dinsdag 29 juni 2021

Pannenkletsers III - Het einde van de Zure

In 2010 publiceerde onze collega-blogger Willem Kurstjens de verhalenbundel Pannenkletsers. Het boek bevat elf fictieve verhalen over inwoners van Tegelen in de eerste helft van de vorige eeuw. Sommige verhalen gaan terug op ware episodes uit de geschiedenis. 

In zo'n geval was feit inspiratie voor de schrijver voor fictie. In aanloop naar de Hondsdagen zullen we enkele verhalen uit Pannenkletsers als Floddergatsblogs plaatsen. We presenteren vandaag als derde aflevering een  nagekomen Pannenkletser, het verhaal Het einde van de Zure.

- door Willem Kurstjens - 

Dit is een verhaal dat ik niet met droge ogen kan lezen. Elke keer toen ik het bij het schrijven herlas, schoot ik vol. Als ik eraan denk hoe het me raakte, en trouwens nog steeds raakt, is het een wonder dat ik het afschreef.

Ik had ooit een vriend. We leerden elkaar kennen op de eerste dag van de middelbare school, waar we vanuit ons dorp sindsdien samen naartoe fietsten en waar we in dezelfde klas en dezelfde bank zaten, zes jaar lang. Behalve onze boterhammen, onze fietsen en regenjassen, boekentassen en gymspullen deelden we alles met elkaar: potlood, gum, papier, zelfs de inktpatronen van onze vulpennen als die leeg waren, maar vooral onze zielenroerselen. Niets wat ons plezier deed of kwelde lieten we onbesproken, tot aan de schimmel tussen onze tenen toe.

Ook hadden we hetzelfde gevoel voor humor. Woordspelingen vonden we te melig voor woorden en ook van leedvermaak moesten we niets hebben. Het toppunt van humor was voor ons zelfspot, hoe droger hoe beter, daar waren we meesters in. Voor elk wereldprobleem hadden we de meest fantastische oplossingen. Als ze ons maar eens eerst onze gang lieten gaan, zeiden we lachend tegen elkaar, en dan verzonnen we bijvoorbeeld plastic huizen of luxueuze luchtkastelen tegen de woningnood. 

Aan het einde van die school ging ik naar de HTS in Eindhoven en hij naar het Grootseminarie in Rolduc, want hij wilde priester worden. Dat had hij altijd al willen worden en zelfs ik met mijn sceptische denkbeelden over het geloof, en het rooms-katholiek geloof in het bijzonder, kon hem daar niet vanaf brengen, sterker nog, ik wilde het niet eens, want ik respecteerde zijn keuze volledig. We waren bloedbroeders in de geest van Arendsoog en Witte Veder, daar kwam niets tussen, zelfs het geloof niet. Bovendien waren al zijn argumenten vanuit zijn perspectief steekhoudend: hij wilde opkomen voor de armen en de minstbedeelden, net zoals de socialisten dat wilden, tot wie hij mij ook rekende, maar dan zonder het democratisch materialisme dat volgens hem aan onze ideologie ten grondslag lag.  Daarover hadden we pittige gesprekken, ongeveer in deze trant:

HIJ: ‘Hoe gaat dat straks in jullie heilstaat als iedereen heeft wat zijn hartje begeert, met alle vrijheid die daarbij hoort, ‘s morgens vissen, ’s middags jagen, ’s avonds kaarten? Wat denk je, wordt dat niet heel saai?’

IK: ‘Natuurlijk niet. We blijven ons naar alle kanten toe ontwikkelen.’

HIJ: ‘En wat doen jullie met de mensen die alleen maar aan zichzelf denken en steeds maar meer willen hebben, meer welvaart, meer vrijheid, noem maar op?’

IK: ‘Als ze dat willen, dan mag dat. Vrijheid blijheid.’

HIJ: ‘Ook als dat voor haat en nijd zorgt?’

IK: ‘Ieder het zijne. Hoe gaat dat trouwens bij jullie, in jullie paradijs?’

HIJ: ‘We leren de mensen dat het niet om het stoffelijke maar om geestelijke welzijn gaat, niet om het hebben, maar om het zijn, het leren afzien, onthechting en mystiek.’

IK: ‘Ach, kom, dat geloof je toch zelf niet? Erst das Fressen, dann die Moral, toch?’

HIJ: ‘Welke moraal? Ik zie geen Moral bij jullie, alleen maar Fressen. Wat als dat democratisch materialisme van jullie gerealiseerd is en iedereen alles heeft, wat dan, kameraad?’

Daar wist ik niets tegenin te brengen en daarom gooide ik het op de strijd tussen de godsdiensten. Waarom meende elke godsdienst toch steeds dat zijn leer de beste was, alsof geloof een spiritueel wasmiddel was: het OMO van de katholieken waste de zielen schoner dan het Persil van de protestanten en de Witte Reus van de boeddhisten, die van hun geloof op hun beurt hetzelfde beweerden. Flauwekul, toch, waarom niet één geloof?

Hij haalde zijn schouders op en zei: ‘Dat is iets voor de hoger geplaatsten, daar houd ik me niet mee bezig. Ik richt me op de basis.’

Zo scheidden zich onze wegen, maar gelukkig zagen we elkaar steeds aan het einde van de week in het lokaal van de plaatselijke studentenvereniging waarvan we lid waren. Die vrijdagavonden waren niet te overtreffen. Daar ging heel onze ziel en zaligheid en al ons zakgeld in zitten. Als we na sluiting van de bar aangeschoten bij de frietkraam kwamen, voltrok zich daar steeds hetzelfde ritueel. Hij was gek op zuur en bestelde van alle zure snacks twee stuks: twee rolmopsen, twee zuren bommen en twee porties zuur vlees met friet, die hij vervolgens likkebaardend en op zijn dooie gemak naar binnen werkte, waarna hij een paar stevige boeren liet en zei: ‘Zo, dat katert lekker af’ of ‘Net wat ik wat nodig had’ of ‘Daar heb ik de hele week al naar verlangd.’

Geen wonder dat hij, hoewel hij van huis uit al een bijnaam had, er van ons nog een bij kreeg: de Zure.

Ik ben nog bij de priesterwijding van de Zure geweest in de kathedraal in Roermond waar hij met achttien anderen languit voor het hoofdaltaar op de grond lag om de zegen van de bisschop te ontvangen en zo tot priester te worden gewijd. Ook zijn feestelijke intocht als neomist in ons dorp heb ik meegemaakt. Je kunt je dat nu niet meer voorstellen, maar een buurtcomité had de straat versierd waaraan het huis van zijn ouders lag, en de hele buurt liep uit.

Bij het diner mocht ik naast hem aan tafel zitten

‘Geloof en scepsis broederlijk verenigd!’

Ik hoor het hem nog zeggen terwijl hij me op mijn schouder sloeg. Als cadeau had ik een cadeaupakket van de bekende zuurinleggerij De Leeuw voor hem meegenomen, ik was er speciaal voor naar Amsterdam gereisd. Alles wat je maar aan ingelegde zuurwaren kunt bedenken zat erbij, zelfs leverworst in het zuur, dat daar ’flauwe kul’ heette.

‘Ja, die Joden weten wel wat lekker is,’ gniffelde hij. ‘Als er straks toch zoiets als reïncarnatie blijkt te bestaan, word ik jood, met besnijdenis en al.’

We proestten het uit, wat ons op een paar verdachte blikken kwam te staan, maar dat kon ons niet schelen. Daarna verloren we elkaar min of meer uit het oog. Hij werd kapelaan in een parochie in een uithoek van onze provincie, waar ik hem een half jaar later opzocht. Het was een bijzonder bezoek, want net toen ik daar kwam, bleek de beerput bij zijn huis, dat een heel stuk buiten het dorp lag, te zijn verstopt en moest ik hem helpen die leeg te scheppen, waarna we de inhoud over het land achter het huis verspreidden. Toen we klaar waren, dronken we de herinnering en de geur af met kopstootjes, waarna de ketel zuur vlees op tafel kwam, die hij de vorige dag zelf had gemaakt, en we verder gingen met wijn. Hoe ik in bed ben gekomen, is me nog steeds een raadsel, maar de volgende morgen voelde ik me zo fris als een hoentje. Kennelijk klopte het wat hij zei, dat zuur afkatert.

Toen dreef mijn nieuwsgierigheid mij de provincie uit, de wijde wereld in, en het duurde jaren voor we elkaar terugzagen. Intussen hoorde ik van mijn familie dat het niet zo goed met hem ging. Hij deelde in de algehele malaise van de moederkerk en zou weliswaar nog in functie zijn, maar als vijfde, krakende en piepende wiel aan de wagen en was door de bisschop herhaaldelijk op non-actief gesteld vanwege zijn drankprobleem. Dat verbaasde me niets en ik besloot hem op te zoeken.

‘Steeds als ik wil stoppen met drinken,’ zei hij met een sneue glimlach, ‘moet ik tijdens de mis die kelk met wijn drinken. Als je er ranja in doet, telt het niet.’

Hij at meer ingelegde zuurwaren dan ooit, maar het hielp niet, tegen al die drank was geen zuur opgewassen.

Alsof dat niet al erg genoeg was, werd hij tijdens het grote misbruikonderzoek in de kerk in het begin van deze eeuw door een journalist van de provinciale krant aan de schandpaal genageld, weliswaar niet als verkapte pedofiel, maar als een halve aanrander. Jaren eerder, toen dat ambt nog bestond, was hij samen met twee andere bestuursleden als moderator van de damesvolleybalclub met het eerste zestal en twee reservespeelsters voor een internationaal toernooi naar Hamburg gereisd. Ze bleven vier dagen weg met drie overnachtingen in een studentenhotel, waar elke avond wild werd gefuifd. Elke nacht zou hij zich vergrepen hebben aan een andere speelster, die hij gehaaid naar zijn kamer had gelokt, aldus de meisjes, inmiddels vrouwen van middelbare leeftijd, die door de journalist waren benaderd. Hoewel ze op het moment van het delict meerderjarig waren, kon dat natuurlijk niet door de beugel. Iedereen viel over hem heen, de lezers met ingezonden brieven, zijn parochianen met brieven aan de bisschop en de bisschop met een nieuwe schorsing uit zijn ambt, om maar te zwijgen van de afkeurende blikken en commentaren van zijn buren en vrienden en bekenden. Niemand wilde meer iets met hem te maken hebben.

Omdat ik wist dat het niet waar kon zijn, zocht ik hem op. Hij woonde inmiddels in een dorp dat niet ver bij het onze vandaan lag. Toen ik hem vroeg hoe de vork in de steel zat, zei hij dat het verhaal niet klopte. Hij had weliswaar gemeenschap met die meisjes gehad, maar dat was geheel uit vrije wil gebeurd, hij had geen enkele druk op hen uitgeoefend.

‘Maar het ambt verbiedt het toch?’ zei ik.

‘In die tijd was de kerk volop in beweging. “Onderzoekt alles en behoudt het goede,” dat was het devies.’

Het was een stelregel van apostel Paulus, die ik in die tijd ook in de praktijk bracht. Ik nam het heel ruim, en hij kennelijk ook.

‘Maar elke nacht een ander!’

‘Zo hadden ze het afgesproken.’

‘Maar waarom heb je dat niet aan die journalist verteld? En waarom heb je die vrouwen daar niet op aangesproken?’

‘Voor die journalist was het een sappig verhaal en van die meisjes wil niemand voor de waarheid uitkomen, want ze zijn inmiddels allemaal getrouwd, met kinderen en zo. Als ze vertellen hoe het echt is gegaan, riskeren ze hun huwelijk.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Dat denk ik toch. Wat denk jij? Wil je trouwens iets drinken?’

Ik wimpelde zijn aanbod af.

‘Straks misschien, ik wil eerst weten wie die bal aan het rollen heeft gebracht.’

‘Ik denk wel dat ik dat weet,’ zei hij. ‘Een van die andere vijf speelsters, die getrouwd is met iemand van hier, heeft pas een zoon verloren en wilde hem laten begraven met muziek van ACDC. Dat heb ik geweigerd. Ik wil geen ACDC in de kerk. Toen ik haar dat vertelde, is ze heel boos geworden. “Dan weet ik wel wat,” zei ze. Ik dacht dat ze een brief naar de bisschop zou sturen, maar dat ging haar kennelijk niet ver genoeg. Toen heeft ze dit opgebracht bij die journalist.’

‘Schandalig, toch?’ zei ik.

Hij haalde zijn schouders op.

‘Zo gaan die dingen,’ zei hij. ‘Moederliefde, hè?’

‘Maar dan nog, zoiets doe je toch niet!’

‘Nee, natuurlijk niet. Ik denk dat ze er nu zelf ook wel spijt van heeft, maar wat heb je daaraan?  Gebeurd is gebeurd. Ik heb zuur vlees gemaakt, eet je een hapje mee?’

We aten zuur vlees, de Zure en ik. Dat was de laatste keer dat ik hem levend heb gezien. Een half jaar later is hij overleden. Leverfalen werd gezegd. Op zijn begrafenis heb ik nog gesproken. Ik heb hem bedankt voor zijn vriendschap en het misbruik in de pers aan de orde gesteld, maar daar haal je natuurlijk de krant niet mee.

 

 

 

 

 

 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten