en liet zich maar al te graag overhalen zo’n brief te schrijven voor een ander, die ook verliefd was.

Hij maakte er naam mee en werd vaak om hulp gevraagd, ook in de fabriek waar hij werkte. Dat gebeurde altijd in de middagpauze. Terwijl zijn collega’s hun werkplek verlieten om te gaan schaften, bleef hij op zijn plaats en hield audiëntie voor de smachtenden. Hij vroeg hun het hemd van hun lijf: hoe ze heetten, waar ze woonden, van wie ze er eentje waren, hoe lang ze al verliefd waren en op wie. Zo kreeg hij langzaam maar zeker een beeld van hen en van het vuur waardoor ze verteerd werden. Ten slotte vroeg hij hun wat ze van hem wilden.

Dan keken ze hem altijd verbaasd aan.

’Maar dat heb ik u toch verteld?’

‘Ja, maar ik wil het graag nog eens horen, in je eigen woorden, dat is oprechter en dat is altijd het beste. Zeg eens, wat voelde je toen jullie elkaar voor het eerst zagen?’

Terwijl de ander nadacht, pakte hij pen en papier en genoot stiekem van de onbeholpenheid waarmee ze zich uitdrukten.

‘Toen hij me aankeek, hoorde ik de klokken luiden.’

‘Toen zij me aankeek, zag ik water branden.’

‘Toen hij me aankeek, werd ik van binnen zo week als rijstepap.’

Binnen de kortste keren stond er een brief op papier waaraan een literator een puntje kon zuigen. Nooit stelde hij iemand teleur en iedereen voor wie hij zo’n brief had geschreven, meende dat deze als een gouden sleutel paste op het hart van zijn geliefde. Vaak was dat ook zo en kwamen ze bij hem terug met een antwoordbrief die bijna net zo mooi was als de zijne, en een enkele keer nog mooier. Aan hun handschrift herkende hij de andere schrijvers uit de streek. Meer dan vier of vijf waren er niet, maar elk van hen deed zijn best er iets moois van te maken. Eenieder probeerde op zijn manier de andere naar de kroon te steken. De mooiste brieven waren van de hand van een vrijgezel die zijn hele leven lang verliefd was gebleven op één en dezelfde vrouw, die echter nooit iets van hem had willen weten. Zijn liefdesbrieven waren hartverscheurend.

Wat De Schrijver echter nog nooit was overkomen, was dat zowel de minnaar als de beminde zijn hulp inriep.

‘Hier,’ zei een meisje van de sorteerafdeling op een dag. ’Deze brief heeft mijn zusje gisteren gekregen.’

Hij herkende zijn eigen handschrift, maar hield zijn mond en las: ‘Liefste Ida, Lees deze brief in stilte en praat er met niemand over. Ik hou van jou met heel mijn hart en nog veel meer. Als ik je zie, is het of de hemel opengaat en er een engel langs mijn wang strijkt. Dan weet ik niet wat me overkomt. Ik krijg het warm en koud tegelijk en sta te trillen op mijn benen. Mijn borst is te klein voor mijn hart, dat op springen staat. Ik denk alleen maar aan jou, dag en nacht. Jouw Toon.’

‘Mmm, mooie brief,’ zei hij, ‘vooral dat van die engel die langs zijn wang strijkt.’

Inwendig glimlachte hij en zag Toontjes gezicht weer stralen toen hij hem deze beeldspraak had voorgesteld.

‘Mijn zus moet er niets van hebben,’ zei het meisje. ‘Ze heeft al een vrijer en gaat zich binnenkort verloven. Kunt u geen brief terugschrijven?’

‘Natuurlijk,’ zei De Schrijver. ’Wat moet er in komen te staan?’

‘Wat ik u heb gezegd,’ zei het meisje. ‘Het kan niet.’

‘Is dat alles?’

‘Ja, wat dacht u dan? ’n Beetje zoete broodjes bakken, zeker, zodat hij zich iets in zijn hoofd gaat halen. Het gaat niet, punt uit.’

‘Maar die jongen zal daar veel verdriet van hebben,’ protesteerde hij.

‘Nou en?’ zei ze. ‘Dat is het leven.’

De Schrijver pakte pen en papier en doopte de pen in de inktpot. Het was bepaald niet het soort brieven dat hij graag schreef - elke krul en uithaal was er pure verspilling aan, hier pasten slechts vierkante, hoekige letters, hoe stroever, hoe beter - maar het hoorde erbij. Het meisje had gelijk: zo was het leven.

‘Ik luister,’ zei hij.

Geachte jongeheer,’ begon het meisje. ‘Mijn hart is al bezet door een ander, met wie ik me binnenkort ga verloven. Hoe eerder u mij vergeet, hoe beter voor ons allebei. Hoogachtend, Ida Mutsaers.’

Terwijl hij de brief schreef, zag De Schrijver het beteuterde gezicht van Toontje al voor zich wanneer hij hem de brief zou voorlezen.

‘Zo, klaar is Kees,’ zei hij tegen het meisje en hij reikte haar de brief aan. ‘Alsjeblieft’.

‘Bedankt,’ zei het meisje en weg was ze.

Nog geen tien minuten later stond Toontje voor hem en gaf hem de brief. Hij lachte hoopvol, waarop het hart van De Schrijver samenkromp. Met tegenzin las hij hem de brief voor. De jongen schrompelde ineen als een jonge merel in de kou, net zoals hij had gedacht. De volgende dag werd Toontje door zijn broer ziek gemeld. Het duurde een week voordat hij terugkwam.

‘Beter?’ vroeg De Schrijver.

‘Ik kan haar maar niet vergeten,’ zuchtte de jongen, die het huilen nader stond dan het lachen. ‘Wat moet ik doen?’

De Schrijver voelde een steek in zijn hart.

‘Als je wilt, kunnen we het met een gedicht proberen,’ zei hij zo opgewekt mogelijk. ‘Zeg eens, hoe ziet ze eruit?’

Toontje beschreef Ida van top tot teen. Op slag dacht De Schrijver terug aan zijn eigen jeugd en voelde iets wat hij in lange tijd niet had gevoeld, hij kreeg een wee gevoel in zijn buik en zijn vingers begonnen te tintelen.

‘Kom over een half uur maar terug,’ zei hij, ‘dan heb ik misschien iets voor je.’

Toontje knikte en liep weg, waarop De Schrijver zijn pen in de inktpot doopte. Voordat hij het wist vloeide er het volgende gedicht uit.

 

‘Waar u loopt, wil ik uw voeten drukken,

waar u kijkt, wil ik uw blikveld zijn,

als u huilt, breekt mijn hart in stukken

en als u lacht, ben ik uw zonneschijn.’

 

Hij liet het Toontje lezen, die het mooi vond.

‘Denkt u dat het wat uithaalt?’ vroeg hij.

‘Niet geschoten is altijd mis,’ zei De Schrijver.

‘Maar stel je eens voor,’ hakkelde Toontje, ‘stel je eens voor dat Ida me wil ontmoeten, en ze komt erachter dat ik niet kan lezen en schrijven.’

‘Wat dan nog,’ zei De Schrijver. ‘Er zijn er zoveel die niet kunnen lezen en schrijven. Wie zegt jou dat zij het wél kan?’

Zo had Toontje het nog niet bekeken. Hij bedankte De Schrijver en liep met de brief weg.

De volgende dag stond Ida’s zus weer voor hem.

‘Mijn zus heeft een brief gekregen van die jongen die ze heeft afgewezen. Wilt u hem voorlezen?’

Hij las haar de brief voor die hij zelf had geschreven.

‘Mmm, een mooi gedicht,’ zei hij. ‘Die jongen heeft talent. Dat had ik zelf niet beter gekund. Als ik haar was zou ik hem niet te snel afwijzen.’

Het meisje zweeg en nam de brief mee.

De dag erna kwam ze weer terug.

‘Mijn zus is van gedachten veranderd,’ zei ze. ‘Ze wil hem graag ontmoeten.’

Hij pakte pen en papier.

‘Wat wil je dat ik hem terugschrijf?’ vroeg hij.

‘U moet hem niet teveel aanmoedigen,’ zei zij, ‘en alleen maar schrijven dat hij zondagmiddag naar de vijver bij het kasteel moet komen om haar te ontmoeten.’

‘Maakt hij een kans?’ vroeg De Schrijver.

Het meisje haalde haar schouders op.

‘Dat is moeilijk te zeggen,’ zei ze. ‘Ze wil de verloving nog niet afzeggen, maar aan de andere kant was ze zo ondersteboven van dat gedicht dat ze het nu niet meer precies weet. Daarom wil ze hem graag ontmoeten. Begrijpt u?’

De Schrijver begreep het maar al te goed en wachtte af. Toontje en Ida ontmoetten elkaar bij de vijver. De vlam sloeg in de pan en ze wilden elkaar hartstochtelijk graag zien, met als gevolg dat de afspraakjes elkaar steeds sneller opvolgden. Nauwelijks had De Schrijver een brief van Toontje aan Ida klaar of haar zus kwam weer bij hem voor een antwoord. De brieven vlogen als zwaluwen heen en weer en De Schrijver schreef de sterren van de hemel.

Totdat Ida’s zus op een dag tijdens de pauze verstek liet gaan. Dat bevreemdde De Schrijver en daar wilde hij het zijne van weten. Hij verliet zijn plaats en zocht haar op.

‘Hoor eens,’ zei hij. ‘Hoe is het ermee? Ik zie je niet meer. Is het soms uit?’

Ze schudde haar hoofd en lachte.

‘Nee,’ zei ze. ‘Integendeel. Ze hebben ons niet meer nodig, ze gaan trouwen!’

‘Je meent het!’ zei hij en hij schoot in de lach.

‘Ja,’ zei ze. ‘U hebt het vuurtje flink opgestookt.’

‘Een beetje olie kan geen kwaad,’ zei hij. ‘Heb jij al iemand op het oog?’

‘Nee, nog niet,’ zei ze. ‘maar als het zover is, weet ik bij wie ik moet zijn. Bedankt, ook namens mijn zus.’

‘Graag gedaan,’ zei hij.

donderdag 1 juli 2021

Van nul tot nu van woensdag 30 juni 2021 - De Harmonie overleefde ‘alles’

- door Albert Lamberts -  

Nog eens het Koninklijke Philharmonisch Gezelschap Venlo, de Hermenie. Er werden na 1836 her en der en bij tijd en wijle muzikale successen behaald, maar het was toch allemaal niet direct om over naar huis te schrijven. Echter: er werd een daad gesteld die vele decennia lang tot Venlo’s voordeel strekte: de oprichting van een muziekschool. Dat was in 1844. 

Harmonie in optocht over de Parade, 1898 (collectie Albert Lamberts)

De muzikale successen van de Harmonie, zoals gezegd, waren in die jaren van pakweg 1840 tot 1900 bepaald niet talrijk, al brachten aanvankelijk dirigent Boudewijns en later zijn fameuze opvolger Gerhard Hamm wel enig elan in de vereniging. Die had overigens haar instrumenten symbolisch aan de stad afgestaan, waar een gemeentelijke subsidie tegenover stond.

Trouwens, ook het andere muziekgezelschap in Venlo, dat in 1855 was opgericht - zijn naam mocht in verband met de Harmonie niet hardop worden uitgesproken – wenste in tijd van nood zijn instrumenten bij de gemeente onder te brengen onder voorwaarde, zo werd burgemeester Van Liebergen nadrukkelijk op het hart gedrukt, dat deze nooit en te nimmer aan de Harmonie ter beschikking zouden worden gesteld. Nee, de verstandhouding tussen beide verenigingen was beslist niet denderend te noemen; een beetje zoals de rivaliserende muziekverenigingen in Thorn.

Gerhard Hamm was 44 jaar dirigent van de Hermenie (collectie Marlies Hamm)

Gerhard Hamm kwam uit het Duitse Trier, werd in Venlo betaalde stadsmuziekmeester – dat zorgde bij die andere muziekvereniging ook voor scheve gezichten -, was dirigent van de Harmonie en directeur van de muziekschool. Hamm liet zijn muzikale sporen in Venlo onuitwisbaar achter. Niet alleen dus als stimulerende directeur van de muziekschool en als dirigent van de Harmonie –  liefst 44 jaar – maar niet te vergeten als schrijver van vele carnavalsschlagers. En… onlangs nog is een nieuwe cd uitgebracht met muziek van Gerhard en zijn zoon Karel Hamm.

De deskundige inzet van Hamm voor de Harmonie leidde in 1886 tot een muzikaal hoogtepunt tijdens een concours in Valkenburg, maar alle inzet, succes en kwaliteit van de dirigent ten spijt, de Harmonie was eind negentiende eeuw op sterven na dood. Nog slechts elf muzikanten moesten het vaandel ‘verdedigen’. Pas onder de nieuwe directeur Theo Jordans, wiens zonen Hein en Wieke en kleindochter Wyneke later ook muzikale furore zouden maken, leefde de Harmonie weer op. Jordans leidde het orkest vanaf 1916 tot 1947 met veel succes.

Ongedateerde foto van de Hermenie met dirigent Jordans, zittend in het midden met vlinderdasje (collectie Albert Lamberts)

Echter, het zijn sterke benen die succes kunnen dragen en de Harmonie bleek die niet te hebben. De repetities werden weer slecht bezocht en muzikanten begonnen eigen gezelschapjes. Bij de viering van het 140-jarig bestaan in 1962 moest de secretaris spijtig vaststellen dat het overal in de vereniging rammelde. Drie jaar later kon een heel andere toon worden aangeslagen: dit was de Harmonie op haar best, schreef de secretaris, en een jaar later: dat er grote vooruitgang is geboekt op alle fronten.   

Ach, de geschiedenis van het Koninklijk Philharmonisch Gezelschap -  koninklijk sinds 1948  -  bleef ook in de volgende jaren er een van vallen en opstaan, maar inmiddels is het Venlose gezelschap een gesettelde “Uitmuntendheidclub”, een status die in 1999 werd behaald onder leiding van de Venlose dirigent John Bartels. Succes kan alleen worden geboekt als iedereen komt repeteren en daar schortte het nogal eens aan. Slecht repetitiebezoek werd vroeger met kleine geldboetes gehonoreerd evenals ongehoorzaam gedrag en, lees even mee: eenzelfde boete kon de leden treffen, welke door den drank ter beoordeling van de orkestmeester buiten staat zullen zijn hunne partij behoorlijk te spelen. Aldus het reglement uit 1830. Cor Deneer schreef in het jubileumboekje in 1972: de dienaren der muze zijn blijkbaar altijd ontvankelijk geweest voor de bekoringen van Bacchus.  

Het koninklijk Philharmonisch Gezelschap heeft alles overleefd en viert in 2022… ja viert wat? In 1911 het 75-jarig bestaan, in 1926 haar eeuwfeest (!), zes jaar later het 110-jarig (!) bestaan, in 1972 het 150-jarig bestaan en ja, echt waar, in 2022 het tweede eeuwfeest.

Reageren? Stuur een e-mail naar Albert Lamberts: albertlamberts@home.nl. 


 

 

 

 

 

De Halte XL van woensdag 30 juni 2021 - Zeepverkoper 'Zeip Joseph' Brandes trad op als hypnotiseur

 - door Sef Derkx -  

We passeerden het terras bij café De Maagdenberg. Werktuiglijk drukten we op het knopje ten teken dat we graag bij de volgende halte wilden uitstappen. Aan de  verlokking van een glas bier van de tap wilden we geen weerstand bieden op deze zomerdag. Ter geruststelling: het was ook werkgerelateerd, rond De Maagdenberg circuleren interessante verhalen. 


Een bekende prentbriefkaart van de Oostsingel (heden ten dage Burgemeester van Rijnsingel), uit 1927, met pontificaal in het midden Zeip Joseph en zijn handkarretje, waarmee hij langs de deuren ging (met dank aan Piet Braem) 

Zoals dat van Joseph Brandes, een eeuw geleden alom in Venlo bekend als Zeip Joseph. Met zijn moeder woonde hij tegenover De Maagdenberg. Mijn vader haalde graag herinneringen aan Zeip Joseph op. Hij werd zo genoemd omdat hij aan de deur groene zeep verkocht. Zijn handelswaar betrok hij van de de N.V. Zeepfabriek J.L. Wolters aan het Helschriksel.

Prentbriefkaart Helschriksel, gefotografeerd in de richting van de Lomstraat, voor de Tweede Wereldoorlog. Ter hoogte van de dame is links de ingang van de zeepfabriek van Wolters (collectie Peter Vostermans)

Joseph Brandes trok met een handkar door de stad. De door zijn klanten gewenste hoeveelheid groene zeep werd afgewogen op een weegschaal.

Prentbriefkaart van De Maagdenberg en Waterleidingsingel uit het begin van de vorige eeuw, circa 1905. Moeder en zoon Brandes woonden op de Waterleidingsingel 4. Als Zeip Joseph na een dag venten met groene zeep terugliep en van deze afstand De Maagdenberg zag liggen, wist hij dat hij bijna thuis was (met dank aan Piet Braem) 

Wat hij precies riep om zijn zeep aan te prijzen, was niet te verstaan. Hij werd herkend aan de klank van zijn stem. Zeip Joseph droeg een frak of lange jas die glom, omdat hij er zijn handen aan afveegde als hij zeep had verkocht. De Nieuwe Venlosche Courant van 18 december 1922 besteedde aandacht aan het naderend tienjarig jubileum van Joseph Brandes als zeepverkoper en aan de financiële positie van zijn bedrijfje. 







Naast zijn ambulante handel die floreerde omdat iedereen de verstandelijk beperkte Joseph mocht, had hij nog een andere bron van inkomsten.

Nieuwe Venlosche Courant, 27 april 1918 (gevonden via www.delpher.nl)

Hij trad op bij feesten en partijen als voordrachtkunstenaar en hypnotiseur. In de laatste hoedanigheid was hij enkele malen over de vloer gekomen in het café van mijn grootouders, Het Wapen van Venlo aan de Panhuisstraat. 


Het Wapen van Venlo (collectie Sef Derkx) en advertentie t.g.v. de opening op woensdag 14 juli 1915 (gevonden via www.delpher.nl) 

Met het hypnotiseren was iets bijzonders aan de hand. Joseph was er zelf van overtuigd dat hij hypnotiseur was en uit sympathie of uit medelijden speelde iedereen het spelletje mee. Soms werd hij bij de neus genomen. De feestvierders die onder ‘hypnose’ waren gebracht, bleven zogezegd in die staat van veranderd bewustzijn. Wat Joseph ook probeerde, ze lieten het voorkomen dat ze niet uit de hypnose te wekken waren. Hij panikeerde in zulke situaties en maakte allerlei vreemde strapatsen om zijn slachtoffers wakker te krijgen. Als hij daar uiteindelijk in slaagde en de mensen deden of ze nu pas weer bij vol bewustzijn waren, viel Joseph een ovationeel applaus ten deel. Zo’n Venlonaar verdient een beeldje, het kan bij De Maagdenberg staan.

In het gemeentearchief vonden we feitelijke gegevens. Joseph Brandes was in 1881 geboren in Rotterdam. Samen met zijn moeder kwam hij in 1915 naar Venlo. Ze woonden eerst aan de Zuidsingel, later tegenover De Maagdenberg. Als beroep staat zeepkramer genoteerd. 

Nieuwe Venlosche Courant, 3 mei 1928 (gevonden via www.delpher.nl)

Het stadsfiguur overleed in 1928, zo oud is hij dus niet geworden. Niet veel later verkocht zijn moeder haar inboedel en verhuisde naar de Burgerlijke Godshuizen aan de Grote Kerkstraat.

Een foutje in de blog ontdekt? Reageren of een leuke tip voor De Halte? Stuur Sef Derkx een e-mail: floddergats@xs4all.nl.