zondag 27 juni 2021

Pannenkletsers II - De keizer op doorreis

In 2010 publiceerde onze collega-blogger Willem Kurstjens de verhalenbundel Pannenkletsers. Het boek bevat elf fictieve verhalen over inwoners van Tegelen in de eerste helft van de vorige eeuw. Sommige verhalen gaan terug op ware episodes uit de geschiedenis. 

In zo'n geval was feit inspiratie voor de schrijver voor fictie. In aanloop naar de Hondsdagen zullen we enkele verhalen uit Pannenkletsers als Floddergatsblogs plaatsen. We vervolgen met De keizer op doorreis..


- door Willem Kurstjens -

De bende van Penninx werden ze genoemd, de drie mannen die zich op maandag 11 november 1918 om elf uur ’s morgens bij café De Steenrots aan de Kaldenkerkerweg  te Tegelen ophielden. Ze stonden zwijgend op de berm met hun rug naar het café, dat pas weer om één uur open zou gaan. De drie, allen van middelbare leeftijd, droegen lange jassen en hadden hun handen in hun zakken, terwijl ze naar de overkant van de weg keken.

Van links naar rechts: de iele, snibbige Graad Jansen, alias De Schrale, die rilde van de koude, maar het niet wilde laten merken, in het midden en pontificaal met zijn buik naar voren De Dikke van Penninx, die nergens last van had, en rechts van hem de bolhoofdige, roodharige en melancholieke Belg Pau Verbiest, alias De Deserteur, die zich van de kou niets aantrok.

Star hielden ze hun blik gericht op de laagte voor hen, waar het Rode Dorp lag met daarachter de spoordijk waarover binnen niet al te lange tijd de trein met de Duitse keizer Wilhelm ii en zijn gevolg voorbij zou komen.

De dag tevoren was de Pruis aller Pruisen om zes uur ’s morgens plotseling op het station van Eijsden verschenen en had de Nederlandse regering in Den Haag gevraagd om in Nederland in ballingschap te mogen gaan. De pronkhaan met het lamme handje had de grote internationale

oorlog verloren en was op de vlucht voor zijn landgenoten, die hem een kopje kleiner wilden maken.

‘De lafaard…,’ zei Penninx verbitterd en spuugde met een boog een klodder pruimsap voor zich op de weg.

Achter hen klonk belgerinkel. De deur van het café ging open en de uitbater van De Steenrots kwam naar buiten, pannenkletsers binnen, gevolgd door zijn vrouw, die aan elke hand een klein kind

hield. Ze hadden een dikke jas aan en een sjaal om hun nek, want het was koud.

‘Gaan jullie niet kijken?’ vroeg de kroegbaas aan Penninx.

‘Pas maar op dat ze de griep niet krijgen,’ zei deze alleen maar, terwijl hij met zijn kin naar de kinderen wees.

‘Je kunt ze niet altijd binnenhouden,’ zei de kroegbaas. ‘Zoiets maken ze in hun hele leven nooit meer mee.’

Penninx haalde zijn schouders op.

‘Je moet het zelf weten,’ zei hij. ‘’t Heerst, meer zeg ik niet.’

Penninx doelde op de Spaanse griep, die in de omgeving al de nodige mensenlevens had geëist en hele volksstammen aan hun bed hield gekluisterd. In het noorden van het land moest het nog veel erger zijn. Daar stierven de mensen als vliegen.

‘’n Beetje frisse lucht zal ze goed doen,’ zei de vrouw.

Penninx haalde zijn neus op en pruimde verder. Als ze dacht dat ze het beter wist, dan liet hij haar maar in die waan. Ze zou er vanzelf wel achterkomen. De Deserteur was minder stuurs. Toen de kluit voorbijkwam, boog hij zich voorover en aaide het jongetje over zijn bolletje. Voor het ventje echter de kans kreeg om naar hem te glimlachen werd het door zijn moeder meegetrokken.

Het was kennelijk niet precies wat ze met frisse lucht had bedoeld. Penninx zag het en moest stiekem lachen.

‘Zeg de keizer maar dat hij de moord steekt,’ snauwde De Schrale met zijn tandeloze mond.

‘Naar de verdoemenis met dien duivel,’ voegde De Deserteur eraan toe.

‘Gaan jullie daarom niet kijken?’ vroeg De Steenrots.

‘Zo is het,’ zei Penninx.

‘Ik begrijp jullie niet,’ zei De Rots. ‘Jullie zouden hem juist dankbaar moeten zijn. Dankzij hem hebben jullie een leven gehad als God in Frankrijk.’

Hij doelde op de smokkelhandel met Duitsland waarvan de bende van Penninx rijkelijk had geprofiteerd.

‘Hoor eens wie het zegt,’ schamperde Penninx. ‘Je bent er zelf anders ook niet slechter van geworden, mannetje.’

‘Dat ben ik inderdaad niet,’ zei De Rots, ‘maar de tijden zijn veranderd. Ik pas me aan. Dat kan ik van jullie niet zeggen.’

‘Jij hebt makkelijk praten,’ snauwde De Schrale. ‘Jij hoeft ’s morgens alleen maar de deur van je café open te doen en het geld stroomt binnen.’

Nu werd het de kroegbaas toch te gortig.

‘Als jij niet al je geld over de balk had gegooid, dan zei je dit soort dingen niet,’ beet hij De Schrale toe. ‘Kom.’

Hij stak zijn hand uit naar een van de kinderen en trok het mee de rijweg over.

‘Over jouw balk gegooid, over jouw balk gegooid!’ probeerde De Schrale nog, maar het mocht niet baten.

De Steenrots deed alsof hij het niet hoorde en liep met zijn gezin de Mauritsstraat in, op weg naar de spoorwegovergang, waar zich al behoorlijk wat mensen verzameld hadden. Ze kwamen van alle kanten en het werden er steeds meer.

‘In Duitsland zijn ze blij dat ze hem kwijt zijn en hier lopen ze voor hem uit!’ schamperde Penninx. ‘Begrijpen jullie dat nu? Trouwens, wat heeft die kwibus hier eigenlijk te zoeken? In Zwitserland is hij toch veel beter af. Daar praten ze nota bene Duits en is de lucht ook gezonder.’

‘Ja, maar daar heeft hij geen familie, hier wel,’ zei De Schrale, die doelde op koningin Wilhelmina, het nichtje van de keizer.

‘Dat ze hem dan ook maar zelf te vreten geven,’ knorde Penninx. ‘Anders komt er hier straks ook revolutie en zijn we helemaal in de aap gelogeerd.’

Zo ging het gesprek een tijdje verder. Eén voor één bauwden ze na wat ze de afgelopen dagen aan de weet waren gekomen, de een uit de kolommen van de Nieuwe Venlosche Courant, de ander uit de krochten van de Venlose kroegen waar ze zich graag ophielden, de derde uit de monden van reizigers op doorreis, die het ook weer van horen zeggen hadden. Niemand wist precies hoe de vork in de steel zat, maar iedereen sloeg er een slag naar. Het was immers onmogelijk het over iets anders te hebben. De oorlog, de grote oorlog, was afgelopen en de keizer smadelijk op de vlucht. Niets

had hij meer, behalve dan zijn keizerlijke trein en alles wat erin zat, wat dat ook mocht zijn. De rest had de oorlogshitser in Duitsland moeten achterlaten, waar het een puinhoop van jewelste was. De bevolking leed er verschrikkelijke honger en liep op straat te hoop.

In Kiel en Berlijn waren opstanden uitgebroken en hadden arbeidersraden de macht overgenomen.

‘Zien jullie nog niets?’ vroeg Penninx, die zijn horloge uit zijn vestzak haalde, het opensloeg en naar zijn rechteroog bracht, het enige waarmee hij nog ’n beetje kon zien, nadat hij anderhalf jaar geleden met een geweerkolf een klap in zijn gezicht had gekregen.

‘Nee,’ zei De Schrale, die de beste ogen had en op vijfhonderd meter afstand een veldwachter kon

onderscheiden van een commies.

‘Zeker en vast is hij te laat vertrokken,’ zei De Deserteur.

‘Een keizer laat zich niet doen, die beslist zelf wel wanneer hij vertrekt. Hoe laat zeide gij dat hij uit Eijsden was vertrokken?’

Hij keek Penninx aan, die zijn horloge weer dichtklapte en wegstopte.

‘Om twintig over negen,’ zei Penninx, die het die morgen had gehoord uit de mond van de Tegelse stationschef, die het vertelde aan iedereen die het wilde weten.

‘Dan zal het nog wel even duren,’ zei De Deserteur.

Nog maar amper had hij het gezegd of in hun linkerooghoek verscheen een zwarte pluim aan de horizon die alsmaar groter werd.

‘Daar!’ zei De Schrale. ‘Zwarte rook! Hij komt!’

Hoewel ze het niet wilden toegeven, greep de op handen zijnde doorkomst van de onttroonde majesteit hen meer aan dan ze voor mogelijk hadden gehouden. Niemand van hen had ooit van zijn leven een echte keizer gezien, laat staan een keizer op de vlucht.

‘Hoe lang denk je dat het duurt voordat die trein hier is?’vroeg Penninx.

‘Een kwartiertje,’ zei De Schrale.

Penninx rochelde en spuugde nog eens een klodder pruimsap voor zich uit. Toen pakte hij zijn zakdoek en snoot eens flink zijn neus. De kou kroop tussen zijn schouderbladen omhoog. Onwillekeurig niesde hij, tot driemaal toe. Het was alsof er drie saluutschoten werden afgevuurd.

‘Pas maar op dat je zelf de griep niet krijgt,’ grinnikte De Schrale.

Penninx deed alsof hij het niet hoorde en zweeg.

Steeds dichterbij kwam de pluim, die groter en zwarter werd en een spoor van grijze slierten in de lucht achterliet.

‘Weet je nog wat hij zei, toen de oorlog begon?’ schamperde De Schrale. ‘Mit dem Herbst werdet ihr wieder daheim sein!

‘Ik wil hem in zijn gelaat fluimen,’ zei De Deserteur plotseling met een van minachting vertrokken gezicht. ‘Door hem ben ik alles kwijt geraakt.’

Met die woorden zette hij er de pas in, regelrecht op het spoor af.

Nu konden zijn kompanen natuurlijk niet achterblijven en ze renden achter hem aan.

‘Zo,’ zei De Steenrots, toen ze zich naast hem aan de spoorlijn posteerden. ‘Toch maar gekomen?’

‘Ik wil hem in zijn gelaat fluimen,’ zei De Deserteur weer.

‘Daar kan ik inkomen,’ zei de kroegbaas. ‘En jullie?’

Hij wendde zich tot Penninx en De Schrale, die hun schouders ophaalden.

‘We zijn met de Belg gekomen,’ zei Penninx langs zijn neus weg.

‘Eén voor allen, allen voor één,’ viel De Schrale hem bij.

‘Ja, ja,’ zei De Rots en hij grijnsde.

Penninx had hem wel kunnen vermoorden.

‘Daar! Daar is hij!’ riep een opgeschoten jongen, die zich midden op de spoorbaan had gewaagd. Met zijn vinger priemde hij naar de rookpluim die steeds dichterbij kwam.

Alle volwassenen deden nu een stap naar voren en bogen zich half over de rails heen om de stoomlocomotief te zien aankomen. Het was er een van Nederlandse makelij, zoals er hier zo vaak voorbijkwamen, niets bijzonders, maar wat daarachter kwam, overtrof iedere verwachting. Zoiets had men nog nooit gzien: niet minder dan vijftien houten rijtuigen met het keizerlijk embleem in blinkend koper over de volle lengte van elk rijtuig. Her en der waren bedienden de rolluiken aan het aflaten, zodat de keizer de hoon van het volk niet hoefde te trotseren, als men het station van Venlo binnenliep.

De Pruis aller Pruisen zat in het laatste rijtuig aan het hoofd van een tafel pannenkletsers binnen met allemaal hoge pieten op leeftijd, de een nog chiquer gekleed dan de ander. Alsof ze een Rijnreisje aan het maken waren, zo ongedwongen zaten ze met elkaar te kletsen, met een glas wijn in hun hand.

Met een glas wijn in hun hand!

Penninx dacht dat het hem teveel werd en kreeg een waas voor zijn ogen. Kijk, daar hief de smiecht het glas op. Nog even, en hij bracht het naar zijn mond, als hij tenminste niet…

Penninx kneep zijn ogen samen om te zien of de keizer niet ook, zoals hij zelf altijd placht te doen, het puntje van zijn baard in het glas met wijn liet zakken om het vervolgens door een van zijn jachthonden te laten aflebberen.

Nu moest de hond naar hem opspringen. Waar was de hond?

Opeens stootte De Schrale hem aan en wees hem op De Deserteur, die zich vooroverboog en een steen opraapte.

Penninx bedacht zich geen moment en deed een stap naar voren. Toen De Deserteur wilde gooien, greep hij hem bij zijn pols beet, waarop deze de steen viel vallen.

Toen de Belg hem wilde oprapen, was Penninx hem opnieuw te vlug af en schopte hem weg.

‘Gij, gij, gij!’ schreeuwde De Deserteur. ‘Hij heeft mijn leven geruïneerd! Laat me toch!’

Maar wat de Belg ook riep of zei, Penninx was niet te vermurwen. Hij liet zijn hoofd in zijn dikke nek zakken en keek hem laatdunkend aan. Nooit zou hij toestaan dat er een aanslag werd gepleegd op een man die hij zo haatte en liefhad als de keizer.

(Uit: Willem Kurstjens: Pannenkletsers (Venlo 2010)


De Steenrots, tekening Bart Leurs, die ons het volgende schreef:

'In de dakkapel zwaait een meisje. Dat is Truusje. Ze heeft hier gewoond. Ze zwaait naar mijn nichtje Suzanne. Die komt net aanlopen met haar moeder. Suzanne is ook het nichtje van Truusje.

Ze bleef wel eens slapen en vond het heel spannend om 's morgens in het stinkende café te komen. Zo hoor je nog eens wat over de Steenrots.

De letters op de muur zijn trouwens geschilderd door mijn oom Sjeng Orval. Heeft naam gemaakt in Australië als glazenier. Kijk maar op internet. John Orval. Maakte mooi werk.'




 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten